Het bronstig verlangen van schopenhauer ‘voor het praktische leven is het genie net zo bruikbaar als een telescoop in het theater’

Hij vond zichzelf een genie, en de wereld een tranendal. Waarvan akte in ‘De wereld als wil en voorstelling’, binnenkort in een Nederlandse vertaling en nog altijd verrassend actueel. Maar waarom bleef Schopenhauer eeuwig vrijgezel?
Arthur Schopenhauer, De wereld als wil en voorstelling. Vertaling Hans Driessen. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam, 767 plus 864 blz., 3225,- (3199 bij voorintekening).
Rüdiger Safranski, Schopenhauer und die wilden Jahre der Philosophie. Uitgeverij Hanser, München en Wenen, 1987.
IN 1821 SCHRIJFT ARTHUR Schopenhauer in zijn notitieboek: ‘Nu de eigenlijke tijd van de geniale conceptie voor mij voorbij is en mijn leven nog het meeste deugt voor het onderwijs, moet ik me een positie in de samenleving zien te verwerven die voor mij als vrijgezel niet is weggelegd.’ Hij denkt eraan te trouwen, te meer omdat hij zojuist heeft kennisgemaakt met de danseres en actrice Caroline Richter die hem wel bekoort.

Maar een huwelijk met haar zal er nooit van komen; wel een jaren slepende relatie waarin jaloezie, twijfel en angst elkaar zullen afwisselen. Angst om het verlies van zijn zelfstandigheid, twijfel over de vraag of Caroline de juiste persoon is om zijn sociale ‘positie’ te verzekeren en jaloezie om haar seksuele onafhankelijkheid. Zij is al eens zwanger geweest van een beschermer, zal binnenkort weer een kind krijgen en ook dat kind is niet van Schopenhauer. Zolang hun relatie duurt, wil hij van haar zoontje niets weten. In zijn testament laat hij uitdrukkelijk opnemen dat deze van hem niets te verwachten heeft.
Dat Schopenhauer wil trouwen om zich sociaal aanvaardbaar te maken, is in de negentiende-eeuwse samenleving niet verwonderlijk. 'Gezondheid, professoraat en als het meezit - een vrouw’, zal Friedrich Nietzsche, dan nog zijn onvoorwaardelijke volgeling, vijftig jaar later schrijven wanneer ook hij op de drempel van een universitaire carrière staat. Zelfs voor filosofen begint de gehuwde staat in het begin van de negentiende eeuw denkbaar te worden. Wie de geschiedenis van de wijsbegeerte overziet, komt eeuwenlang alleen maar vrijgezellen tegen. Hegel is misschien de eerste grote filosoof met een gewoon gezinsleven. Met en na de Franse Revolutie wordt ook in de filosofie de burgerij toonaangevend. En de burgerij wil gezinnetjes.
HEGEL IS DE FILOSOOF die alles overschaduwt wanneer Schopenhauer zijn verzuchting neerschrijft. En juist Hegel zal hij te vuur en te zwaard bestrijden. Hij noemt hem een charlatan en een intellectuele lomperik. Niets verbindt hem met deze begrippengoochelaar die de wereld versteld laat staan van zijn intellectuele acrobatiek en die zijn bewonderaars onder de kin kietelt met de bewering dat de werkelijkheid redelijk is.
'Das Wahre ist das Ganze’, schreef Hegel. Oftewel: alles zal uiteindelijk worden zoals het behoort te zijn. Dat hoort de Pruisische staat met genoegen, en ook de burgerij ziet daarin haar optimisme bevestigd. Ze laat zich door de filosoof graag vertellen dat ze rustig kan gaan slapen en dat alles goed komt. Alsof de wereld geen dal van pijn en tranen is, briest Schopenhauer. Alsof al dat leed niet meer een bedrijfsongeval van de geschiedenis zou zijn, hoogstens goed voor een voetnoot in de kronieken. Aan de universiteit van Berlijn heeft hij het jaar daarvoor de handschoen opgenomen en is zijn filosofie van het universele lijden gaan doceren. Dat is in het hol van de leeuw; Hegel trekt er volle zalen. In Schopenhauers collegezaal blijft het akelig leeg.
