Generatie Alles: tegencultuur

Het blijft nog wel even stil op de barricaden

Waar de jaren tachtig een sterke tegencultuur voortbrachten, blijven de protesten van twintigers nu uit. Zelfs is er nauwelijks nog sprake van een jongerencultuur, zo ongebonden als de nieuwkomers willen zijn. Ze binden zich niet aan verenigingen, niet aan politieke partijen, niet aan een groep. Ze shoppen uit verschillende subculturen de elementen die ze mooi vinden. Tegenwoordig kan een punker ook hockeyen, dat was vroeger uitgesloten. Iemand kan punkkleding dragen, punkmuziek luisteren en alles aan punk mooi vinden, maar zichzelf geen punker vinden.

Medium groene don q

Is de samenleving dusdanig geïndividualiseerd dat jongeren niet meer protesteren? ‘Er is een voortdurende druk om jezelf te redden. Dat zie je bij twintigers die worstelen met carrièredilemma’s en bij dertigers die een burn-out krijgen’, zegt Maerten Prins, (1961), onderzoeker en docent op het gebied van jongeren en jeugdcultuur aan de Radboud Universiteit. 'Dat zijn kwalen van mensen die niet in de wereld teleurgesteld zijn maar in zichzelf. De teneur is: als je je best maar doet, dan kom je er wel. En als je er dan niet komt, heb je blijkbaar je best niet gedaan.’

Pauline Naber (1952), lector 'Leefwerelden van jeugd’ op Hogeschool InHolland, denkt dat er lange tijd ook weinig was om je tegen te verzetten. Tot vijf jaar terug waren het gouden tijden: 'Nu is het crisis en zijn jongeren aan het vechten. Hoger en lager opgeleiden beconcurreren elkaar op de arbeidsmarkt.’ Daar komt bij dat de crisis abstract en complex is. Waar moet je je dan precies tegen verzetten en wat kun je eigenlijk aan het systeem veranderen?

Ook in de muziek ontbreekt een tegencultuur. Tom ter Bogt (1956), hoogleraar popmuziek en jeugdcultuur aan de Universiteit Utrecht, vindt het vreemd dat er geen protestmuziek is: 'De huidige generatie groeit op in een tijd die moeilijker is dan die van de generatie daarvoor. Je zou denken dat dat zijn weerslag vindt in de muziek. Maar crisis, banennood, huizenmarkt, het zijn geen issues in populaire muziek. Ook in Spanje, waar grote jeugdwerkloosheid is, hoor je dat niet terug in de muziek.’

Dat is een groot verschil met de punkmuziek. Ter Bogt: 'De verwachtingen waren niet hooggespannen in de jaren tachtig. Er ontstond een donkere tegencultuur met een somber wereldbeeld. Dat uitte zich in de punkmuziek. Dat zie je nu niet. De Nederlandse jongeren zijn heel tevreden met zichzelf. Als de crisis al effect heeft, dan lijkt er een vertraging op te zitten. Onze jeugd is niet heel getroebleerd. Misschien kunnen jongeren nog niet geloven dat het heel slecht gaat. Ze zijn opgegroeid in grote weelde. Pas als ze op de arbeidsmarkt komen, merken ze dat de bomen niet tot in de hemel groeien.’

De crisis heeft welgeteld tot twee grotere protestbewegingen geleid: Occupy en G500. En of ze nou echt bewegingen genoemd kunnen worden? Goed, Occupy was wereldwijd en heel zichtbaar. Maar het duurde al met al maar een half jaar. De Occupy'ers kregen gaandeweg zelfs het imago van een stel klagende klaplopers dat maar beter een baan kon gaan zoeken dan in een tentje op het Beursplein te bivakkeren. Ellen Hommel (1966), sociaal pedagoog, docent en onderzoekster op de Hogeschool van Amsterdam: 'Ik heb het meegemaakt. Er lopen mensen langs die zich hardop afvragen hoe het straks moet met de kerststallen. Of ze merken op dat al die tentjes voor de Bijenkorf wel lelijk staan. Als je actie voert, heeft het weinig impact.’

En dan was er nog G500. Onder aanvoering van de jonge en welbespraakte Sywert van Lienden wilde die jongerenbeweging in de aanloop naar de verkiezingen in 2012 door middel van infiltratie de programma’s van de politieke partijen beïnvloeden. Vooral door optredens in De wereld draait door werd het een kortstondige hype. Inmiddels is G500 een denktank die de media nog maar nauwelijks haalt. Maar het was wel een dappere poging.

Maar dat betekent niet dat jongeren zich niet bezighouden met grotere vraagstukken. Politiek interesseert ze niet zo, constateert Maerten Prins, maar de praktijken in de bio-industrie leven wel. De milieubeweging is vrij groot. Ellen Hommel ziet dat permacultuur en sociale overwaarde belangrijke thema’s zijn voor jongeren. 'Permacultuur is een consequente invulling van duurzaamheidsdenken’, zegt ze. 'Het gaat om het beperken van het afval bij al je bezigheden. Bijvoorbeeld ecologische landbouw. Bij sociale overwaarde gaat het om bijvoorbeeld het ruilen van spullen die je niet meer nodig hebt. Do-it-yourself leeft wat dat betreft, bijvoorbeeld door moestuintjes op daken. Of de nieuwe coöperatieve energiemaatschappij in Amsterdam. Of Thuisafgehaald.nl, waarbij je bijvoorbeeld een maaltijd aan je arme buurvrouw kunt aanbieden als je vrienden niet komen opdagen.’

