Job Cohen, zeker geen softie

Het boek Job

Alle ogen zijn deze dagen op hem gericht. Job Cohen: zeker geen «softe» denker, zoals wel wordt beweerd, maar veeleer een law and order-socialist van de oude stempel, gefixeerd op wat hij noemt «het expliciteren van normen en waarden voor hen die de regels niet kennen».

Indien er ongerechtigheid in uw hand is, werp die verre weg, en laat geen onrecht in uw tent wonen.

Job 11:14

De verkiezingscampagne van januari 2003 vormt geen hoogtepunt in het politieke leven van Gerrit Zalm. Kennelijk daartoe aangespoord door zijn campagneleider Hans van Baalen, koos de VVD-leider in zijn desperate slotoffensief ten bate van het behoud van een rechtse meerderheid in de Tweede Kamer voor een ramkoers op het gebied van de multiculturele samenleving. Daarbij richtte hij zijn pijlen voornamelijk op PvdA-kandidaat-premier Job Cohen, en dan in het bijzonder op diens Cleveringa-lezing van 26 november 2002 op de Universiteit van Leiden. Zalm citeerde bijna walgend uit dit document, alsof het een hoofdstuk uit Mein Kampf betrof. Het was het dieptepunt in het electorale jachtseizoen van de liberalen, die zich eerder al met even potsierlijke als bedenkelijke tv-spotjes van hoog LPF-gehalte en de vals gebleken verkiezingsbeloftes van debutante Ayaan Hirsi Ali van hun minder verheffende zijde hadden laten zien.

De Cleveringa-lezing van Job Cohen, zoals uitgesproken op dinsdag 26 november 2002 in het Groot Auditorium van de Universiteit van Leiden, is in werkelijkheid een uiterst betekenisvol politiek document over de basisprincipes van de multiculturele samenleving in Nederland na 11 september en de moord op Pim Fortuyn. Het is tevens een soort eindbod van wat als politieke beschaving kan worden gedefi nieerd. Wie de rede, zoals Zalm deed, met veel misbaar van zich af werpt, positioneert zich dan ook op de F-side van de Nederlandse volksvertegenwoordiging.

Cleveringa was de decaan van de juridische faculteit van de Universiteit van Leiden die op dinsdag 26 november 1940 een dramatische rede hield naar aanleiding van het ontslag van alle joodse ambtenaren dat enige dagen eerder was geproclameerd. In Leiden zou deze maatregel leiden tot het ontslag van tien academische docenten, onder wie hoogleraar burgerlijk recht en internationaal privaatrecht mr. E.M. Meijers, die zowel in eigen land als in het buitenland gold als een rechtsgeleerde van uitzonderlijke verdienste. Waar de rest van academisch Nederland zich voornamelijk muisstil hield, was dit voor Cleveringa aanleiding tot protest. Op het normale college-uur van Meijers, van 10.00 tot 11.00 uur, las Cleveringa de ontslagbrief «in zijn kale naaktheid» voor, en wijdde warme woorden aan zijn gewezen professor: «Het is deze Nederlander, deze nobele en ware zoon van ons volk, deze mens, deze studentenvader, deze geleerde dien de vreemdeling welke ons thans vijandig overheerst ‹ontheft van zijn functie›!». De dag erop staakten de studenten uit protest het collegebezoek en sloot General-Kommissar F. Wimmer de universiteit. Cleveringa werd de volgende dag gevangen gezet in het Oranjehotel, waar hij tot de zomer van 1941 zou blijven.

Een van de toehoorders van de rede van Cleveringa was een jonge, joodse studente rechten. De woorden van Cleveringa vielen «als balsem op haar twijfelende ziel», zoals ze later zou schrijven. Ze had het gevoel «als zweven op dit ogenblik onze gedachten en stemmingen zonder klanken niettemin volkomen nauwkeurig kenbaar over en weer en af en aan tussen ons allen». 62 jaar later zou haar zoon in diezelfde zaal op de Leidse universiteit deze woorden voorlezen. Het was de Amsterdamse burgemeester Job Cohen die met deze woorden van zijn moeder een aanloop hield tot een gloedvol betoog, waarmee hij zich feitelijk als enige politicus in Nederland in het post-Pim-tijdperk positief onderscheidde als het ging om zorg om de — wankele — multiculturele verhoudingen.

