Het beste wat we hebben

Wat moeten we lezen, vertel het ons. Welke Nederlandse schrijvers? Vier paar reebruine ogen zijn op me gericht, helemaal uit Buenos Aires komen aanvliegen. Dat zit zo: op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds zijn een paar Argentijnse journalisten uitgenodigd voor een bezoek aan Amsterdam.

Straks, in april, is Amsterdam ‘ciudad invitada de honor’ op de grootste boekenbeurs van Zuid-Amerika, de Feria del Libro, en maakt de fine fleur van de Nederlandse letteren aldaar haar opwachting. Nu kunnen ze hier alvast een kennismakingsrondje komen maken, onder meer langs collega-critici.

‘Amsterdam is zo stil’, hebben ze net nog gezegd.

‘Stil?’ vroeg ik, altijd blij om het niet echt ergens over te hoeven hebben. Vroeger werd me altijd gevraagd waarom ik studeerde wat ik studeerde. Op zeker moment moet je je antwoord paraat hebben.

‘Denk voor iedere fiets hier drie bussen’, zeiden ze.

En wij maar denken dat Amsterdam het epicentrum van de wereld is.

‘We werden net gewaarschuwd dat we wel twintig minuten moesten lopen’, vertellen ze lachend. Ik meen lichte spot in die reebruine ogen te zien. Ik heb een slecht geheugen voor getallen, maar dit heb ik onthouden van deze ontmoeting: Buenos Aires heeft vijftien miljoen inwoners. Voor ‘oh’ en ‘ah’ heb je aan mij een goeie.

Ondertussen ben ik als een gek aan het nadenken. Wat te lezen, wat te lezen. Ik moet het goeie, het enige correcte antwoord geven. Ik weet niks meer, waar zijn we, wie ben ik. Frits van Oostrom denk ik. Hebban olla vogala nesta. Alsof ik weer terug moet naar de basis, het begin van alles.

‘Vond je het leuk om kinderen te krijgen?’ vroeg ik eerder deze week aan mijn moeder, die de correctheid nu een paar jaar voorbij is.

‘Ik zat er niet op te wachten’, zei ze. ‘Maar jullie zijn alle vier heel lief, op jullie eigen manier.’

Welke manier, wil ik weten, maar dat zou vragen naar de bekende weg zijn. Ik weet wat mijn manier is, en die van mijn zus, en van mijn beide broers. Hij heeft een wat andere benadering, zegt mijn moeder over mijn ene broer.

Ik vind het fijn dat ze niet op mij, op ons, zat te wachten. Het maakt haar liefde nog onverdachter. Net zo onverdacht als de boeken die de vriendin uit Oxford en ik elkaar cadeau doen nu al sinds zo’n twee decennia. Tezamen vormen die boeken het beste ‘wat te lezen’-lijstje. Niet gehinderd door verplichting of hype, maar ingegeven door de niet-aflatende speurtocht naar het boek dat je optilt, al is het maar voor even. Atonement staat op die lijst, Birdsong, Captain Corelli’s Mandolin, Lonesome Dove, A Visit from the Goon Squad, The Corrections… Al heb ik het vorige boek dat zij me gaf, Shantaram, nog steeds niet gelezen. En nam ik de laatste keer geen boek voor haar mee, omdat ik wist dat ze niet nog meer papier in huis wilde hebben en al haar literatuur nu downloadt. Zo stuit je overigens kennelijk wel op onverwachte schatten. De laatste keer dat ik haar opzocht liet ze me zien hoe ze nu in bed zonder problemen Middlemarch van George Eliot aan het lezen is, met een soort mijnwerkerslamp om haar voorhoofd geklemd. Op een e-reader is de dikte van een boek geen bezwaar meer. Maar ik hoef hier geen reclame voor e-books te maken, ik moet de Nederlandse letteren verder helpen, de wereld in.

‘Nooteboom’, pers ik eruit. ‘Cees Nooteboom.’

Alles wat er om mij heen hing was een waaier van onmachtige woorden, schreef hij in Het volgende verhaal, het boekenweekgeschenk van… even opzoeken, djiezus, 22 jaar geleden. Wat ik het mooist vond in dit verhaal was de passage waarin de verteller eindelijk samen geweest is met zijn geliefde, en weet dat die voorbije uren hem niet meer afgenomen kunnen worden. Dat hij het gevoel heeft het Kanaal te hebben overgezwommen, dat zijn kat hem aankeek alsof hij voor het eerst zou gaan praten, dat hij een halve fles calvados leegdronk en de Ritorne d’Ulisse in patria speelde tot de benedenburen begonnen te stampen.

Bedenkelijke gezichten tegenover me. Misschien iets te literatuurderig. De avond ervoor hebben ze kennisgemaakt met Herman Koch. Gurman Kotsj. Moei simpatiko. Si si si.

‘Ja natuurlijk’, zeg ik.

Dan ook maar Grunberg ertegenaan gooien. Si si si. En ze hebben Carolina Trujillo ontmoet.

‘Excuses’, zeg ik. Nooit gelezen, geen idee.

Ik probeer de aandacht af te leiden. ‘Wat moet ik van jullie lezen?’ vraag ik.

Ze kijken elkaar aan. Er worden zacht wat namen gemompeld, uitgeprobeerd, tot er eentje overblijft. Saer. Ze spellen het voor me. Maar hij is wel net overleden.

‘Het was een bevrijding toen Borges doodging’, zegt de jongste Argentijnse man. Hij was zeventien toen zijn held stierf en hij eindelijk zelf iets op papier durfde te zetten.

‘Saer’, zeg ik, en knik ernstig. Ik hoop dat ze begrijpen dat ik thuis die naam ga opzoeken. En ik ben blij dat zij toch ook wel best lang moesten nadenken.

Si si si si.