20 jaar Duitse eenheid Heimwee naar West-Duitsland

Het beste wat ze hadden

Vergeet de Ostalgie. Op de twintigste verjaardag van de Duitse eenheid zijn het de Wessies die het sterkst terugverlangen naar vroeger. Ieder gat in de weg herinnert ze aan wat verloren ging.

BERLIJN/WUPPERTAL - ‘Het leven is geen ponyboerderij’, staat op de gevel van een café in het centrum van voormalig Oost-Berlijn. Misschien is het dat niet letterlijk, maar voor de jonge hoofdstadbewoners lijkt het wel degelijk een aaneenschakeling van latte’s, brunches en Apple-gadgets. Het leven is goed in wijken als Mitte en Prenzlauer Berg. De huizenfaçades zijn sinds de Wende opgeknapt, de cafés van ’s ochtends tot ’s nachts gevuld. Zelfs het versleten meubilair is schijn. Niets zo prijzig in dit deel van de stad als tweedehands rommel. Hier heerst het hele jaar door vakantiestemming. De ene na de andere buitenlandse bezoeker kan het dan ook niet laten de vraag op te werpen: waar doen ze het van?
Daar weten ze een slordige vijfhonderd kilometer westwaarts wel een antwoord op. Aan de centrale Friedrich-Engels-Allee in Wuppertal liggen net iets te veel kappers en autowerkplaatsen. De ruim 350.000 inwoners tellende stad even buiten het Ruhrgebied heeft zijn glorietijd achter zich liggen. Ooit was dit een centrum van de textielindustrie. De fabrikantenvilla’s, afbrokkelende sociale woningbouw en veelal verlaten werkplaatsen herinneren daar nog aan. Maar de bedrijvigheid is grotendeels naar Azië verhuisd. Daarmee is ook de welvaart verdwenen uit het dal van het riviertje de Wupper.
De vette jaren zijn voorbij. Wuppertal is het Griekenland van Duitsland geworden. De stad staat twee miljard euro in het rood. Alleen al aan rentebetalingen gaan dit jaar tachtig miljoen euro verloren, om over aflossing van de schuldenberg nog maar te zwijgen.
Er zit niets anders op dan fors te snijden in de ruime publieke voorzieningen. Het stadsbestuur wil vijf van de dertien zwembaden sluiten, evenals diverse bibliotheken. Ook crèches, het symfonieorkest en de muziekschool moeten het in de toekomst met aanzienlijk minder geld stellen. Niemand wordt gespaard; zelfs de honden moeten meer belasting gaan betalen. En het is niet alleen de gemeente Wuppertal die tot de nek in de schulden steekt. De inwoners kampen met soortgelijke besognes. Volgens het weekblad Focus kan in geen enkele gemeente in Duitsland zo'n groot percentage van de bevolking de rekeningen niet meer betalen.
Maar de druiven zijn nog zuurder. Boven op alle financiële problemen moet de stad in het kader van de Duitse hereniging ook nog eens meebetalen aan de opbouw van de voormalige DDR. Jaarlijks stromen er twintig miljoen euro’s vanuit Wuppertal oostwaarts. Euro’s die de stad niet heeft. En waar komt dat door het failliete Wuppertal met nieuwe schulden gefinancierde hulpgeld vervolgens terecht? Inderdaad, bijvoorbeeld in het feestvierende Berlijn.

WUPPERTAL staat niet op zichzelf. Overal in armere West-Duitse deelstaten als Rijnland-Palts en het Saarland schrijven steden rode cijfers. Vooral het aan Nederland grenzende Noordrijn-Westfalen heeft het zwaar. Van de 427 gemeenten zijn er inmiddels dertig nagenoeg failliet. Duisburg, Bochum, Essen, Solingen - de ene na de andere stad kondigt nieuwe bezuinigingspakketten af.
Hoe het zo ver heeft kunnen komen? 'De centrale overheid heeft de gemeenten begin jaren negentig in de steek gelaten’, meent de in Wuppertal werkzame theaterintendant Christian von Treskow. 'Een groot deel van de lasten, zoals de uitkeringen, is gedelegeerd naar de lokale politiek, maar zonder dat daar extra inkomsten tegenover stonden. Voor rijke steden als München en Düsseldorf is dat geen probleem. Maar de voormalige industriecentra zijn pats boem in de schuldenval gelopen.’
