Vierhonderd jaar grachtengordel: Elite?

Het bruist buiten de binnenstad

Sinds de Gouden Eeuw waren de Amsterdamse Heren-, Keizers- en Prinsengracht bij uitstek het domein van de culturele elite. Maar de grachtengordel is inmiddels echt niet meer de enige plek waar ‘het allemaal gebeurt’.

Het is nog rustig op het terras van café Winkel 43 op de Noordermarkt. Na twee zonnige zomerdagen is het nu bewolkt, een beetje regenachtig zelfs en bovendien is het dinsdagochtend. Geen reden voor drukte of opwinding op het plein. Enkele Japanse toeristen wandelen voorbij met een kaart opengevouwen in de hand, af en toe komt er een fietser of een auto langs. Veel meer gebeurt er niet. Ideale omstandigheden om flarden op te vangen van een gesprek aan een naburig tafeltje. ‘Na drie zinnen van een bericht leg ik een krant al weer weg.’ Het is een veertiger met modieus pak en een modebewust kaal hoofd. Hij maakt een wegwerpgebaar. ‘De inadequaatheid, de oppervlakkigheid en zo populistisch.’ Zijn tafelgenoot zit onderuitgezakt en knikt. Even later: ‘Curatoren laten zich censureren door sponsors. Wie betaalt, bepaalt. Maar maakt het uit of censuur wordt opgelegd door een sponsor of een dictatuur?’ Er rijden wat auto’s langs. Glimmende bmw’s en versleten Volvo’s ‘… de tijd van Hitler (…) alles moet sexy, trending topic. Daarom ben ik een conferentie aan het opzetten met mensen uit de podiumkunsten, de beeldende kunsten, de literatuur (…) Halbe Zijlstra zei op die avond (…) Toen ik wegging bij het Stedelijk…’

Ja hoor, het is raak. Een willekeurig terras op de grachten, een willekeurig tijdstip en je treft onvermijdelijk publiek dat werkzaam is in de wereld van kunst en cultuur. Is het cliché dat de grachtengordel het centrum is van de culturele elite dan zo makkelijk te bevestigen?

‘Is de grachtengordel nog altijd de navel van cultureel Nederland?’ werd mij gevraagd. De vraag lijkt een inkopper. Er is geen plek in Nederland die in de beeldvorming zo onlosmakelijk verbonden is met de highbrow society als de Amsterdamse grachtengordel. Den Haag is de plek van bestuurders, het Gooi van de miljonairs, en op de grachten domineert de culturele en intellectuele elite. Althans, dat is nog altijd het beeld dat bestaat. Maar is dat wel zo? Als je iets langer nadenkt over de ontwikkeling van de stad en vooral ook van de culturele elite zie je ineens allerlei andere plaatjes voorbij komen. Broedplaatsen in Noord, een cultuurpark in West, hotspots in Oost. En dan vraag je je ineens af: is de grachtengordel nog wel wat hij geweest is?

Wat feiten op een rijtje: de grachtengordel is al vierhonderd jaar een van de meest gewilde woonlocaties van Nederland. De Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht werden binnen honderd jaar uit de grond gestampt gedurende de hoogtijdagen van de Amsterdamse handel, de Gouden Eeuw. De stad wilde aan de wereld laten zien wat zij in haar mars had, dacht even over de aanleg van imposante boulevards, maar koos voor grachten. Uit praktische overwegingen: handig als waterafvoer en voor transport. Om toch flink wat grandeur uit te stralen, werd gekozen voor flinke afmetingen: brede grachten, brede kades en bijzonder diepe huizen en tuinen.

‘Het was echt een visitekaartje’, legt Erik Schmitz, onderzoeker van het stadsarchief, uit. De elite, vertelt hij, woonde aanvankelijk in de chique panden aan de Warmoesstraat en op de Wallen. Na de aanleg van de grachten duurde het even voordat men de oversteek waagde, maar al snel waren de grachten het kloppend hart van welgesteld Amsterdam. ‘Binnen de grachten was trouwens nog veel onderscheid. De Herengracht was de meest prestigieuze, de Prinsengracht stond het laagst in aanzien.’ Schmitz herinnert zich een anekdote van juffrouw Isa van Eeghen, kleindochter van Pieter Christiaan van Eeghen, bankier, initiatiefnemer van de aanleg van het Vondelpark en naamgever van de deftige Van Eeghenstraat. Isa van Eeghen, geboren in 1913, werkte jarenlang als onderzoeker in het stadsarchief, schreef boeken en artikelen en ontving voor haar werk verschillende prijzen. Toen ze op haar 34ste het ouderlijk huis in de Gouden Bocht op de Herengracht verliet voor een woning aan de Prinsengracht zei haar vader: ‘Een Van Eeghen woont niet op de Prinsengracht.’

