Het boek als voorbehoedsmiddel

Voor veel vrouwen is het wel of niet krijgen van een kind een dilemma waarbij uiteindelijk hooguit achteraf de illusie van de ‘juiste keuze’ kan ontstaan. Wie kan een moeder zijn?

Sheila Heti © Lee Towndrow / Signatuur

De verteller in Sheila Heti’s nieuwe roman Motherhood wil geen kind, al doet ze er bijna het volledige boek over om dat eerst te beseffen en het vervolgens te accepteren. De roman lijkt daarmee lang te gaan over de worsteling van een vrouw – halverwege de dertig, een leeftijd die al gauw ongemerkt overgaat in ‘bijna veertig’ – maar gaandeweg wordt duidelijk dat dat waarmee de verteller strijd levert niet zozeer de vraag is, als wel het antwoord. Haar antwoord. Alsof het eindeloos opnieuw stellen van de vraag wel of geen kinderen te krijgen de enige manier is om dat antwoord niet te hoeven geven; alsof het voortdurend wegen van de opties een manier is om bij een instantie buiten haarzelf – de doortikkende tijd – in plaats van een antwoord een voldongen feit af te dwingen.

Motherhood is net als Heti’s vorige roman How Should a Person Be? autofictie. Auteur en het personage dat het woord voert zijn voor de lezer niet van elkaar te scheiden. Deze verteller wikt en weegt: ‘Of ik kinderen wil is een geheim dat ik voor mezelf bewaar – het is het grootste geheim dat ik voor mezelf bewaar. (…) Enerzijds, de vreugde van kinderen. Anderzijds, de ellende.’ Ze weet dat ze voor het schrijven wil leven. Dat is wie ze is. Dat is wat ze wil doen. Maar ze heeft geen idee welke consequenties – if any – er onlosmakelijk verbonden zijn aan dat ene dat ze zeker lijkt te weten. Ze telt nu weer haar zegeningen en dan weer tast ze voorzichtig het gemis af waarvan ze vreest dat het zich ooit zou kunnen openbaren. Zo nu en dan lijkt ze het plots zeker te weten: ik wil het toch. Maar die zekerheid ebt snel weer weg. Ze raadpleegt waarzeggers, voert verkennende gesprekken met een arts over het invriezen van eicellen, praat eindeloos met vrienden met kinderen. Stuk voor stuk zijn het mensen die minder verscheurd lijken dan zijzelf. Ze maakt ruzie met haar vriend, ze praat met hem, ze vrijt met hem; allemaal zo schaamteloos vanzelfsprekend, als was het het leven zelf waarvan ze verslag doet.

Miles, de donkerharige advocaat die ze al haar halve leven kent maar met wie ze pas sinds een eerder gestrand huwelijk samen is, heeft al een dochter. Maar zijn rol is bescheiden, zelfs in haar interne beraadslagingen: met het feit dat hij al een kind heeft is het strijdperk volledig naar haar verplaatst. De wereld om haar heen is amper een decor te noemen. Er zijn flarden van levensverhalen van anderen, een grootmoeder getekend door de holocaust, een moeder getekend door een door de holocaust getekende grootmoeder en daarbovenop een onderstroom van depressie in de familie. Er zijn gesprekken met anderen waarvan ze verslag doet, maar uiteindelijk speelt het boek zich grotendeels in haar hoofd af. Van een verhaal is daarmee in zekere zin geen sprake, de lezer verkeert simpelweg in aanwezigheid van een zichzelf onderzoekend bewustzijn, iemand die spaarzaam feiten en omstandigheden deelt – omdat ze nu eenmaal volledig wordt opgeslokt door dat waarmee ze worstelt – maar die in plaats daarvan niet alleen een roerig gevoelsleven weet te verwoorden maar er ook in slaagt daarop te reflecteren.

