Louis Paul Boon

Het boek Jezebel

Louis Paul Boon
Het boek Jezebel
Uitg. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 239 blz., ƒ68,90

Louis Paul Boon raakte in 1963 bijzonder gefascineerd door het schandaal dat Engeland in opschudding bracht. Nadat werd ontdekt dat danseres en edelhoer Christine Keeler, die zich had gespecialiseerd in heren uit de Engelse upper class en de internationale jetset, tegelijk banden onderhield met een Russische marineattaché en met defensieminister John Profumo, volgden een proces en een reeks onthullingen omtrent drugsgebruik, pornografie en onwettige seksuele uitspattingen in de hogere kringen. John Profumo moest zijn ontslag indienen. Voor Boon, schrijft Johan Dierinck in een voorwoord bij Het boek Jezebel, was het weer eens een bewijs dat het burgerlijke bestel op vermolmde waarden berustte. Dierinck laat ook zien hoe geïnteresseerd Boon was in het journalistieke en pogingen deed «waar-gebeurde» feiten in zijn verhalen op te nemen. Boon kreeg een vaste baan bij de socialistische partijkrant Vooruit en schreef daar dagelijks over wat hij in de boulevardpers las. Hij vatte het plan op een roman op basis van krantenberichten te maken, en de affaire-Keeler leek een uitgelezen zaak. Het eerste resultaat is vrij rampzalig. Op de titelpagina staat: «De nieuwe lady’s Hamilton. Het verhaal van Christine en haar vriendinnetje Mandy, gewoon uit de bladen geknipt, en met slechts af en toe een woord aangedikt en verfraaid.» Aangedikt en verfraaid? Beter had er kunnen staan: voorzien van het commentaar van een vieze ouwe man, want smullend vertelt Boon de pikante scènes na en laat hij zien hoe dom en na ïef «de meisjes» zijn. «Bovendien deed ze verontwaardigd, als men haar aan een hoertje wou vergelijken. Ze dééd de straat niet, zei ze, ze was showgirl van beroep. En als de rechter zei, dat ze toch geld van deze mannen had aanvaard, antwoordde ze met pruillip: ‘Nuja, dat wel.’ Boon moet hebben geweten dat het niet goed zat, want na drieënzeventig volgeschreven bladzijden stopte hij ermee. Hij probeerde het nog eens in zijn krantenstukjes. Prachtig! Boon schrijft in het eerste stukje dat hij begin van het jaar bij het opruimen wat onvoltooide manuscripten tegenkwam. Hij vertelt dat hij van plan is er een feuilleton van te maken en begint na te denken over waar en wanneer het verhaal te situeren. Rome? Maar hij weet zo weinig af van de Romeinen. Lang niet zoveel als Hugo Claus, die «eet daar alle dagen kersen mee». Het wordt een Babylon dat met het Spui en de Dapperstraat veel wegheeft van Amsterdam. Christine wordt de bijbelse Jezebel die, zo zegt de bijbel, «dienstknechten verleidt om ontucht te bedrijven en afgodenoffers te eten ». Verdwenen zijn nu de kleinerende opmerkingen. Boon gaat meer zelf verzinnen in plaats van zich strak aan de feiten te houden. Hij maakt zijn lezers betrokken door ze steeds op de hoogte te houden van de voortgang van de onderneming. Als hij aankondigt dat iemand zelfmoord zal plegen, protesteert een lezer: dat alleen als de schurk ertoe wordt verplicht en moet kiezen tussen «vijf tubetjes met slaapmiddelen, of vijftien hongerige ratten». Direct meldt Boon dat deze suggestie in overweging wordt genomen. Helaas staakte Boon ook deze poging. Jammer, want het verhaal was een stuk interessanter toen hij zich meer als schrijver en minder als verslaggever gedroeg. Bovendien stopte een bijzonder boeiend experiment waarin de lezers invloed konden laten gelden tijdens het schrijven van het verhaal. Dat had in deze tijd vast «een interactieve roman» geheten. (Sander Pleij)