Ali Smith schrijft met een ontwapenende speelsheid en schaamteloze intellectualiteit © Christian Sinibaldi / Eyevine / the Guardian / ANP

Nog voordat het boek goed en wel is begonnen zet Ali Smith’s Artful de lezer op het verkeerde been. Dit boek, lezen we in een kort woord vooraf, kwam ter wereld als een viertal lezingen die de auteur gaf als ‘visiting professor’ in Oxford en die lezingen zijn min of meer weergegeven zoals ze oorspronkelijk werden uitgesproken. Ook de inhoudsopgave lijkt ondubbelzinnig en telt vier hoofdstukken die corresponderen met vijf onderwerpen van het soort dat wordt uitgediept door mensen die worden uitgenodigd om lezingen te geven in Oxford: On Time, On Form, On Edge en On Offer and on Reflection.

Maar al binnen één of twee pagina’s is duidelijk dat het boek dat de lezer zich misschien had voorgesteld niet het boek is dat hij of zij leest. Deze lezingen bevatten minstens zoveel fictie als non-fictie, minstens zoveel verdichting als waarheid. Ja, het zullen vier lezingen zijn geweest waarin bepaalde vragen over het wezen van kunst en literatuur werden uitgediept, maar op hetzelfde moment vormen ze samen iets wat verdacht veel lijkt op… een roman?

De verteller die aan het woord is, is geslachtsloos, maar in het hoofd van deze mannelijke lezer overduidelijk een vrouw. Ze is een jaar eerder haar partner verloren – eveneens geslachtsloos, maar in het hoofd van deze lezer een man – en heeft dat verlies nog altijd niet kunnen verwerken. Op een dag komt de geliefde die zo wordt gemist de trap op stommelen en de kamer binnenzetten.

Hij zit onder het stof. Het zit overal. Maar hij is het echt, daarover kan geen twijfel bestaan. Zelfs als hij hoest, is het onmiskenbaar zijn hoest. Hij draagt een jas waarvan de verteller weet dat ze hem al naar Oxfam had gebracht. Alles aan hem is echt, behalve zijn ogen. Waar die ooit hadden gezeten, onvergelijkbaar blauw als ze waren, zitten nu twee donkere gaten.

Ze weet dat hij een verzinsel is, ontsproten aan haar verbeelding, maar tegelijkertijd neemt ze zijn aanwezigheid volledig ernstig. Nu ik je hier heb, zegt ze, gaan we van dit moment proberen te genieten. ‘I’ve wished a thousand times since you went, that we’d known it was the present, and that we were living in it.’

We kunnen boeken in één lezing niet doorgronden

Het droombeeld, haar droombeeld, is van de gewoonste woorden de betekenis vergeten – ‘Tijd’? Wat betekende dat ook alweer? ‘Echt’? Wat was dat precies? – en gebruikt op andere momenten woorden waarvan zijzelf nooit eerder dacht te hebben gehoord. Intussen is hij, verzonnen of niet, meer geïnteresseerd in dat wat hij bij zijn dood had achtergelaten op zijn bureau: de aantekeningen die hij had gemaakt ter voorbereiding op een reeks lezingen die hij zou gaan geven. Terwijl hij zo nu en dan komt aanwaaien en achter zijn bureau plaatsneemt, gaat ook de verteller door met haar leven. Ze rommelt in huis en leest Oliver Twist en boekt zelfs een weekendje weg in de hoop dat het droombeeld haar zal vergezellen.

De lezingen van de fictieve overleden geliefde en die van Ali Smith vallen in zekere zin samen: ze gaan over het raakvlak tussen de verbeelding en de werkelijkheid, over de kunstigheid van het echte en het echte van de kunst. De aantekeningen die de verteller heeft gevonden eindigen ergens halverwege de laatste lezing. Hier, om precies te zijn: ‘Here’s to the place where reality and the imagination meet, whose exchange, whose dialogue, allows us not just to imagine an unreal different world but also a real different world – to match reality with possibili’.

Ergens aan het begin schrijft Smith (of de overleden geliefde?) dat boeken tijd nodig hebben om zich volledig te bloot te geven. Dat het raar is dat we denken ze in één lezing te kunnen doorgronden, terwijl we zoiets bijvoorbeeld nooit over een ingewikkelde muzikale compositie zouden beweren. ‘Books need time to dawn on us, it takes time to understand what makes them, structurally, in thematic resonance, in afterthought, and always in correspondence with the books which came before them, because are produced by books more than by writers; they’re the result of all the books that went before them.’

De eerste keer dat ik Artful las, had ik me door het boek laten overrompelen. Door de ontwapenende speelsheid en de schaamteloze intellectualiteit. Maar nu pas, precies zoals ze in de geciteerde passage leek te hebben voorspeld, begreep ik welk boek ik had gelezen.

In 1984 werd Italo Calvino uitgenodigd door Harvard om een reeks lezingen te komen geven. Een reeks lezingen die over alles mocht gaan, zolang ze in de kern maar over ‘het poëtische’ gingen. Calvino schreef in het daaropvolgende jaar vijf van de zes geplande lezingen, de laatste zou hij in Cambridge afmaken. Maar in september, zo rond het moment waarop hij zou afreizen, overleed hij plotseling aan een hersenbloeding. Zijn vrouw Esther vond het typoscript van de eerste vijf lezingen, zorgvuldig geordend in verschillende doorzichtige hoesjes, op zijn bureau.

In een van de lezingen worden woorden van Kafka aangehaald. Dat een boek een bijl zou moeten zijn die de bevroren zee in ons kan splijten. Voor hoe weinig boeken gaan die woorden op? Hoe geweldig is het dan om er op een te stuiten dat – misschien wel alleen voor jou – precies dat doet?