een film met een boodschap

Het blonde gevaar

Zwartboek is ondanks de hype vooral een film die de specifieke obsessies van regisseur Paul Verhoeven laat zien: seks, geweld en morele ambiguïteit.

In ‘Zwartboek’ is de verzetsheldin Rachel Stein (Carice van Houten) de iconische blondine, maar dan in de stijl van regisseur Paul Verhoeven: compleet met laag-bij-de-gronds beaver shot waarin zij met blote borsten half wijdbeens voor een spiegel zit, waardoor zich een dubbelbeeld van een beeldschone vrouw op het bioscoopscherm vormt, en je bijna de peroxide kunt ruiken waarmee ze haar pubis_-_beharing kleurt. Rachel moet namelijk een overtuigende blondine zijn, want het is 1944 en zij is als spion voor het verzet bij de Sicherheitsdienst in Den Haag geïnfiltreerd. Daar verleidt zij een hoge officier, Müntze (Sebastian Koch), die machteloos staat tegenover haar seksuele kracht.

Zwartboek is een Nederlandstalige oorlogsfilm, maar het zou een vergissing zijn het werk slechts als zodanig te zien en het te proberen te plaatsen binnen de canon van de fictieve Nederlandse verbeelding van de oorlog. Helemaal potsierlijk wordt het wanneer men, zoals sommige Nederlandse critici hebben gedaan, suggereert dat Verhoeven te lang uit Nederland weg was en dat hij daardoor een verouderde perceptie heeft van hoe historici tegen de oorlog aankijken. Deze kritiek komt erop neer dat men in Nederland al lang doorheeft dat ook het verzet niet moreel brandschoon was. Dat mag zo zijn, maar daar gaat Zwartboek slechts aan de oppervlakte om. Interessanter is de bredere thematiek van de film, namelijk de dubbelzinnige aard van de mens en de vervagende grenzen tussen goed en slecht. Deze dingen zijn preoccupaties van Verhoeven, en het mooie is dat ze stuk voor stuk aanwezig zijn in zijn beste werk: zijn Amerikaanse films. En doorgaans speelt de vrouw een centrale rol.

Rachel is een typische Verhoeven-heldin, iemand van wie de Amerikaanse cultuurcritica Camille Paglia onder de indruk zal zijn. Immers, het was Paglia die als eerste, en misschien enige, de grote artistieke waarde van Verhoevens erotische thriller Basic Instinct (1992) onderkende. Paglia vestigt in haar analyse van deze film de aandacht op de symbolische betekenis van blond haar door te verwijzen naar Alfred Hitchcock, voor wie blond de kleur van deceptie en vrouwelijke macht was – eigenschappen die bij uitstek op Rachel Stein van toepassing zijn. Want dat is precies wat Rachel doet: ze gebruikt haar geblondeerde haar om te bedriegen en te verleiden, om zichzelf om te toveren tot wat Paglia een ‘vrouwelijke draak van de natuur’ noemt, een godin uit heidense tijden. En wanneer we haar pubis zien, net als in de beroemde scène in Basic Instinct, dan is haar macht overweldigend. Paglia: ‘Wat we hier in een flits te zien krijgen, is het centrum van het leven zelf, zoals men dat zag in heidense godinnencultussen. Wanneer mannen het vrouwelijke geslachtsdeel zien, is het alsof zij erdoor worden vernietigd.’

Paglia’s analyse is niet alleen interessant doordat ze de beste interpretatie biedt van Basic Instinct – inderdaad het grote meesterwerk uit Verhoevens oeuvre. Ook boeiend is de wijze waarop haar theorie over de Hitchcock-connectie en vrouwelijke macht nu op Zwartboek van toepassing blijkt te zijn. Net zoals Hitchcock in Vertigo (1958) met de blonde Kim Novak seksuele obsessie, gevaar en mysterie thematisch aan elkaar koppelt, speelt Verhoeven met motieven van vrouwelijke macht en mannelijke seksuele repressie door middel van de femme fatale-iconografie. In het geval van Basic Instinct is de blonde Catharine Trammel (Sharon Stone) de vamp die, zoals Paglia stelt, in staat is de mannelijke ziel te penetreren met haar erotische kracht. Haar logische opvolger is Rachel, verzetsheldin in Zwartboek. Dat is te zien in de scène waarin Rachel haar schaamhaar blondeert, maar nog mooier blijkt haar macht in de scène waarin ze zittend achter op een fiets voorbij een peloton Duitse soldaten rijdt. Terwijl de mannen stoïcijns marcheren, strak voor zich uit kijkend, ontbloot Rachel haar benen door haar jurk tot ver boven de knie op te trekken. Hierbij lacht ze speels. En de bezetter staat geheel machteloos…

Zo is Zwartboek ondanks alle hype vooral een film die goed de specifieke obsessies van Paul Verhoeven bevat. Alleen al daarom is Zwartboek goed, want Verhoeven is een man met een boodschap.

