De lijsttrekker als auteur

Het Binnenhof is zelden uit zicht

Een beetje lijsttrekker schrijft tegenwoordig een boek. Wie daarin zoekt naar het verhaal in de politiek vindt vooral de politiek in het verhaal.

Medium leegte

‘Een verhaal blijft nodig’, concludeert Bas Heijne in zijn recente pamflet Onbehagen waarin hij de boze burger onder de loep neemt. ‘Zonder verhalen – noem het mythes, noem het godsdienst, noem het cultuur – kan een mens niet goed mens zijn.’ Het gebrek aan een verhaal, het is de telkens terugkerende diagnose van het huidige politieke klimaat. De sociaal-democratie zou er slap bij hangen omdat ze een verhaal voor deze tijd ontbeert. Het antwoord op de politiek van uitsluiting, op de kloof tussen elite en volk, op de door crises geplaagde EU is telkens: een nieuw verhaal vertellen. ‘Het succes van het populisme toont waar het bij de gevestigde elite vooral aan schort: aan verhaal, aan symboliek, aan verbeelding’, schreef hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen in het afgelopen winternummer van De Groene Amsterdammer.

En de politiek is zich ervan bewust. ‘Weten politici wat hen ten diepste drijft? Kennen ze hun eigen verhaal?’ schrijft Jesse Klaver in zijn boek De mythe van het e_conomisme_. Zijn schrikbeeld, zo leren we, is Wouter Bos die tijdens de pvda-verkiezingscampagne van 2006, toen hem werd gevraagd waarom hij de verkiezingen wilde winnen, antwoordde: ‘Ik wil Nederland een klein beetje beter maken.’ ‘Er ontbreekt een overtuigend verhaal waarin hijzelf gelooft’, schrijft Jesse Klaver.

Ontbreekt het de huidige generatie politici inderdaad aan een overtuigend verhaal? Zijn het technocraten? Misschien doen we onze volksvertegenwoordigers te kort. De boekhandel biedt reden om die gedachte in ieder geval te overwegen: al die boeken geschreven door de lijsttrekkers van de partijen die momenteel om onze stem vechten. Meer pagina’s dan Oorlog en vrede, meer titels dan er in de Harry Potter-cyclus zitten. Alle ruimte voor de politieke kopstukken om te vertellen wat ze het liefst kwijt willen, zonder dat ze last hebben van de interruptiemicrofoon. Het grote verhaal van onze politieke elite, kortom.

Barack Obama was de trendsetter. Hij was een schoolvoorbeeld van de politicus met een kaft erom. Dreams of My Father, Obama’s autobiografie, en The Audacity of Hope, waarin hij pleit voor empathie en consensus, vormden het fundament van zijn imago als heraut van verandering. Obama was een verhaal nog voor hij president werd, zo’n sterk verhaal zelfs dat je je kunt afvragen of hij er niet door gevangen werd. Wie change belooft, wordt afgerekend op wat intact blijft. Met ‘Yes, we can’ als motto steekt elk ‘in the end we couldn’t’ extra scherp af.

Dat risico dreigt ook in Nederland. Dromen, veranderen en verbinden zijn ook de thema’s die de Nederlandse lijsttrekkers bezighouden. Hier een greep uit de flapteksten van hun boeken. ‘Een land dat ruimte biedt aan verschillende mensen, een land waar we elkaar weer recht in de ogen kijken’; ‘vaste grond onder voeten die nodig is om weer met vertrouwen naar de toekomst te kijken’; een ‘veelkleurige, vrije samenleving met kansen voor iedereen’; ‘een empathische samenleving die ongelijkheid bestrijdt en tegenstellingen overbrugt’. Gelet op hun uitgangspunten kunnen in ieder geval de lijsttrekkers van de ChristenUnie, sgp, GroenLinks en d66, van wie bovenstaande citaten respectievelijk afkomstig zijn, het met elkaar vinden. Misschien is het verhaal in de politiek niet zozeer afwezig als wel weinig onderscheidend.