En toch: hoezeer de verteller ook in haar eigen hoofd zit, op hetzelfde moment is het onmiskenbaar een verhaal dat neerkomt op een fysieke werkelijkheid. Een verhaal over een lichaam dat vragen opwerpt en grenzen stelt. Een lichaam dat op allerlei manieren inwerkt op de gedachten. Waar de verteller grip op probeert te krijgen is een realiteit die tegelijk fysiek en psychisch is. Dit lichaam en deze gevoelens, deze ideeën en die twijfels: ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Volgens een van de Chinese I Tjing (het Boek der veranderingen) afgeleide methode laat de verteller een eindeloze stroom vragen beantwoorden door telkens een drietal muntjes te werpen: twee of drie keer kop betekent ‘ja’, twee of drie keer munt ‘nee’. Het is alsof de verteller het woord richt tot de willekeur zelf: vooraan in het boek benadrukt Heti dat de conversaties die ze heeft opgetekend het resultaat zijn van daadwerkelijk geworpen muntjes. En welke twijfel ze ook aan hen voorlegt, iedere keer volgt een even zelfverzekerd als ondubbelzinnig antwoord. Zo opent het boek:

‘Misschien is dit waarom ik het schrijf – om mezelf naar de andere oever te brengen, kinderloos en alleen’

Is dit boek een goed idee?
Ja.
Is nu het moment om eraan te beginnen?
Ja.
Hier in Toronto?
Ja.

De gesprekken zijn soms grappig, maar vaker is de ondertoon serieus. Hoe dan ook is het uiteindelijke resultaat ambigu. Enerzijds is het voor de lezer een voortdurend gevecht om de eenduidige antwoorden die volgen op ingewikkelde, inhoudelijke vragen te blijven zien voor wat ze zijn – betekenisloos – terwijl alles in je zich daartegen verzet. Zinnen die zo logisch op elkaar volgen laten zich maar lastig als willekeurig accepteren. Anderzijds is het een briljante zet: Heti heeft dat gevoel van willekeur die onlosmakelijk verbonden is met onze antwoorden op de grootste vragen als het ware haar roman in getrokken. Ze heeft haar eenzame verteller gezelschap gegeven, een gesprekspartner, in de vorm van het onverschillige universum zelf. Altijd krijgt ze een eenduidig antwoord, maar als het niet naar haar zin is, of toch verwarrend, vraagt ze door, herformuleert ze haar gedachten. Op zoek naar dat ene antwoord op een vraag die zich niet laat beantwoorden, een dilemma waarbij uiteindelijk hooguit achteraf de illusie van de ‘juiste keuze’ kan ontstaan.

Jaqueline Rose © Jonathan Ring, Faber & Faber

Wat maakt het leven het leven waard? is een vraag die niet te beantwoorden valt. Maar geldt dat ook voor de vraag wat haar leven het leven waard maakt? Ze wil schrijven, dat weet ze. Ze wil schrijven in plaats van een kind opvoeden. Maar dat schrijven lijkt zo klein vergeleken met het moederschap. ‘Kinderen opvoeden is het tegenovergestelde van alles waar ik naar verlang, het tegenovergestelde van alles waarvan ik weet hoe ik het moet doen, en van alles waar ik plezier in heb’, zegt de verteller. Er schuilt een wrede ironie in het lot van iemand die geen kind wil, om te kunnen schrijven, maar die niet anders kan dan schrijven over het niet willen van een kind. Ze lijkt ook te begrijpen dat de vraag hoe therapeutisch haar woorden zijn zich niet niet laat stellen: ‘Misschien is dit waarom ik het schrijf – om mezelf naar de andere oever te brengen, kinderloos en alleen. Dit boek is een voorbehoedsmiddel.’

Hoe groot is het contrast met Mothers: An Essay on Love and Cruelty van de Engelse criticus Jacqueline Rose: zo kwetsbaar als Heti’s proza is, zo ongenaakbaar is Rose. Voor beiden is de mens vanzelfsprekend complex en uiteindelijk in bepaalde opzichten ondoorgrondelijk, maar waar Heti binnen die context haar verteller haar vertwijfeling laat aftasten, is Rose intellectueel vastberaden; vol natuurlijke autoriteit wanneer ze schrijft over de culturele betekenis van het moederschap. Heti’s verhaal draait om de biologische werkelijkheid van een vrouwenlichaam en de psyche van één haast toevallig individu dat zich daartoe moet zien te verhouden. Rose’s essay draait om het moederschap als iets wat meer is dan een particuliere aangelegenheid. Je zou het net zo goed als een strijd over betekenisgeving kunnen omschrijven, maar dan als maatschappelijk fenomeen.