Cohen begon — heel politiek incorrect anno 2002 — met het vergelijken van het lot dat zijn joodse moeder in mei 1940 trof met dat van de allochtone Nederlanders na 11 september en de moord op Fortuyn. Vóór mei 1940, zo vertelde Cohen, voelde zijn moeder zich als een in Nederland geboren en getogen vrouw uit een liberaal-joods gezin in alles een onderdeel van de Nederlandse samenleving. Cohen: «In haar beleving was dat een Nederland waarin een geest heerste van volstrekte verdraagzaamheid op ieder gebied: afkomst, sekse, godsdienst en ras. Toen werd het mei 1940, was er oorlog en was Nederland bezet door Duitsland. Voor de Nationaal-Socialistische Duitsers golden de joden als ‹Fremdkörper›, een vreemd lichaam binnen de nationale staat, de aartsvijanden van Duitsland. Opeens was die jonge, Nederlandse vrouw veranderd in een ‹vreemde›, iemand die er niet bij hoort en als het aan de Duitsers lag er ook nooit meer bij zou horen.»

De allochtone gemeenschappen in Nederland anno 2002, vervolgde Cohen, werden eveneens geconfronteerd met een dergelijk geval van instant-vervreemding. Cohen: «In ieder geval waren er velen voor wie vergelijkbare omstandigheden golden: zich thuis voelend in Nederland, in het tolerante Nederland, waar zoveel verschillende groepen vreedzaam naast elkaar leefden. Zoveel verschillende groepen, die vooral sinds de jaren zestig naar Nederland toe kwamen, hier een leven opbouwden, kinderen kregen en steeds meer tussen twee culturen in gingen leven: de cultuur van het land van herkomst, waar ze zich steeds minder mee verwant gingen voelen, en de cultuur van Nederland, waar ze zich steeds meer thuis gingen voelen. En als dat al niet gold voor de eerste generatie, dan toch steeds meer voor de tweede en de derde generatie. En toen kwam de schok van 11 september 2001, gevolgd door de woelige verkiezingsmaanden, culminerend in de moord op Pim Fortuyn, tot voor kort voor onmogelijk gehouden verkiezingsuitslagen en een klimaat dat voor immigranten zonder enige twijfel verhard is. Horen ‹zij› er nog even veel bij als vóór 11 september 2001?»

Cohen signaleerde een proces van vervreemding, zowel bij allochtone als autochtone Nederlanders: «Ieder mens is een sociaal wezen die andere mensen nodig heeft, andere mensen opzoekt, met hen verbanden en gemeenschappen aangaat. Wie dat niet lukt, wie ‹er niet bij hoort›, om wat voor reden dan ook, zal zich vaak ongelukkig voelen. Toch is ‹erbij horen› in onze tijd niet gemakkelijk en voor velen vaak ook niet vanzelfsprekend. In het huidige Nederland leven veel mensen als vreemden naast elkaar. Hoe heeft deze situatie van vervreemding zich zo kunnen ontwikkelen? En minstens even belangrijk: hoe kunnen al die vreemden — autochtonen en allochtonen — zich opnieuw in ons land thuis voelen, er bij horen, waardoor tegelijkertijd al die gevoelens van onbehagen en onzekerheid die het laatste jaar zo duidelijk in onze samenleving naar boven zijn gekomen, overwonnen kunnen worden?»

Het waren serieuze vragen die de Amsterdamse burgemeester hier opwierp, en hij probeerde ze minstens even serieus te beantwoorden. Hij kwam daarbij op het formuleren van wat kan worden omschreven als een sociaal-democratisch actieprogramma, dat lijnrecht indruist tegen de geest van het kabinet-Balken ende op het gebied van vreemdelingen- en integratiebeleid. Cohen in de Cleveringa-rede: «Het maatschappelijk debat over integratie heeft vandaag bij velen — in heel Nederland — een negatieve lading. Dat is zorgelijk, maar niet verwonderlijk. Bevrijding van, al dan niet vermeende, taboes gaat kennelijk gepaard met excessen, in dit geval met om het hardst roepen hoe erg het allemaal is met al die buitenlanders. Ik doe daar niet aan mee: de integratie van migranten in de samenleving kent problemen, zeker, maar culturele diversiteit biedt ook kansen. Mijn inzet in dit debat is veel meer: problemen benoemen, en daarvoor oplossingen zoeken, maar ook jezelf als individu en als samen leving openstellen voor de goede kanten ervan; successen vieren als die er zijn, en die zijn er, zelfs veel meer dan velen nu willen zien.»