Ook daarin kon hun tegenstelling niet groter zijn. Schopenhauer mokt en staat op de rand van een diepe depressie. Ook met zijn trouwplannen wil het niet erg vlotten. Bij nader inzien concludeert hij dat de traditie gelijk heeft en vrouwen niet samengaan met een wijsgerige roeping. Laat staan de Biedermeier-knusheid van een gezinsleven.
Zo wordt zijn verzuchting van 1821 deels al snel door de feiten ingehaald. Trefzekerder is hij waar het zijn eigen 'genie’ betreft. Dat hij de tijd van de werkelijk grote ideeën al achter zich zou hebben, klinkt voor de man van 33 die hij dan is, wel erg vroeg oud. Het is een leeftijd waarop de meeste filosofen pas aarzelend de eerste stappen tot onafhankelijk denken durven te zetten. Maar Schopenhauer heeft gelijk. In 1819 heeft hij Die Welt als Wille und Vorstellung gepubliceerd, waarin hij zijn centrale gedachten heeft neergelegd. Hij zal er zijn leven lang aan blijven sleutelen, maar zijn - zoals hij zelf meent - 'geniale’ gedachte is er al volledig in neergelegd en fundamenteel veranderen zal hij die niet meer.
Het boek zal voor de filosofie blijken te zijn wat de steen der wijzen voor de alchemisten was, schrijft hij zelfbewust in zijn voorwoord. Alle vragen die de wijsbegeerte zich eeuwenlang heeft gesteld, worden erin beantwoord en de praatjesmakers in de filosofie zullen er genadeloos door worden ontmaskerd.
Met bijna studentikoze luchtigheid voegt hij er aan toe dat zo'n boek natuurlijk slechts paucorum hominum, een zaak van weinig mensen, kan zijn. Maar zelfs hij durft niet te verwachten dat ze zó gering in aantal zullen zijn: negen jaar na verschijning meldt zijn uitgever dat er van de oplage van achthonderd exemplaren nog altijd honderdvijftig over zijn. Het restant zal grotendeels als oud papier worden verkocht.
Desondanks zwicht zijn uitgever in 1844 opnieuw voor zijn aandrang en stemt zuchtend in met een tweede druk. Onder strikte voorwaarden: Schopenhauer moet afzien van elk honorarium. Veel helpt dat niet. De uitgave wordt opnieuw een financieel fiasco, ook al is de tekst inmiddels tot dubbele omvang uitgegroeid. In een aanvullingsband voegt Schopenhauer, paragraaf voor paragraaf, aanvullingen en preciseringen toe en ook in de oorspronkelijke tekst brengt hij talloze verbeteringen aan.
De toon is anders, zo geeft hij toe, en de huidige lezer kan hem daarin bijvallen. Het is allemaal wat mopperender geworden, soms op het zeurende af. Maar de strekking blijft gelijk, net als in de aanvullingen die hij opnieuw toevoegt wanneer in de jaren vijftig de verhoopte roem eindelijk komt en een derde druk nodig wordt.
OP DIE MANIER ontstaat het monsterboek dat De wereld als wil en voorstelling geworden is en dat met zijn bijna 1700 bladzijden eerdaags in een Nederlandse vertaling verschijnt. Die omvang lijkt vervaarlijker dan ze is, want Schopenhauer schrijft scherp en meeslepend, als een geboren essayist. Hij heeft een theorie, maar hij heeft ook een goed oog voor de details van het leven en weet die tot een opwindend elixer te vermengen.
Zijn stijl, waarvan de directheid in de Nederlandse vertaling voorbeeldig is overgekomen, leent zich bij uitstek tot aforistische uitspraken die zich goed laten citeren. 'Voor het praktische leven is het genie net zo bruikbaar als een telescoop in het theater.’ Of: 'Nog nooit is iemand kunstenaar geworden door bestudering van de esthetica. Nog nooit heeft iemand een nobel karakter gekregen door de studie van de ethica.’ Van jongs af aan heeft hij het epateren tot een kunst verheven. 'De mens is het meest volmaakte van alle huisdieren’, bracht hij als student al op gezette tijden te berde.
