Het Britse bouwwerk van politiek vertrouwen stort in

Heeft het Verenigd Koninkrijk een ‘Rijksdagbrand-moment’ meegemaakt, waarbij het parlement terzijde wordt geschoven om dictatoriale macht uit te oefenen? Deze vergelijking tussen Weimar-Duitsland en pre-Brexit Groot-Brittannië werd gemaakt door de historicus Richard J. Evans toen Boris Johnson aankondigde het Britse parlement voor langer dan gebruikelijk op te schorten. Dat de dieptepunten uit de vorige eeuw eraan te pas komen, toont de modderpoel waarin de Britten zichzelf hebben gestort toen ze met een Europa-referendum aan de voeten gebonden de sprong waagden.

Wellicht trok Evans een extreme parallel om zijn punt kracht bij te zetten, maar overtrokken is het wel. Kalmer was de analyse van David Allen Green, jurist en journalist: het Verenigd Koninkrijk zit dicht tegen een constitutionele crisis aan. Wat als het parlement een wet aanneemt om een No Deal-Brexit te voorkomen en Johnson sluit geen deal voor 31 oktober? Wat als de rechtbanken oordelen dat Johnson onwettig handelt?

De politieke chaos aan de overzijde van het Kanaal laat zien dat in een democratie goede gewoontes niet voldoende zijn. Het Verenigd Koninkrijk heeft zich er altijd op voor laten staan dat het prima zonder een geschreven grondwet kan, omdat een verantwoordelijke elite een set van normen en regels respecteerde. Dat het parlement het laatste woord heeft, was er daar een van. Maar treedt er een politicus aan met lak aan conventie, dan stort het hele bouwwerk van wederzijds politiek vertrouwen en fair play in elkaar.

Gekte en genialiteit rennen hand in hand door de gangen van Westminster

De man die het kleed onder het systeem vandaan trok, is overigens David Cameron, die een referendum uitschreef met als doel anti-EU-partijgenoten de mond te snoeren en zijn eigen positie veilig te stellen. Achteraf gezien was dat een signaal dat alles geoorloofd is. Brexiteers doen alsof het referendum bindend is, terwijl parlementaire soevereiniteit boven een vermeende ‘will of the people’ gaat. Remainers én brexiteers hebben stelselmatig de overeenkomsten met de EU voor een geregisseerd vertrek afgeschoten. May gaf leiding aan de eerste regering in de geschiedenis die officieel minachting van het parlement ten laste werd gelegd, omdat ze cruciale informatie over Brexit achterhield.

In dit klimaat van algehele normerosie komt een politicus als Johnson bovendrijven. Dat de nieuwe premier geen brave ‘proceduralist’ is, maar poker speelt met het parlementaire systeem en dreigt tegenstanders uit de partij te gooien, is niet verrassend. In een politieke sfeer van vijandschap en wanorde krijgen opportunisten een kans.

Dat verkiezingen nu zijn ingezet als dreigement laat zien dat gekte en genialiteit hand in hand door de gangen van Westminster rennen. Zonder instemming van twee derde van het parlement kunnen er geen verkiezingen worden uitgeschreven. Als Labour een stembusgang wil voorkomen moeten ze een premier die ze liever weg hebben laten zitten. Voor Johnson en de brexiteers is het de ultieme gok: als de Britse kiezer het spel zo beu is en de Tories wegstemt, liggen alle opties weer open: Brexit met of zonder deal, ellenlang uitstel of helemaal geen Brexit.

Wat de uitkomst van deze saga ook zal zijn, de parlementaire democratie in het Verenigd Koninkrijk heeft diepe barsten opgelopen waar alle deelnemers aan de politieke strijd hun bijdrage aan hebben geleverd. Het gevaarlijk spel van de Conservatieven, de permanente obstructie en de trucs die Johnson uithaalt, hebben de ‘moeder aller parlementen’ getransformeerd tot een arena van procedurele slinksheid en pure machtspolitiek. De standaard voor toekomstige regeringen en volksvertegenwoordigers is laag. Daarmee leert het Verenigd Koninkrijk een les aan alle landen die kampen met diepe verdeeldheid: het is moeilijk om een politieke slag winnen, zonder de democratie schade toe te brengen.