‘Een simpel argument leidt dit boek: moederschap is, in het westerse discours, de plek in onze cultuur waar we de realiteit van onze conflicten – wat het betekent om volledig menselijk te zijn – herbergen, of liever: waar we ze begraven’, schrijft Rose. Echt eenvoudig klinkt dat toch niet, maar al snel wordt duidelijk waar het haar uiteindelijk om te doen lijkt: wanneer we het over moeders hebben, hebben we vaak maar amper door waarover we het allemaal wel en niet hebben.

Rose wil de repressieve sentimentaliteit (of de sentimentele repressie?) van de moeder als martelares blootleggen. We cultiveren een ideaalbeeld – rozig en zacht, maar daarmee niet minder tiranniek – maar vinden in de moeder net zo vaak een zondebok. Het eerste lijkt helder en mooi en eenduidig: de moeder is de goedheid zelve, het ultieme voorbeeld van de mens die zich opoffert voor de mens en die het lijden waarmee die zelfopoffering gepaard gaat met een bewonderenswaardig kalm gemoed ondergaat. Maar, zo lijkt Rose te willen zeggen, dat beeld ontkent de oceanische, onpeilbare diepten: de duistere kanten, de woede en de erotiek van het moederschap. Het tweede draait om dat waarvoor de moederfiguur door de wereld om haar heen verantwoordelijk wordt gemaakt. Om de manieren waarop moeders die veel werken volgens de maatschappij tekortschieten en moeders die veel thuis zijn ook, om de manieren waarop moeders verantwoordelijk worden gehouden voor klimaatverandering en voor het baren van kinderen die met hun etnische anders-zijn het maatschappelijk weefsel zouden aantasten. Kortom: om hoe we het over moeders hebben om het niet over onze gedeelde problemen te hebben. In de moederfiguur vinden we dikwijls een manier om weg te kijken van ons gezamenlijke tekortschieten.

Ze combineert een ferme greep op de geschiedenis (van de Oude Grieken tot de Tweede Golf) met een heldere blik op politieke ontwikkelingen en hoge en lage cultuur in het heden. Ze schrijft over westerse en niet-westerse literatuur, over Medea en Clytemnestra en over Adrienne Rich, aan wie ze prachtige woorden ontleent: ‘Every infant born is testimony to the intricacy and breadth of human possibility.’ Ze schrijft over de fascinerende botsing tussen Simone de Beauvoirs ideeën over het moederschap en haar existentialisme: ‘Ondanks haar weerzin zijn het De Beauvoirs gedachten over het moederschap die ons naar de ethische kern brengen van wat het moeder-zijn wellicht betekent: een betwisting van de autonomie van de vrouw én een mogelijke opening naar het wijdste, onbedwingbaarste bereik van waartoe een mens in staat is.’

Vrouwen die moeder zijn zijn niet beter of creatiever dan vrouwen die dat niet zijn, schrijft Rose: ‘Ze hebben simpelweg gekozen de dingen anders te doen, andere levens te leven.’ Dat lijkt ook de gedachte waarin Heti’s verteller uiteindelijk een zekere rust vindt. Ze accepteert hoe moeilijk het is te begrijpen wat een ander heeft en wat een ander mist, maar dat daarin op een vreemde manier zowel de pijn als de troost schuilt, en een zekere balans: ‘Er is een precieze gelijkwaardigheid en een gelijkheid, gelijk in leegte en gelijk in volheid, gelijk in ervaringen gehad en ervaringen gemist, geen van de paden is beter of slechter, geen van beide huiveringwekkender of minder vergeven van angst.’