Het moet gezegd, in de jaren tachtig was het ook een stuk gemakkelijker om te protesteren. Je kon uitgebreid de tijd nemen voor je studie met gebruik van een riante beurs en daarna had je hoe dan ook een bijstandsuitkering. Maerten Prins: 'Het was vroeger luxe om je te kunnen verzetten en in een kraakpand te gaan zitten. Ik kreeg na mijn studie psychologie een uitkering en er zat weinig druk op om een baan te vinden. Bij de uitkeringsinstantie zeiden ze dat er toch geen werk was. Tegenwoordig krijgt een student geen uitkering meer. Vroeger had je iets en dat werd je afgepakt. Nu zijn de voorzieningen voor jongeren al versoberd. Waar moet je dan nog boos om worden?’

In plaats van boos te worden ondernemen jongeren van alles. Ze starten bedrijfjes, richten initiatieven op met duurzame doelen, studeren langer door en stapelen stages. Do-it-yourself ten voeten uit. Misschien zijn, ondanks het uitblijven van een zichtbare tegenbeweging, de verschillen met de jaren tachtig helemaal niet zo groot. Dat vindt Marleen Stikker (1962), directeur van de Amsterdams Waag Society, een broedplaats voor culturele en sociale innovatie. 'Mijn generatie heette de _no future-_generatie, maar ik beleefde dat heel anders. We gingen aan de slag en verwachtten niet zo veel van anderen. We gingen onze eigen toekomst maken. Dat is tot op de dag van vandaag de houding: zelf creëren. Veel van de dynamiek van eigen bedrijven beginnen, komt van die generatie.’

Maar zijn al die initiatieven en bedrijfjes niet uit nood geboren, bij gebrek aan banen? Wil de overgrote meerderheid niet het liefst zekerheid: een baan, een huis en een gezin? Stikker vindt dat maar een hopeloos ouderwetse gedachte. Pauline Naber spreekt van een uitstelgeneratie met realiteitszin: 'Jonge mensen weten dat ze voorlopig geen vaste baan krijgen en dat een huis kopen pas op de langere termijn mogelijk wordt. Maar van cynisme is onder deze generatie geen sprake. Jongeren studeren langer door. En ze nemen tijdelijke baantjes, ook onder hun niveau. Bijvoorbeeld de piloot die in de horeca gaat werken. Ze moeten wel doorgaan en hun eigen toekomstbeeld creëren. Anders staan ze stil.’

Maerten Prins erkent dat de ondernemingszin een weerslag is van de positieve mentaliteit van de twintigers: 'Maar het is erg individueel. Dat gaat goed zolang het economisch goed gaat, maar nu het economisch slechter gaat, verkruimelt het. Het zijn allemaal individuen die zich er op eigen kracht proberen doorheen te slaan. BV-Ik, generatie knip-en-plak, zzp-generatie: ze refereren allemaal aan dezelfde verschijnselen. Dat wringt nu, want het is nu wel het moment voor een groep om in actie te komen.’

Bovendien, een bedrijf beginnen, mooie software bouwen, duurzame initiatieven oprichten: het is niet voor iedereen weggelegd. Niet iedereen kan zzp'er zijn. Er zijn banen nodig voor de grote massa. Prins denkt dat de crisis er hard zal inhakken onder lager opgeleiden, jongeren die iets met hun handen willen doen. Er is weinig werk en het kan elders goedkoper. Dat is tegelijkertijd de groep waar je geen tegenbeweging van hoeft te verwachten. Volgens Marleen Stikker beperkt de huidige do-it-yourself-mentaliteit zich niet alleen tot hoger opgeleiden. Het ambacht krijgt ook een plek. Ze noemt de Jean School, een nieuwe mbo-opleiding, een ambachtelijke opleiding, die zich richt op het maken van denimkleding. De creatieve industrie is volgens Stikker gekoppeld aan de maakindustrie: 'Zo ontstaan er nieuwe banen voor mensen die anders in een fabriek moeten werken. Een fabriek die er bovendien straks niet meer is. Het is een uitdaging om de maakindustrie terug te laten komen, maar op een schaal die meer recht doet aan mensen, in plaats van een inwisselbaar persoon in een fabriek.’

De huidige generatie twintigers is een zzp-generatie die overal en nergens een beetje sprokkelt om rond te komen. Maar het is ook een generatie van positivo’s die niet klaagt maar doet. Goedbedoelende kleine zelfstandigen enerzijds, jonge mensen die eigenhandig de wereld proberen te veroveren anderzijds. Maar wel ieder voor zich en voor zichzelf, de collectieve tegenbeweging ontbreekt. Prins: 'De groep wordt gezien als een beperking van individuele vrijheden, niet als een manier om vooruit te komen. Dat is een vreemde misconceptie. Je kunt als groep meer bereiken, maar daar moet je als individu soms iets voor inleveren.’

Marleen Stikker kijkt veel positiever naar al die initiatieven van jongeren: 'We zitten in een enorme transitie. Soms zie je een glimp van hoe het gaat worden. Bij al die initiatieven zitten eendagsvliegen die weer neerstorten. Maar als je al die bewegingen bij elkaar optelt, dan zie je dat er een nieuw model aan het ontstaan is. Het is goed dat jongeren hard aan de slag zijn.’