Maar: never judge a book by its cover. Lezen dus, in Hoop van ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers, in De kanarie in de kolenmijn, geschreven door Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren, samen met financieel geograaf (en Groene-columnist) Ewald Engelen. Optimist in de politiek van d66-leider Alexander Pechtold staat op de leeslijst, net als Jesse Klavers De mythe van het economisme. SP-lijsttrekker Emile Roemer schreef Het kan wel. Thierry Baudet van Forum voor Democratie is auteur van Breek het partijkartel!, Kees van der Staaij (sgp) schreef Goede gesprekken en cda-lijsttrekker Sybrand Buma Tegen het cynisme.

Lodewijk Asscher van de pvda greep weliswaar naar de pen, maar was toen nog wethouder in Amsterdam en heeft daarmee strikt genomen geen lijsttrekkersboek geschreven. Van Mark Rutte (vvd) weten we inmiddels dat hij liever per brief communiceert. Zijn verhaal voor Nederland bleek op een halve krantenpagina te passen. Normaal doen of het land verlaten, is het verhaal waarmee de vvd de campagne in gaat. Als politieke strategie is het een slimme zet. Iedereen kan zijn eigen ‘normaal’ projecteren op de vvd en geloven dat die partij daarvoor opkomt. Mark Rutte, als man zonder al te uitgesproken eigenschappen, past daar perfect bij.

Wat de pvv betreft: de roep om een verhaal is juist ontstaan in reactie op de rechts-populistische retoriek van Geert Wilders. Voorzover dat een verhaal is wordt het verteld in negatieve termen. Stoppen met culturele subsidies, stoppen met de Europese Unie, weg met de islam in Nederland. Hoe het Nederland dat volgens Wilders op deze manier wordt ‘terugveroverd’ er precies uitziet, blijft onbenoemd.

In vergelijking met de voormannen van de vvd en de pvv zijn hun tegenstrevers dus voorbeeldige auteurs, al lijken ze allemaal dezelfde schrijfcursus bezocht te hebben. Het politieke proza van onze lijsttrekkers is op z’n best braaf en in veel gevallen houterig. Ze hebben een voorkeur voor algemeenheden. ‘Het is tijd voor een radicale koerswijziging waarin het zekere voor het onzekere wordt genomen’ (Marianne Thieme). ‘Leiderschap betekent voor mij het inzetten van mijn talenten om anderen de kans te geven te doen waar zij goed in zijn’ (Alexander Pechtold). ‘Niets is onmogelijk’ (Jesse Klaver). Positieve uitzondering is Gert-Jan Segers, die zich een begaafd stilist toont. ‘Je spreekt wel, maar je woorden verdwijnen in het luchtledige, je handelt wel, maar je daden zetten niets in beweging’, is een fraaie verwoording van de machteloosheid die veel kiezers voelen.

Wat zijn, behalve stijl, de kenmerken van een goed verhaal? ‘De geschiedenis is een verhaal, een verhaal heeft een verteller nodig, en die verteller moet ergens staan’, schreef wijlen historicus Tony Judt over de kenmerken van goede geschiedschrijving. ‘The view from nowhere does not work’, vond hij. Daarom schrijven uitgesproken marxistische of liberale historici goede boeken: ze gieten gebeurtenissen in een kader, kiezen een begin- en eindpunt en beschrijven de kronkelige weg daartussenin. Voor een politiek verhaal, dat in feite geschiedenis in wording is, kun je dezelfde criteria hanteren: de verteller moet ergens staan en vanuit die standplaats de wereld beschrijven, hoe die is, maar vooral hoe die kan zijn.