Met zulke kernachtige observaties heeft zijn werk generaties lang kunnen dienen als een onuitputtelijke Fundgrube voor feestredenaars en gelegenheidsmoralisten. Zelf ontdekte hij die gave pas laat. In 1851 publiceerde hij zijn bundel Parerga und Paralipomena, waarvan vooral het deel Aphorismen zur Lebensweisheit insloeg als een bom. Het zijn korte en scherpe observaties van een halve tot enkele pagina’s, die hem bij het grote publiek bekend maakten. Daarna begon ook de vraag naar zijn hoofdwerk snel te stijgen.
Het indringendst is De wereld als wil en voorstelling echter wanneer Schopenhauer de ellende van de wereld schetst. Met literaire en soms bijna diabolische virtuositeit tekent hij de verschrikkingen van het leven, zoals het lot van de Franse boeven die tot de galeien waren veroordeeld en wier onderkomen hij op zijn grand tour door Europa had mogen bezoeken. Even suggestief beschrijft hij - door de huidige actualiteit ervan onverwacht aangrijpend - de beklemming van de vader die, bevangen door de ellende van het leven, niet alleen zichzelf maar ook zijn kinderen doodt en daarmee het ongeluk meent af te wenden. Vergeefs, schrijft Schopenhauer, want alle ellende is het gevolg van de wil, en is (zelf)moord niet de ultieme wilsdaad die we kunnen stellen?
De Frans-Roemeense denker Cioran, die Schopenhauer in pessimisme evenaarde, zei het hem bijna letterlijk na, al gunde hij de laatste geen plaats in zijn portrettengalerij van bewonderde denkers Exercices d'admiration. Niets meer willen - vond ook hij - is de enige uitweg uit de voortstampende machine van begeerte en dadendrang die het leven is. Maar hoe kun je willen niet meer te willen? Misschien - suggereerde hij, min of meer geïnspireerd door het zenboeddhisme - door alles uit te laten doven, en dat betekent ook: die vraag niet meer te stellen.
Zo ver zocht Schopenhauer zijn inspiratie niet, maar het denken uit India kwam hem wel van pas. Hij heeft de wijsheid van de Veda’s en Upanishads niet als eerste ontdekt; een romanticus als Herder was hem daarin al voorgegaan. Maar hij heeft bij de verspreiding en popularisering ervan wel een cruciale rol gespeeld. Hij meende opvallende parallellen te zien in wat hij zelf had uitgedacht en wat hij in de teksten uit het Oosten las. En graag mengde hij uitdrukkingen als Brahma, Maja en Tat twam asi ('dat ben jij’) door zijn uiteenzettingen heen.
ZIJN GROTE INSPIRATOR was Immanuel Kant, de filosoof die nog maar kort daarvoor een revolutie in de filosofie had bewerkstelligd en de enige onder de recente filosofen die in Schopenhauers ogen bewondering verdiende. Dat weerhield hem er overigens niet van in het eerste deel van De wereld als wil en voorstelling een supplement van ruim honderd bladzijden toe te voegen waarin alle punten waarop Kant volgens hem gedwaald of zelfs geblunderd had, breed werden uitgemeten.
Schopenhauers eigenzinnige verering bleef Kant, die in 1804 was overleden, bespaard en zo heeft hij ook niet meer hoeven meemaken hoe zijn doordachte maar uiterst gecompliceerde theorie onder Schopenhauers vaardige pen rigoureus werd vereenvoudigd. Kant was ervan uitgegaan dat wij de wereld alleen maar kennen door het 'plaatje’ dat de zintuigen aan ons denken doorgeven. Van de wereld zelf hebben we niets anders dan deze afbeelding, die in het denken op allerlei manieren is bewerkt. Hoe de wereld eruitziet buiten die bewerking om (waarin aan de zuivere waarnemingsprikkels bijvoorbeeld de idee van oorzakelijke relaties wordt toegevoegd), weten we niet. Op één uitzondering na: van ons eigen 'ik’ hebben we directe kennis. Het is het enige 'ding’ in de wereld waarvan we de eigen aard kunnen doorgronden, zonder dat we bang hoeven te zijn dat die door de waarneming vertekend is. Ook de natuurnoodzakelijkheid, die we in de hele waargenomen wereld onvermijdelijk mee-denken, is in die zelfkennis afwezig, meende Kant. Daarom kunnen we onszelf ervaren als vrije wezens.