Niet voor niets verklaart Verhoeven dat hij uit Hollywood wegging omdat hij daar geen films meer kon maken waarin hij iets van zichzelf kon laten zien. Daarmee bedoelt hij vooral zijn laatste, goeddeels mislukte Amerikaanse film Hollow Man (2000), een bewerking van H.G. Wells’ klassieke verhaal The Invisible Man. Het is duidelijk waarom deze film niet werkt: Verhoeven kreeg geen ruimte om zijn instinctmatig radicale benadering te botvieren. Er zijn aanwijzingen dat Verhoeven een donkere, hitchcockiaanse film over voyeurisme en seksuele repressie wilde maken, maar wat overbleef was een niet meer dan redelijk vermakelijk werk in het genre body horror. En toch, zelfs in deze film komen typische thema’s rond seks, geweld en morele ambiguïteit naar voren. Toen Andrew O’Hehir van de website salon.com een paar jaar geleden een artikel over Paul Verhoeven publiceerde in zijn serie over ‘briljante carrières’ stelde hij de vraag: is de regisseur een pornograaf, homofoob en vrouwenhater, of een verkeerd begrepen genie dat het slachtoffer van zijn eigen dubbelzinnige aard is geworden?

Die dubbelzinnige aard komt naar boven in al Verhoevens Amerikaanse films, die (met uitzondering van de draak Showgirls uit 1995) met kop en schouders uitsteken boven alles wat hij ooit in Nederland heeft gemaakt. In Robocop uit 1987, een hilarische én huiveringwekkende satire over de moderne maatschappij, windt Verhoeven er geen doekjes om als het gaat om zijn visie op de toekomst. Het verhaal speelt zich af in de stad Detroit, waar het onderscheid tussen politiek, bedrijfsleven en criminaliteit is verdwenen. Met bijtende ironie creëert Verhoeven een vieze wereld vol roestende fabrieken, chemisch afval en inwoners die zich gulzig overgeven aan de religie van het consumentisme. In één shot is de grijze skyline te zien, met in een hoekje een reclamebord met de slagzin: ‘The future has a silver lining.’ Niets daarvan, in de wereld van Verhoeven.

In Zwartboek manifesteert morele ambiguïteit zich in het dubbele karakter van Rachel. Voordat ze in het verzet gaat, is ze gewoon Rachel, een joods meisje dat zoals zovelen het slachtoffer is van de Duitse agressie, die exclusief een mannelijke aangelegenheid is. Maar net als bij Hitchcock neemt Rachel een alternatieve identiteit aan. Als agent voor het verzet transformeert ze tot Ellis, blonde vamp die letterlijk en figuurlijk het mannelijke bolwerk – het SD-hoofdbureau in Den Haag – binnendringt, penetreert, om met Camille Paglia te spreken. En het blonde gevaar mag er zijn: Rachel/Ellis is een schitterende creatie, uitstekend gespeeld door Carice van Houten: afwisselend onzeker en koketterend; dromerig en cynisch; blij en verdrietig; kwetsbaar en dodelijk. De scènes die zich in het gebouw afspelen, zijn de beste in de film. De belichting is helder en de kleuren zijn fel. De Duitse officieren doen zich te goed aan drank, seks, muziek en mooie vrouwen zoals Ellis. En onvermijdelijk barst gratuit geweld los wanneer het verzet in actie komt en probeert een aantal gevangen verzetsstrijders te bevrijden.

Verhoevens vulgariteit is op vernietigende wijze relevant. De notie dat oorlog de ultieme daad van menselijke vulgariteit is, komt naar voren in de beste oorlogsfilms, bijvoorbeeld in de uitgebreide versie van Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now (1979), met nieuwe scènes waarin soldaten seks hebben met prostituees naast lijkkisten met daarin de lichamen van gesneuvelde kameraden. De complexe relatie tussen seks en oorlog is in Zwartboek misschien nog confronterender dan in Coppola’s film, en wel in de scène waarin de naakte Rachel, eens het object van begeerte, nu tijdens het einde van de oorlog in de gevangenis wordt overgoten met urine en feces. Hoe zwart is deze kijk op het leven wel niet? De oorlog is gewonnen, de vrijheid is er, maar toch hebben de beulen het weer voor het zeggen. Deze boodschap – noem het zo, want dat is het wel degelijk, een boodschap, een thema, een idee dat Zwartboek diepgang geeft – is even subversief als die in Verhoevens grote Amerikaanse satires Robocop en Starship Troopers. Net als Starship Troopers heeft Zwartboek een verontrustend einde, dat in de context van Verhoevens wereldbeeld geenszins verrast: de mens is opnieuw in oorlog, en alles begint weer van voren af aan.