Daar begint een probleem: de letterlijke standplaats van lijsttrekkers is in bijna alle gevallen dezelfde. ‘Ik ben dol op de vierkante meter van het Binnenhof, het spel en de knikkers’, schrijft Jesse Klaver in De mythe van het economisme. Hij deelt dat gevoel met Emile Roemer, die opent met een rijke beschrijving van het Binnenhof, waar hij altijd weer thuiskomt na een bezoek aan de ‘buitenwereld’. En beginnen de vertellingen van de lijsttrekker niet letterlijk op politiek terrein, dan toch zeker in figuurlijke zin, met verhalen over Nixon en Kennedy (Sybrand Buma), een uiteenzetting over de Vrijzinnig Democratische Bond (Alexander Pechtold) of een inkijkje in Haagse compromisvorming op een ingewikkeld dossier (Gert-Jan Segers).

Over het algemeen zijn de auteur-lijsttrekkers veteranen in ‘het vak’ (dixit Alexander Pechtold) en uit de onderwerpen waaruit ze putten, merk je dat je met beroepspolitici van doen hebt. (Thierry Baudet is de enige die zijn boek niet schreef in een kantoor aan het Binnenhof.) Het is politiek voor en politiek na. We lezen over werkbezoeken die werden afgelegd als Kamerlid, over formaties, Kamerdebatten en achterkamertjes, kortom: over het werkend leven van een politicus. Hun politieke ambt is het venster waardoor de lijsttrekkers de wereld beschouwen. Dat lijkt voor de hand liggend, maar wekt de suggestie dat het land samenvalt met de plek waarvandaan het wordt bestuurd. Het is veelzeggend dat kiezers, de mensen die moeten leven in de beloofde samenleving, nagenoeg afwezig zijn in de lijsttrekkersboeken.

De mensen die moeten leven in de beloofde samenleving zijn nagenoeg afwezig in de lijsttrekkersboeken

En dat terwijl er zoveel alternatieven zijn. Verhalen kunnen bestaan uit de levens van anderen, uit geschiedenis, uit voorvallen, uit beeldspraak. Natuurlijk maken de lijsttrekkers hiervan gebruik, maar ze doen dat zuinig. Een uitstapje naar het verleden of het rijk der ideeën leidt meestal snel weer terug tot een politiek thema: een verkiezingsstandpunt of een uitweiding over waarom de auteur voor de politiek heeft gekozen om zijn idealen te verwezenlijken. In het verhaal van de lijsttrekker zijn de torens van het Binnenhof zelden uit het zicht. Als lezer weet je waar het verhaal om draait, maar eentonig is het wel.

Er bestaan gelukkig uitwegen uit het puur partijpolitieke verhaal. Autobiografie, bijvoorbeeld. Obama’s Dreams of My Father is een aantrekkelijk boek omdat er een levensloop in wordt geschetst, over de jongen die een man wordt, tegenslagen overwint en successen boekt, alles tegen het decor van een veranderende tijd. In onze lijsttrekkersboeken is het biografische gehalte beknopt of afwezig. Voorzover er een leven voorgeschoteld wordt, is het overwegend rimpelloos. Jeugd, school, studie, huwelijk: als bij een saaie toespraak worden de verschillende fases plichtmatig aangestipt. ‘Ik ben geboren in Delft maar groeide op in Rhoon, een protestants dorpje, bijna een gehucht, in Zuid-Holland’, schrijft Alexander Pechtold in Optimist in de politiek. ‘Een prachtige omgeving.’

Wat volgt is een middelbareschooltijd met toneelspel en een onfortuinlijk voorval waarbij oudere jongens wat klappen uitdelen. ‘Daarna kwam de vraag wat ik wilde studeren.’ Het werd rechten in Leiden, en een switch naar kunstgeschiedenis. Bij het vriesvak in de supermarkt vindt de ontmoeting plaats met Froukje, er wordt getrouwd, er komen kinderen. Een ontmoeting met Hans van Mierlo (‘een man met een verhaal’) leidt tot het besluit om de politiek in te gaan. Hoewel, een besluit lijkt het niet te zijn. ‘Ik ben er min of meer ingerold’, schrijft Pechtold. Hij wordt wethouder, burgemeester en daarna, in 2005, minister. We zijn dan nog niet op pagina veertig van zijn boek.