Von Treskow is zogezegd ervaringsdeskundige. Voor zijn theater kan de nieuwste bezuinigingsronde namelijk de doodsteek zijn. Het afgeslankte gezelschap treedt tegenwoordig vooral op in de opera. Die ligt nog geen honderd meter verwijderd van de grijze leistenen stadsvilla met groene luiken waar Marx’ boezemvriend en fabrikantenzoon Friedrich Engels geboren is. De opera van Wuppertal is een knots van een gebouw, met uitzicht op het handelsmerk van de stad: de ruim dertien kilometer lange zweefbaan. Helemaal van harte verblijft Von Treskow er desondanks niet. Zijn eigen theatergebouw is nu al meer dan een jaar gesloten in afwachting van sloop of sanering.
'In 2012 komt de grote hamer’, vat Von Treskow de situatie samen. Als het aan het stadsbestuur ligt, moeten theater en opera het in de toekomst jaarlijks met twee miljoen euro minder doen. Dat is een vijfde van de huidige begroting. Gaan de bezuinigingen door, dan zal dat vrijwel zeker het einde betekenen van ofwel de opera, ofwel het theater. Meer dan de sluiting van zwembaden en bibliotheken zorgde dat vooruitzicht het afgelopen jaar voor ophef. In het theaterwereldje van Wuppertal is dan ook niemand minder dan de beroemde choreografe Pina Bausch (1940-2009) groot geworden. Nadat in januari dit jaar al een 24 uur durende theater-actie-marathon had plaatsgevonden, speelden twee maanden later zestig theatergezelschappen uit verschillende landen in de straten van Wupperal, uit solidariteit met de in hun voortbestaan bedreigde collega’s.
Het spreekt voor zich dat Von Treskow de bezuinigingsplannen onverantwoord vindt. Behalve aan gebrekkig verantwoordelijkheidsbesef van de federale overheid wijt hij ze ook aan een meer algemene verwaarlozing van de cultuur: 'Mensen zien enkel nog de kosten, niet meer de waarde.’ Terwijl kunst en literatuur in Duitsland altijd zo'n belangrijke rol hebben gespeeld, zeker ook na 1945. Von Treskow: 'De Duitsers hadden zich schuldig gemaakt. Cultuur hielp hen in die situatie om moreel met zichzelf in het reine te komen. Je ging of naar de kerk, of het theater. Of je las een boek natuurlijk.’
Maar de desolate toestand van de Wuppertalse begroting heeft ook het een en ander te maken met de Duitse eenwording. 'De landelijke politiek heeft de blik oostwaarts gericht’, vindt Von Treskow, die zelf langere tijd in de 'nieuwe deelstaten’ heeft gewoond. 'In het oosten is tegenwoordig alles nieuw: de wegen, het openbaar vervoer. Maar hier, hier zijn de straten kapot en brokkelen de gevels van de huizen af. Het ziet eruit als de DDR twintig jaar geleden.’
Op de twintigste verjaardag van de Duitse eenheid wordt de 'Aufbau Ost’ steeds meer ervaren als de afbraak West. Voor alle duidelijkheid: gemiddeld verdienen de Oost-Duitsers nog steeds slechter dan hun West-Duitse landgenoten, hebben zij fors minder vermogen en leven ze korter. Maar de verschillen worden ieder jaar kleiner. Op een persconferentie over de stand van zaken van de Duitse hereniging gaf minister Thomas de Maizière van Binnenlandse Zaken bovendien volmondig toe dat Oost-Duitsland er op steeds meer gebieden even goed, zo niet beter aan toe is dan West-Duitsland. Vooral de toestand van de publieke voorzieningen - scholen, ziekenhuizen, wegen - is rooskleurig. 'De Duitse eenheid is volwassen geworden’, concludeerde de minister tevreden.
Lang niet alle Duitsers zien het zo zonnig. De afgelopen twintig jaar is volgens sommige schattingen tot 1,6 biljoen euro van het westen naar het oosten gestroomd, een onwaarschijnlijk bedrag. Er gaan steeds meer stemmen op dat het genoeg is geweest. Zo uitte in een opiniepeiling 71 procent van de bevraagde Duitsers de wens de 'solidariteitstoeslag’, een na de hereniging ingestelde speciale belasting ten behoeve van de oostelijke deelstaten, af te schaffen. Zelfs onder Oost-Duitsers heeft de heffing anno 2010 iets minder voor- dan tegenstanders.