Cohens programma van aanpak ter demping van de multiculturele kloof gaat in de eerste plaats uit van de erkenning van de multiculturaliteit, in plaats van het modieus proclameren van het «faillissement» daarvan. Cohen schrok er bijvoorbeeld niet voor terug te vloeken in de post-Fortuyn-kerk door de moskeeën aan te wijzen als mogelijke instrumenten van verdere integratie van het islamitische bevolkings gedeelte in het Nederlandse samenleving. Cohen: «Het geloof is voor hen een gemakkelijke en voor de hand liggende ingang wanneer zij aansluiting zoeken in Nederland. Want waar vinden zij die in aanvang anders dan bij hun oorspronkelijke landgenoten? Die landgenoten hebben zich in Nederland vaak via hun geloof georganiseerd. Daarom zou de integratie van deze migranten in de Nederlandse samenleving paradoxaal genoeg misschien nog wel het beste via hun geloof kunnen verlopen. Dat is immers vrijwel het enige ankerpunt dat zij hebben wanneer zij de Nederlandse samenleving van de 21ste eeuw betreden.»

Helemaal amodieus was Cohen toen hij een vergelijking waagde tussen islamitische en protestantse fundamentalisten. Het bracht hem tot de volgende uitspraak: «Zoals wij de SGP accepteren in ons staatsbestel, hoewel zij geen vrouwelijke leden toelaten, zo moeten wij ook bepaalde groepen orthodoxe moslims accepteren, die bewust hun vrouwen discrimineren. Ik vertrouw erop dat de mogelijkheden tot ontplooiing die er in ons land zijn, op termijn ook voor die vrouwen nieuwe kansen bieden.»

Met die woorden is de aspirant-premier van de PvdA de laatste dagen keer op keer om zijn oren geslagen door de VVD. De liberale kandidaat Anton van Schijndel suggereerde dat Cohen dus discriminatie van moslimvrouwen goedkeurde. Een malafide verdachtmaking: Cohen bedoelde alleen maar te zeggen dat als de ene religieuze minderheid (SGP) met al haar archaïsche ideeën over de verhouding tussen man en vrouw wordt geaccepteerd en zelfs wordt toegelaten tot het hart van de Nederlandse democratie, een andere religieuze minderheid dan niet op grond van vrijwel dezelfde opvattingen kan worden verbannen uit de samenleving. Daarmee liet Cohen zien heel wat meer oog te hebben voor de multiculturele verhoudingen dan de VVD, die onder aanvoering van Ayaan Hirshi Ali aanstuurt op een keiharde cultuurstrijd, die uiteindelijk alleen maar meer mensen zal uitsluiten dan doen integreren, omdat zij in wezen wordt voortgestuwd door onverdraagzaamheid ten opzichte van andere, dat wil zeggen niet-christelijke, culturen.

Deze onverdraagzaamheid — zie het even ridicule als contraproductieve hoofddoekjes debat dat weer in alle hevigheid is opgelaaid — begint een loden last te worden in Nederland, waar steeds meer migranten protesteren tegen steeds openlijker vormen van discriminatie, bijvoorbeeld van de kant van de wetshandhavers. Bij ongewijzigd beleid stuurt Nederland aan op een ware cultuurstrijd, waar dan ook types als Abu Jahjah garen bij zullen spinnen, met in zijn kielzog een legertje obscure imams die er alles aan zullen doen hun haatdragende minizuiltjes te doen groeien. Het is Cohens verdienste dat hij als een van de eerste sociaal-democraten waarschuwt tegen dit proces van toenemende vervreemding tussen de culturen en oproept om «de boel een beetje bij elkaar te houden».