En dan heeft Pechtold nog iets van zijn biografie proberen te maken. Al wordt hij hierin voorbijgestreefd door Jesse Klaver. Die vertelt dat hij het kind is van een Indonesische moeder en een Marokkaanse vader die kort na de geboorte uit het zicht verdween. Klaver groeide op in een ‘warm nest vol hoop, liefde en vertrouwen’, in een doorsnee wijk in Roosendaal, en haalde daarna een vmbo-diploma op de vrije school. Hard werken leerde hij tijdens een zaterdagbaantje en als adolescent was hij al politiek geïnteresseerd. Ondanks een poging een zeker drama mee te geven aan dit levenspad (‘ik ging niet van school met een gymnasiumdiploma’) is het nergens echt against the odds. Klaver hoopt iedereen de kansen te geven die hij kreeg: aangenomen dat hij niet bedoelt voor je ‘vijfentwintigste Kamerlid zijn’ ligt die droom niet ver weg van wat het gros van de Nederlandse jeugd hoe dan ook meemaakt.

Medium overlees2

Ook Klavers politieke carrière kende geen enorme obstakels, zo blijkt. Een sollicitatiebrief was voldoende om op een verkiesbare plek terecht te komen (‘het is tijd voor idealistisch gedreven politici die een pragmatische moderniseringsagenda kunnen voeren’). Het lijsttrekkerschap kwam zijn kant op ‘gerold’ toen hij wel wilde en niemand anders zich kandidaat stelde. Je kunt mensen niet verwijten te zijn opgegroeid in veiligheid en voorspoed, maar afgaande op dit soort voorbeelden tref je iets van een verklaring waarom politiek in Nederland bij tijd en wijle zo kleurloos lijkt: het wordt niet bedreven door mensen die de indruk wekken hun rol als volksvertegenwoordiger permanent te moeten bevechten.

Dat laatste geldt zeker ook voor Sybrand Buma. ‘Familie maakt mensen tot wie ze zijn. Daar kan ik over meepraten’, zo maakt de cda-lijsttrekker de lezer warm voor zijn verleden. Wat volgt zijn vijf eeuwen Friese familiegeschiedenis waarin vele Buma’s posities in het openbaar bestuur bekleedden (‘de top van de maatschappelijke ladder’ is de term die om de paar pagina’s valt). Waar dit toe gaat leiden is duidelijk. ‘Het ambt van volksvertegenwoordiger is voor mij een bijna vanzelfsprekende verantwoordelijkheid’, concludeert Buma.

In vergelijking met zijn familieverleden is wat Buma over zichzelf te vertellen heeft ronduit saai. Zijn grote vormende moment kwam toen het gezin een dagje Amsterdam deed en kleine Sybrand alleen achterbleef toen de familie in een lift stapte om naar de bovenste verdieping van het havengebouw te gaan. De deuren schoven voor zijn neus dicht nadat hij had gewacht tot anderen waren ingestapt. Als gezocht opstapje naar ‘Buma, de leider die anderen op de eerste plaats stelt’ voldoet de anekdote. Als illustratie van iemand die vanuit fundamentele ervaringen naar de wereld kijkt, is het net als alle andere persoonlijke elementen waarmee Buma zijn verhaal opbouwt wat alledaags.

Haalt Buma zijn roeping uit ‘de historie die ik met me meedraag’, zijn intellectuele vorming komt uit andere hoek. In Tegen het cynisme toont hij zich erfgenaam van het fortuynistische gedachtegoed. Buma koestert zijn exemplaar van Pim Fortuyns De verweesde samenleving. ‘Verweesd’ is ook de diagnose die Buma op de huidige samenleving plakt. Individualisme, een te laag geboortecijfer en gebrek aan ‘organisch overgedragen normen- en waardenbesef’ teisteren de moderne samenleving, aldus Buma. Inzetten op economische zelfstandigheid van individuen is in zijn ogen een politieke vergissing, gezinsbeleid is wat ons in de ‘verwarring van de moderne wereld’ houvast moet bieden.