NIET ALLEEN onder de bevolking klinkt gemor, ook de West-Duitse politiek roert zich. Enige tijd geleden pleitten negentien armlastige steden niet alleen gezamenlijk voor meer geld van de landelijke overheid, maar ook tegen het solidariteitspact. Burgemeester Peter Jung van Wuppertal was een van de ondertekenaars. 'Wij moeten onze bijdrage aan de opbouw van het oosten met geleend geld financieren, terwijl veel gemeenten daar hun begroting keurig op orde hebben’, vertelt Jung. 'Dat is niet fair, twintig jaar na de Wende. De federale overheid is voor burgers erg ver weg. De deelstaten ook. Maar de gaten in de weg voelen ze wel degelijk.’ Wat in elk geval een stap in de goede richting zou zijn, is een andere verdeling van het solidariteitsgeld, meent Jung. 'Verdeel dat bedrag niet naar windrichting, maar naar noodzaak.’
Daar valt iets voor te zeggen. Want hoewel de binnenlandse welvaartsverschillen in Duitsland nog altijd groot zijn, loopt de kloof niet meer vanzelfsprekend tussen oost en west. Onderzoekers bevestigen dat het onderscheid in rijkdom tussen West-Duitse regio’s onderling inmiddels veel groter is dan tussen de oude Bondsrepubliek en de voormalige DDR. Waar met name zuidelijke deelstaten het goed doen - Beieren en Baden-Württemberg, maar ook het Oost-Duitse Thüringen en Saksen - kampt het noorden van Duitsland met grote problemen en werkloosheid. Of het nou in Bremen, Sleeswijk-Holstein of Mecklenburg-Voorpommeren is, de 'bloeiende landschappen’ die bondskanselier Helmut Kohl bij de Duitse hereniging in het vooruitzicht stelde, zijn hier ver te zoeken.
HET IS EVEN wennen, maar de gevoelde verliezers van de Duitse eenheid wonen in het westen. Natuurlijk heerst ook in Oost-Duitsland nog altijd onvrede. Zo zorgde de Brandenburgse deelstaatpremier Matthias Platzeck deze zomer voor ophef door over de Duitse eenheid te spreken als een 'Anschluss’ in plaats van een hereniging. Die veelbesproken Ostalgie blijkt niettemin relatief. 'Ondanks de nostalgische verheerlijking van de DDR beschouwt een grote meerderheid van de Oost-Duitsers de tijd na de hereniging als de beste van hun leven’, schrijft de aan de Berlijnse Freie Universität verbonden politicoloog Klaus Schröder in zijn afgelopen maand verschenen studie Das Neue Deutschland: Warum nicht zusammenwächst, was zusammengehört. 'Het oordeel van de West-Duitsers valt anders uit: de tijd vóór 1990 wordt als mooier ervaren.’
Dat dit beeld niet altijd strookt met de werkelijkheid verandert weinig aan die mening. 'De toestand is beter dan de stemming’, constateerde minister De Maizière niet voor niets. De 'Klagewessis’ willen er evenmin op gewezen worden dat West-Duitse investeerders volop geprofiteerd hebben van de overhaaste privatisering van de DDR-boedel, om maar te zwijgen over het feit dat steden als Wuppertal ook zonder Duitse eenwording zouden zijn getroffen door de deïndustrialisering. Sterker, dat proces was al jaren daarvoor begonnen. Maar in de publieke herinnering worden het verval van het westen en de hereniging met het oosten nu eenmaal makkelijk met elkaar in verband gebracht.
En dus laat Schröders studie zien dat sinds de hereniging de tevredenheid met de democratie in West-Duitsland is afgenomen. Alleen in hun afkeer van het rauwe kapitalisme zijn de Duitsers vereend. Slechts de helft van de West-Duitsers noemt de markteconomie het best denkbare systeem, van de Oost-Duitsers is zelfs maar een kwart het met die stelling eens. Desondanks ontbreekt het na twintig jaar eenheid volgens Schröder nog altijd aan een gemeenschappelijke identiteit in Duitsland. Zijn opmerkelijke conclusie: 'De Westalgie is intussen wijder verbreid dan de Ostalgie.’