Een gotspe was de kritiek van Gerrit Zalm als zou Cohen zich in zijn Cleveringa-lezing «te soft» hebben betoond. Als Cohen nu één ding niet is, is het soft. Integendeel: als architect van de Vreemdelingenwet en de uitvinder van de «Cohen-tent» gedurende zijn staatssecretariaat op Justitie ten tijde van het tweede paarse kabinet, profileerde Cohen zich juist als een spijkerharde PvdA’er. De bewindsman verbeet zich duidelijk toen hij met zijn kaplaarzen in het op zijn last opgerichte tentenkamp voor uitgeprocedeerde illegalen in de buurt van Ermelo rondploegde, maar hij voerde het beleid wel tot achter de komma van de benoemde uitzettingsquota uit. Het verschil met zijn opvolger-uitsmijter Nawijn is dat hij dit tenminste met de grootst mogelijke weerzin deed. Ook als burgemeester van Amsterdam betoonde de burger vader zich «als het moest» een onbuigzame ijzervreter. Weliswaar is het uitbundig beleden gewetensconflict nog steeds zijn politieke handelsmerk, maar als dat conflict eenmaal is uitgewoed, schuwt Cohen geen enkele draconische maatregel. Hij is een law and order-socialist van de oude stempel, gefixeerd op wat hij noemt «het expliciteren van normen en waarden voor hen die de regels niet kennen».

Hoe dat in de praktijk kan uitpakken, heeft de hedendaagse Amsterdammer, geconfronteerd met identificatieplicht vanaf twaalf c.q. veertien jaar, de nieuwe fouilleermode en roadblocks met controlerende politieagenten, al aan den lijve kunnen ondervinden. Maar anders dan Balkenende en Donner heeft Cohen geen grenzeloos geloof in de mogelijkheden van repressie. Hij zei in een interview met Binnenlands Be stuur op 23 november 2001: «Wij kunnen niet op elke hoek een politieman neerzetten. Dat zou een verschrikkelijke samenleving worden.»

Bovendien maakt Cohen anders dan zijn collega-juristen bij CDA en VVD een punt van de legitimiteit van het gezag. Interessant in dat verband waren zijn opmerkingen in Trouw in 2000 naar aanleiding van de nog altijd woedende polemiek over de zaak-Weinreb. Cohen memoreerde zijn Groningse studententijd bij het Vindicat-corps. Het beeld van zijn eerste dag bij Vindicat, toen hij ontgroend en reeds met kale kop in de rij eerstejaars stond opgesteld, was hem altijd bijgebleven. Om «afstand te nemen» van het brute corpscultuurtje stortte de student rechten zich op Weinrebs Collaboratie en verzet. Cohen tegen Trouw: «Ik was gefascineerd hoe Weinreb beschreef hoe iemand de kleur van het systeem aannam en er vervolgens dwars doorheen kon breken. Het idee dat iemand verzet kon plegen tegen zo’n enorme organisatie door er als een mol doorheen te lopen, vond ik een eye opener, juist omdat zo’n manier niet zo bij me past. Ik vind eigenlijk dat iedereen zich altijd netjes aan de regeltjes moet houden en de beschrijving van iemand die dat als individu niet deed, een type als Weinreb, dat vond ik destijds interessant. De meeste Nederlanders hebben zich tijdens de bezetting keurig aan de regels gehouden met alle gevolgen van dien. Daaruit kun je twee conclusies trekken. Je kunt zeggen dat we ons dus maar niet al te streng aan de regels moeten houden, want dat kan tot vreselijke dingen leiden. Je kunt ook zeggen dat we ons uiterste best moeten doen dat de regels in onze samenleving deugen en draagvlak krijgen, opdat op die manier de wereld beter wordt. Dat is volgens mij de enige manier. Zonder regels werkt het niet.»

De deugdelijkheid van de rechtsregels in Nederland sinds Donner is wederom een punt van zorg. Het is verheugend dat met Cohen een jurist is opgestaan die daaraan zegt te willen werken.

Job Cohen is zeker niet de meest zachtaardige politicus die de sociaal-democratie heeft voortgebracht. Dat zelfs hij wordt verketterd als een «softe» denker geeft te denken over wat nu bon ton is in de kringen rond Zalm en Balkenende en het maakte de verkiezingsstrijd van januari 2003 van nog grotere importantie dan die tussen Den Uyl en Van Agt en Wiegel in 1977. Het betreft hier een principiële scheiding der geesten, cruciaal voor de sociale cohesie voor de komende decennia. In de woorden van Cohen op 26 november 2002: «Nog altijd is onze samenleving redelijk vreedzaam. Maar laten wij waken tegen oplaaiende etnische conflicten en geen olie op het vuur gooien.» De afgelopen 87 dagen van het kabinet-Balkenende is niets anders gebeurd dan dat. Dat ze voor eeuwig tot het verleden mogen behoren.