Schopenhauer was diep onder de indruk van Kants revolutionaire benadering, die de impasse tussen rationalisme en empirisme had weten te doorbreken. Maar wanneer hij zelf zijn blik naar binnen richtte om op het spoor te komen van de werkelijkheid-op-zich, ontdekte hij daar minder een lucide denkend 'ik’ dan een baaierd van begeerten en verlangens die hij gemakshalve samenvatte in het woord 'wil’. De diepste drijfveer van de mens is streven en zucht, en omdat langs die weg ook de wereld een tipje van haar verborgen realiteit oplichtte, moest dat ook gelden voor de werkelijkheid als geheel, concludeerde hij. Zo kennen we in onze waarneming de wereld als voorstelling, maar daarachter verbergt ze zich als wil. De titel van zijn hoofdwerk maakte dat al bondig duidelijk.
AANDRIFTEN VAN DE seksualiteit hebben vermoedelijk zo'n indruk gemaakt op de jonge Schopenhauer dat hij de hele wereld er uiteindelijk vervuld van zag. De blinde en allesverzengende bronst werd bij hem, zo heeft zijn biograaf Rüdiger Safranski opgemerkt, niet in evenwicht gehouden door een liefdeservaring die daarvan de scherpe kantjes afsleet. De vrouwen, noteerde Schopenhauer, wilden hem nu eenmaal niet, en dat liet hem alleen achter met zijn geslachtsdrift waarvoor hij her en der verlichting zocht. Die rusteloosheid dreef hem voort maar liet hem ook permanent onbevredigd achter. Aan de obsessies en ongemakken van het geslachtelijk verlangen wijdde hij in De wereld als wil en voorstelling enkele van zijn mooiste bladzijden.
Toch is het geen pan-seksualisme dat hij daarin ontvouwt. Het bronstig verlangen vormt eerder het venster waardoor hij ziet dat aan de wereld geen rustige harmonie maar een ongedurige instabiliteit ten grondslag ligt. De 'wil’ is jachtige beweeglijkheid, steeds op weg naar wat het nog niet is of heeft, nooit bevredigd en daarom ook nooit echt gelukkig. Alle dynamiek in de werkelijkheid verklaart Schopenhauer vanuit deze metafysische oerdrift, die niet vatbaar is voor rede of maat. Net als het 'Dionysische’ dat de jonge Nietzsche later tot de grond van alle zijn en streven verklaart, of het Es dat Freud aan de basis ziet liggen van het hele psychische leven, is de 'wil’ gedachtenloos, a-moreel en gewelddadig. Denken en moraal komen, zo meent Schopenhauer, in de hiërarchie van het Zijn pas veel later.
In sommige opzichten lijkt Schopenhauer, als eclectisch filosoof, vaardig pennevoerder, wetenschappelijk popularisator en gewiekst vermenger van Oost en West een vroege voorloper van de New Age-filosofen van onze dagen. Maar de geestesgesteldheid van zijn denken blijft daaraan radicaal tegengesteld. Tegen zijn genadeloos realisme moet de zalvende blijmoedigheid van de huidige sf-profeten het onherroepelijk afleggen. Als niet de rede maar het geweld de basis is van de wereld, dan is elke verwachting van een vervolmaking ervan een illusie. Die harde waarheid houdt hij zijn lezers voor - en het duurt even voordat deze door de nieuwe inzichten van de wetenschappen (ook Darwin kondigt zich in het midden van de eeuw al aan) voldoende zijn ontnuchterd om die boodschap te kunnen verteren.
DE FILOSOFISCHE FINESSES van Schopenhauers systeem zijn bovendien minder interessant dan de veel dieper stekende, bijna nog voor-filosofische omwenteling die in zijn werk zichtbaar wordt. Bijna zonder uitzondering waren filosofen er tot zijn tijd van uitgegaan dat de werkelijkheid een eenheid vormt en berust op een uiteindelijke harmonie. Aan die overtuiging ontleenden zij de verwachting dat die eenheid ooit weer zou kunnen worden hersteld en dat het de menselijke opdracht was daaraan zoveel mogelijk bij te dragen. Dat is de geheime gedachte achter Plato, Thomas van Aquino en achter Hegel, en dat zou het na Schopenhauer opnieuw zijn: achter Marx en de hedendaagse verkondigingen van een kosmisch bewustzijn.