Dat verlangen naar het teloorgegane West-Duitsland is ook onder sommige intellectuelen te bespeuren. Zo zegt de in de DDR geboren schrijver Ingo Schulze niet het verdwijnen van het oosten te betreuren, maar van 'een westen met een menselijk gezicht’. Iets soortgelijks betoogde publiciste Daniela Dahn eerder in een interview met De Groene Amsterdammer. Volgens haar is West-Duitsland met zijn riante welvaartsstaat het werkelijke slachtoffer van de Wende. 'Het Oostblok-socialisme was allerminst volmaakt’, aldus Dahn. 'Maar zolang het bestond, werd het kapitalisme erdoor afgeremd, beteugeld. Om te voorkomen dat het socialisme aan populariteit won, moest het kapitalisme socialer, vrijer en geëmancipeerder zijn. Dat veranderde met het ineenstorten van het Oostblok.’
Er lijkt in navolging van alle nostalgische boeken over het leven onder het DDR-regime zelfs iets van een Westalgie-literatuur te ontstaan. Das beste, was wir hatten luidt bijvoorbeeld de veelzeggende titel van een vorig jaar verschenen, zeer positief ontvangen boek van de West-Duitse schrijver Jochen Schimmang. Het is het verhaal van Gregor Korff, een man wiens leven verstrengeld is met de Bondsrepubliek. Hij houdt van dat knusse, overzichtelijke en bescheiden land rond de Rijn. Korff was ooit een rebelse '68-er, maar heeft het tot politiek adviseur geschopt van een minister in het kabinet-Kohl. Maar met de Duitse eenwording is zijn gezapige leventje voorbij. 'Daar moeten we snel naartoe gaan en orde op zaken stellen. Maar of ik meega - ik weet het niet. Het is zo mooi aan de Rijn.’
Korffs afkeer van de grote, arrogante Berlijnse republiek is zo groot dat hij uiteindelijk zelfs zijn oude linkse activisme oppakt. Hij helpt een jeugdvriend die heeft geprobeerd een aanslag op een Pruisisch monument ter ere van keizer Wilhelm te plegen. Het spreekt voor zich waar deze uiteindelijk naartoe vlucht: nog verder westwaarts, naar het liberale paradijs dat Amsterdam heet.

ZULKE VERHALEN doen twijfelen in hoeverre de nieuwe Westalgie als een politieke overtuiging moet worden begrepen. Meer nog dan Ostalgie gaan achter het verlangen naar het oude West-Duitsland de meest uiteenlopende gevoelens schuil. Sommigen hebben heimwee naar de teloorgegane welvaartsstaat of de gemoedelijk Rijnlandse sfeer. Velen zullen eerder treuren om hun belastingcenten die oostwaarts zijn gevloeid.
Belangrijker dan de politieke lading is misschien wel het persoonlijke karakter van zulke sentimenten. In een opiniestuk in de Süddeutsche Zeitung opperde de theoloog Richard Schröder (niet te verwarren met de politicoloog) de mogelijkheid dat Ostalgie juist zo hardnekkig is omdat het niet om het verlangen naar een politiek systeem gaat. Het zijn de vrijwel altijd mooie jeugdherinneringen die mensen doen terugverlangen naar de DDR, niet de toespraken van Erich Honecker.
Mensen maken kortom te weinig onderscheid tussen hun eigen leven en het systeem waarin zich dat afspeelde, vindt Schröder. Dat geldt ongetwijfeld ook voor de oprukkende Westalgie. Schrijver Jochen Schimmang zei het desgevraagd zelf bij een lezing in het Berlijnse Bertolt Brecht-Haus. De titel van zijn boek slaat helemaal niet op het geliefde West-Duitsland dat verdwenen is, zoals wordt aangenomen door veel recensenten. Het verwijst naar de lange middagen die de jonge Gregor Korff samen met zijn beste vriend doorbracht in een verlaten, gekraakte schuur. 'Die jeugdjaren’, aldus Schimmang in de door zijn protagonist gehate nieuwe hoofdstad, 'dat was daadwerkelijk het beste wat we hadden.’