Andere lijsttrekkers houden hun eigen leven goeddeels buiten zicht. Over Emile Roemer leren we enkel dat hij zeventien jaar voor de klas heeft gestaan (en dat hij daarom ‘goed kan uitleggen’) en dat zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zat. Was zijn vader niet op het nippertje uit de klauwen van de nazi’s gered, ‘dan was ik er niet geweest’. En daarmee was de wereld bijna een hedendaagse verzetsstrijder misgelopen, is de suggestie. ‘Zo vader, zo zoon?’ luidt de titel van het hoofdstuk.

De rest van Roemers Het kan wel (de SP-variant van Yes we can, een slogan die ook Jesse Klaver in zijn boek hanteert) bestaat uit verslagen van werkbezoeken die hij als Kamerlid aflegt. Dat brengt Roemer van lokale evenementen (het kampioenschap ‘heggenvlechten’ in de weilanden bij Boxmeer) tot het internationale toneel, waar hij de Griekse premier Tsipras ontmoet en sloppenwijken in Kenia bezoekt. In een twintigtal korte hoofdstukken worden die ontmoetingen aangegrepen om het politieke wensenlijstje van de SP te noemen. Op bezoek bij familiebedrijven ziet Roemer bevestigd dat werknemers vaste contracten moeten krijgen in plaats van tijdelijke aanstellingen waarmee ze er bij ziekte en arbeidsongeschiktheid alleen voor staan. In Kenia komt hij tot de slotsom dat een eerlijke prijs op de wereldmarkt belangrijk is voor ontwikkeling. In het Belgische Ieper beseft hij ‘dat er in een oorlog alleen maar verliezers zijn’.

Stuk voor stuk sympathieke standpunten, maar zonder verbindende analyse blijven het politieke faits divers. Wie fundamentele linkse systeemkritiek verwacht, komt bedrogen uit. Wat de gezondheidszorg betreft wil Roemer dat artsen ‘niet voor ieder aspirientje vier bonnetjes hoeven te schrijven’. Dat is luie kroegpraat, geen serieuze probleemanalyse. Hetzelfde geldt voor het aanwijzen van ‘bestuurders en managers’ als oorzaak van het gros van de maatschappelijke problemen.

In vergelijking met zijn familieverleden is wat Buma over zichzelf te vertellen heeft ronduit saai

Het gevolg is dat tegenstrijdigheden onopgemerkt blijven. In gesprek met Luiz Inácio Lula luistert Roemer geboeid hoe de oud-president van Brazilië een fraaie toekomst voor zijn land voorspelt omdat het land ‘grote olie- en gasvoorraden heeft ontdekt’. Een paar hoofdstukken verder treffen we Roemer in Rotterdam waar ‘sinds het registreren van het weer in de Bilt het nog nooit zo warm is geweest’. Dat een en ander met elkaar verband houdt, lijkt hem te ontgaan. Wellicht daarom dat de SP-ideologie, voorzover Roemer daar in Het kan wel aan toekomt, voornamelijk bestaat uit een kleine bijstelling van het huidige kapitalisme. In plaats van het Angelsaksische model met prioriteit voor aandeelhouderswinst wil Roemer het Rijnlandse model, dat meer op de lange termijn is gericht.

Ook sgp-voorman Kees van der Staaij koos ervoor om zijn verhalen via de ontmoeting met anderen te vertellen. En hoewel Van der Staaij geen boek wilde schrijven waarin hij ‘vanuit de studeerkamer uitlegt hoe alles beter kan’, is het resultaat toch een belerend relaas. Zijn gesprekken blijken vooral een zoektocht naar een gelegenheid om de conservatieve christelijke agenda nog eens in de etalage te zetten: geen homohuwelijk, geen abortus, geen versoepeling van de euthanasienormen.