Maar, zo heeft Isaiah Berlin bij herhaling opgemerkt, in de Romantiek begon de gedachte te wankelen dat alles wat wij als ideaal en nastrevenswaardig beschouwen, ook onderling verenigbaar moet zijn. Hoe weinig dat het geval was, bleek wel toen de Franse Revolutie minder een opstap was naar vrijheid en gelijkheid dan het begin van een nog altijd voortdurende ideologische touwtrekkerij om het primaat van de een boven de ander - waarbij de broederschap het van begin af aan al moest afleggen.
Schopenhauer was de eerste filosoof die niet de rede en de kosmische harmonie maar het geweld en een onoverwinnelijke verdeeldheid systematisch tot uitgangspunt van zijn wereldbeeld maakte. Zelfs de gnostici waardoor Cioran zich laat inspireren, gingen niet zo ver. Het besef dat de werkelijkheid ten diepste met zichzelf onverzoenbaar is, betekende het einde van alle heilsverwachting. In het beste geval moest men zich beperken tot het ontgoochelde voornemen er onder de gegeven omstandigheden maar het beste van te maken; in het slechtste geval liet men zich verzinken in een moedeloos pessimisme dat haar best deed om helemaal niets meer te willen.
Schopenhauer zocht, in theorie, de laatste weg. De individuele wil kan zichzelf neutraliseren, meende hij, wanneer hij zichzelf leert herkennen in de rusteloze 'wil’ die de hele wereld beweegt. 'Tat twam asi’, 'dat alles ben jij’, hadden de Indische meesters hun leerlingen al voorgehouden. Ontroostbaar is de wereld precies omdat ze getroost en bevredigd wil worden en nog ontroostbaarder is het individu, omdat het zichzelf koste wat kost op de wereldkaart wil zetten en behouden. Aan de wereld valt niets te doen, maar in de poging de eigen individualiteit op te geven wordt het lijden voor ieder afzonderlijk tenminste verzacht. Wanneer de individuele wil zich in de 'wereldwil’ herkent en het eigen lijden tot 'medelijden’ maakt, verliest hij zijn individualiteit en daarmee een van de belangrijkste illusies die de begeerte opzwepen en levend houden.
DAT WAS MOOI GEZEGD, maar voor de ambitieuze Schopenhauer was dat toch te hoog gegrepen. Hij mocht de uitdoving van de begeerten dan nog zo gloedvol bepleiten, voor zichzelf bleef hij altijd de ambitie koesteren te worden erkend in de rol die hij zich in het voorwoord van zijn hoofdwerk al toeschreef: de vinder van de filosofische steen der wijzen. Liever dan zijn eigen wijsheid te beoefenen zocht hij verlichting in de muziek die, zo meende hij, als zuivere dynamiek de meest volmaakte artistieke representatie van de wereldwil is. Met haar kon de luisteraar zijn wil doen samensmelten, net zoals hij dat in het medelijden kon doen. Het was een tijdelijke remedie, beperkt tot de duur dat de muziek klonk. Als het op eeuwigheid aankwam, moest de verlossing het bij Schopenhauer afleggen tegen de roem.
Toen die kwam, genoot hij daarvan met volle teugen. Het verzachtte zijn bitterheid, waardoor hij van een astrante jongeman was uitgegroeid tot een nurkse misantroop, en zo werd niet alleen zijn werk maar zelfs zijn persoon opnieuw salonfähig.
Tot zijn verrassing waren het vooral vrouwen die hem kwamen opzoeken, om hem te portretteren, zijn buste te beeldhouwen of om al converserend te worden gesticht. Het milderde zijn oordeel over de andere sekse, die hij in cynische minachting nooit had gespaard, aanzienlijk. Maar van een huwelijk is het ook toen niet meer gekomen. Echte pessimisten trouwen niet.