Het broze fundament

Toen de journalisten Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis in de zomer van 2013 aan de slag gingen bij De Correspondent hoefden ze weinig moeite te doen om hun publiek te overtuigen van het belang van privacy. Daar had klokkenluider Edward Snowden al voor gezorgd.

Overheden bleken burgers op massale schaal te bespioneren, niemand was veilig voor het alziende oog van de staat. Plots leek Orwells 1984 het meest profetische boek ooit geschreven. Snowden zit al jaren in ballingschap, maar dat de impact van zijn onthullingen nog nadreunt bewijzen ook de verkoopcijfers van Je hebt wél iets te verbergen. Uit het niets kwam het binnen op plaats twee van de CPNB Bestseller 60.

Medium hh 59200598

Er is iets geks aan de hand met privacy. Intuïtief vinden we het ontzettend belangrijk, maar ons gedrag vertelt een ander verhaal. Miljarden mensen staan persoonlijke data af aan internetconglomeraten als Facebook en Google. Iedereen loopt rond met een smartphone, ‘een glimmend surveillanceapparaat waar je toevallig óók mee kunt bellen en appen’. En inlichtingendiensten kunnen hun onstilbare datahonger zonder al te veel protest verdedigen door zich te beroepen op nationale veiligheid. Neem deze uitspraak van de aivd-baas, onlangs in de Volkskrant: ‘Zouden mensen die privacy als hoogste doel hebben dat net zo enthousiast nastreven als zij slachtoffer zijn van een aanslag?’ Er staan mensenlevens op het spel, dus laten we niet zo lopen mauwen over iets triviaals als privacy, is de boodschap. Bovendien: als je niets te verbergen hebt, heb je toch niets te vrezen? Het is de frustratie met dit soort kortzichtige redeneringen waaruit dit boek is geboren.

Hun zoektocht naar een overtuigende repliek beginnen Martijn en Tokmetzis met een twijfelachtige aanname: dat we zo achteloos omspringen met onze persoonsgegevens zou allereerst komen doordat we niet zien welke informatie allemaal over ons wordt vergaard. Dat euvel is relatief makkelijk te verhelpen door het onzichtbare zichtbaar te maken. De lezer wordt aan de hand genomen voor een tocht door ‘de verborgen economie achter het internet’. Het begint met iets eenvoudigs als doorpluizen van privacyvoorwaarden, de lappen tekst die iedereen gedachteloos aanvaardt. Om vervolgens, technisch ingewikkelder, in kaart te brengen welke bedrijven ons volgen wanneer we op het web surfen.

Zo tonen de auteurs wat de doorsnee internetgebruiker stiekem al weet: online gelden normen die in de analoge wereld totaal onaanvaardbaar zouden zijn. Iedere stap die je zet wordt nauwgezet bijgehouden, ieder product dat je bekijkt genoteerd. Als je met je mobiele telefoon betaalt voor een parkeerplek kijkt de Belastingdienst mee. En commerciële bedrijven stellen dataprofielen op om je zo effectief mogelijk te kunnen bestoken met gerichte advertenties, die in een fractie van een seconde worden geveild. Ben je een vers getrouwde dertiger die net een hypotheek heeft afgesloten en regelmatig rondneust op babyblogs? Dikke kans dat je interesse hebt in een buggy.

Online gelden normen die in de analoge wereld totaal onaanvaardbaar zouden zijn

De bevindingen van Martijn en Tokmetzis zijn bij vlagen onthutsend, maar de verontwaardiging beklijft niet. Daarvoor blijven de verhalen over allerhande spionage aanvankelijk te veel in het luchtledige hangen. De excessen zijn schokkend, maar het blijven excessen. Nog altijd zeurt in het achterhoofd die frustrerende vraag: so what? Wij zijn kennelijk best bereid wat privacy op te geven, zolang we maar gratis goede apps krijgen. Dus gebruiken we massaal een e-maildienst van Google en installeren miljoenen mensen zonder blikken of blozen Pokémon Go. Het probleem is niet zozeer dat we niet zien welke gegevens we allemaal prijsgeven, maar dat we niet zien waarom dit problematisch is.

Het wordt pas echt spannend als er wordt ingezoomd op deze vraag. Hier wagen de onderzoeksjournalisten zich op meer filosofisch terrein. Het ‘ik heb toch niets te verbergen’-argument laat zich niet weerleggen met een gevatte oneliner of een opzienbarend schandaal, maar vergt een wisseling van perspectief. Zolang we privacy benaderen als een individuele kwestie stokt het debat, constateren Martijn en Tokmetzis scherp. Dan is het een vrije keuze van de consument om, bijvoorbeeld, de gegevens van je fitbit te delen met de zorgverzekeraar in ruil voor een korting op je premie. Waar we niet bij stilstaan, is dat zoiets ten koste gaat van het broze fundament waarop het hele idee van verzekeren gebouwd is: solidariteit. Dat besef daalt pas in wanneer we privacy leren zien als een collectieve waarde.

Niet voor niets wordt in de epiloog de parallel getrokken met het klimaatprobleem. Dat is minder vergezocht dan het misschien klinkt; het werkt verhelderend. Ook in de strijd tegen klimaatverandering is het hameren op individuele verantwoordelijkheden een doodlopend spoor. Het installeren van een adblocker is net zoiets als het indraaien van een spaarlamp. Het kan een bijdrage leveren, maar het lost het dieperliggende probleem niet op. Want: ‘Er is een omwenteling nodig. We moeten fundamenteel anders over data en privacy gaan praten.’

Voor een nieuw vocabulaire gaan de auteurs te rade bij een trits academici, die treffende termen hanteren als ‘the black box society’ (Frank Pasquale), ‘surveillance-kapitalisme’ (Shoshana Zuboff) en ‘jus algoritmi’ (John Cheney-Lippold). Het levert prikkelende inzichten op, al hadden deze denkers best meer ruimte mogen krijgen. Nu en dan lijkt toegankelijkheid (het boek is helder en vlot geschreven) voorrang te krijgen op theoretische diepgang. Terwijl het juist dit soort diepgravende analyses zijn die het gesprek over privacy naar een ander niveau kunnen tillen. Maar oké, Martijn en Tokmetzis zijn journalisten, geen studeerkamergeleerden; en hun waarschuwing voor de gevaren van een surveillancemaatschappij klinkt krachtig, al was het maar omdat ze laten zien dat Kafka’s Het proces minstens zo visionair was als 1984.


Beeld: Pokémon Go-spelers