Van der Staaij struikelt daarmee over hetzelfde touw als Roemer. Wie vooral gesprekken met anderen optekent, houdt weinig ruimte over om zelf een verhaal te vertellen. In het geval van de gereformeerden komt daar nog een tweede probleem bij. Een politieke partij die er in de praktijk vooral is om het minderheidsstandpunt te vertegenwoordigen in enkele levensbeschouwelijke kwesties wordt niet echt geprikkeld om een breder verhaal te ontwikkelen. Van der Staaij’s kijk op Europa beslaat welgeteld één paragraaf: hij wil een ‘nieuwe vorm van Europese samenwerking’ die ‘slagvaardig grensoverschrijdende problemen aanpakt’, maar niet te veel macht naar zich toe trekt. Hoe? Waarom? Voor wie? Met wie? Van der Staaij lijkt geen aandrang te voelen verdere vragen te beantwoorden. Immers: ‘God regeert, dwars door alles heen.’

Wie zoekt naar fundamentele systeemkritiek kan terecht bij De kanarie in de kolenmijn van Marianne Thieme, dat volledig in het teken staat van de ecologische catastrofe die we over ons afroepen omdat onze vleesconsumptie, ons watergebruik en onze omgang met natuurlijke hulpbronnen alles behalve duurzaam zijn. Dat verhaal wordt verteld in onversneden morele termen. We putten de wereld uit als gevolg van onze ‘overdaad’ en ‘eigen decadentie’. We shoppen, we eten, en jagen de planeet er zo in rap tempo doorheen, ten koste van toekomstige generaties. In zijn beperkte thematiek is dit zonder meer een verhaal, met een hoofdrol voor de inhalige, genotzieke mens.

Toch komt ook Thieme weer uit op de politiek: de oplossing bestaat uit een partij die ‘álle soorten, mens én dier’ als uitgangspunt neemt. Ze ziet de Partij voor de Dieren als politieke avant-garde die binnen het politieke bestel een nieuwe koers aangeeft. Haar uiteindelijke publiek is daarmee niet de samenleving, maar vooral haar collega’s: de ‘fossiele politici’ die kiezen voor het ‘kleurloze compromis’ en daarmee ‘de bijl leggen aan de wortel van onze parlementaire democratie’. Het verhaal van de Partij voor de Dieren dat begint over de nietige mens in het licht der millennia eindigt dus ook weer in het parlement als plek waar de ommekeer begint. Daarmee is De kanarie in de kolenmijn tekenend voor de publieke cultuur van Nederland: wie zich ergens druk over maakt, richt vroeger of later een partij op en hoopt vanaf het pluche de samenleving te veranderen.

Tot die categorie behoort ook Thierry Baudet, lijsttrekker van Forum voor Democratie en auteur van Breek het partijkartel! Ook volgens Baudet falen de partijen in hun taak het volk te vertegenwoordigen omdat ze aan compromisvorming doen. Van wat een kiezer wil blijft weinig over in het electoraal-vertegenwoordigend stelsel doordat verkiezingen over meerdere onderwerpen tegelijk gaan, partijen een samenstelling zijn van mensen met verschillende opvattingen die in het parlement ook weer standpunten moeten uitruilen. Dit ‘compromis van een compromis van een compromis’ kan worden doorbroken met bindende referenda die op initiatief van burgers zelf worden georganiseerd, bepleit Baudet. Hij kiest daarbij een historisch decor. Het Plakkaat van Verlatinghe en de politieke experimenten van de Bataafse Republiek komen langs. Ook hier geldt: het verhaal in de politiek gaat over politiek.

Mochten historici over een aantal eeuwen deze boeken doorspitten, dan is de kans groot dat ze concluderen dat Nederland in 2017 aan de vooravond van een fundamentele verandering stond. ‘De aarde wordt leeggeroofd, mensen afgeleefd, en gemeenschappen verbrokkelen’, aldus Gert-Jan Segers. ‘Steeds meer mensen leven voor zichzelf’, stelt Sybrand Buma. Alexander Pechtold maakt zich zorgen over ‘nationalistische verbetenheid’ die door heel Europa een ‘boodschap van wantrouwen’ aandraagt. ‘Generaties lang stond kinderen een betere toekomst te wachten dan die van hun ouders. Tot onze generatie’, schrijft Marianne Thieme. ‘Het democratisch systeem verkeert in bijna alle westerse landen in crisis’, aldus Thierry Baudet.

De lijsttrekkers wijzen vervolgens naar waar volgens hen de nooduitgang zit: Buma heeft een uitgebreide uiteenzetting over moraal die voortvloeit uit de christelijke beschaving. Klaver biedt een ‘empathische samenleving’ die niet alles beziet in termen van financiële kosten en baten en oog heeft voor ongelijkheid. Thieme wil ‘ecocentrisme’. Segers houdt een eloquent betoog over het verkleinen van culturele, economische en sociale tegenstellingen. Pechtold schetst een ‘nieuwe belofte voor Nederland’ waar met ‘hard werken en kansen pakken’ de maatschappelijke ladder nog altijd beklommen kan worden.

Er is, kortom, stof genoeg voor een verhaal, er is geen gebrek aan vergezichten. Het probleem is dat het verhaal niet overtuigt. Dat komt doordat het volgende hoofdstuk al min of meer vaststaat. Aan het eind van het verhaal wacht de onderhandeling in het parlement, als coalitiepartij, of als ‘constructieve oppositie’. De auteurs weten dat omdat ze al jaren niets anders doen. En de lezers weten ook dat het verhaal van de politiek eindigt in de polderdemocratie met haar compromissen en coalities.

Anders gezegd: onze politieke cultuur behoedt ons voor al te veel ontregeling, maar is fnuikend voor een geloofwaardig verhaal. Een goed verhaal wekt de suggestie dat het einde nog open ligt, dat er op elk moment een plotselinge wending kan plaatsvinden. De lijsttrekkers verraden het einde al door hun verhaal om de Haagse politiek te laten draaien. Ze zijn hun eigen plot spoilers, hun verhaal zit gevangen in het Haagse bastion.

Tegelijk laten de boeken zien dat Nederland, hoewel 28 partijen meedoen aan de verkiezingen, in feite een politiek tweestromenland is geworden. Aan de ene kant de pvv met haar verhaal ad negativum en de vvd zonder eigen verhaal die daar een echo van vormt. Dan volgt een groep partijen die ondanks verschillen in feite om dezelfde consensus cirkelen: wat minder economisch denken, het milieu in acht nemen, wat meer ruimte bieden aan elkaar. Ze verschillen hooguit in de accenten die ze leggen. Daaromheen cirkelen kleine uitdagers die hun bestaansrecht ontlenen aan het bekritiseren van de parlementaire democratie, maar die er tegelijkertijd substantieel deel van willen uitmaken. Het voelt dan ook gespeeld wanneer een lijsttrekker de lezer ervan probeert te overtuigen dat het verschil tussen ondergang of redding afhangt van zijn of haar partij en persoon.

Het ontbreekt zeker niet aan geloof in het eigen verhaal. Sterker nog, zelftwijfel of een kritische toets van de eigen ideeën ontbreekt grotendeels in de manifesten waarmee de lijsttrekkers de verkiezingen ingaan. Ook hier tekent zich de Haagse denkwereld af. Om je staande te houden in het Kamerdebat, waar opponenten op zoek zijn naar een zwakke plek, is gebrek aan zelftwijfel een handige eigenschap. Of het werkt bij kiezers in een tijd waarin de expert wordt gewantrouwd, is een andere kwestie. ‘Ingestudeerde foutloosheid’, zo omschreef NRC-journalist Tom-Jan Meeus de politieke cultuur eens in zijn column. Het is een belangrijke reden waarom het politieke verhaal wordt gewantrouwd. Het is simpelweg te rechtlijnig om echt te overtuigen.

Inderdaad snakte ik na het lezen van al deze boeken naar een verhaal dat meeslepend is: dwaling en terugkeer, diepe spijt, oprechte verzoening, Saulus die Paulus wordt. Op die paar honderd vierkante meter Binnenhof kun je niet veel kanten op.