‘Wat bedoel je met die vraag?’ Linda Bouws zit in een nieuw, klein, geïmproviseerd café op de begane grond van Felix Meritis aan de Keizersgracht. Ze biedt een cappuccino aan uit het kleine automatische apparaat in een hoek van de ruimte. ‘Het is niet zo lekker als van de bar’, verontschuldigt ze zich. Maar het grote café met bar aan de andere kant van de gang is sinds kort grotendeels gesloten. Het doet dienst als foyer en is alleen nog open tijdens evenementen. ‘Op andere momenten is het niet rendabel’, legt Bouws uit. De toplocatie ten spijt. Ter compensatie liet ze de oude foyer ombouwen tot een intieme informele werkplek in cafésfeer. Uiteraard met wifi. Werknemers en andere liefhebbers kunnen aan de ronde houten tafeltjes of de lange krantentafel werken of besprekingen voeren. Behalve een koffiezetautomaat is er een ijskastje met frisdrank.

Bouws zit aan de krantentafel en kijkt uit over de gracht. Ze is ruim elf jaar directeur van de organisatie, maar komt al veel langer in het roemruchte pand. Als student theaterwetenschappen was ze eind jaren zeventig kind aan huis bij het Shaffy Theater. ‘Het was een soort tweede huiskamer. Je hoefde niet in het programma te kijken om te weten dat je iets goeds zou zien. Geen gevestigd theater, daarvoor moest je naar de Stadsschouwburg, maar vernieuwend theater.’ En dat was niet alles. In het café trof je in die tijd heel hip en happening Amsterdam. ‘Er kwamen veel interessante mensen en de avonden en nachten waren altijd spannend.’

Maar ze wil even terug naar de vraag: is de grachtengordel nog de navel van cultureel Nederland? ‘Er zijn op de grachten maar twee (theater)podia. Felix Meritis en de Rode Hoed. De rest van de theaters en concertzalen staat buiten de grachten.’ Bovendien, voegt ze eraan toe, impliceert de vraag dat de grachtengordel een afgesloten gebied is waar je niet in of uit kunt. ‘Terwijl dat natuurlijk onzin is. Het is geen reservaat. En er gebeurt zoveel in andere delen van de stad.’

Na haar studententijd werkte ze bij het Theaterinstituut op de Herengracht, was ze betrokken bij de organisatie van Amsterdam Culturele Hoofdstad 1987, richtte ze in Felix Meritis de tv-zender Kunstkanaal op en werd ze in 2002 benoemd tot directeur van de stichting Felix Meritis. Ze volgde Steve Austen op, die als roadmanager van Ramses Shaffy in de jaren zestig het Shaffy Theater oprichtte. Het theater beleefde hoogtijdagen in de jaren zestig en later in de jaren zeventig. Austen vertrok, kwam aan het eind van de jaren tachtig terug en gaf het gebouw en de stichting een nieuwe functie. Felix Meritis moest een internationaal podium worden waarin kunstenaars, denkers en politici in gesprek zouden gaan. Met name over Europa.

Toen Bouws het overnam, vervolgde zij de weg die Austen was ingeslagen. Ze werkt aan een huis van de burger, een internationale ontmoetingsplek voor iedereen die mee wil praten en denken. ‘Omdat het hoort bij de traditie van dit gebouw. In de achttiende eeuw is het door de gegoede burgerij opgericht als huis van de Verlichting. Als plek waar kunst en wetenschap met elkaar in gesprek konden gaan. Ook nu proberen we hier de verschillende disciplines bij elkaar te brengen. Maar nu is het niet een plek voor de gegoede burgerij, maar voor alle burgers.’

Dat blijkt niet altijd even eenvoudig. Nu de subsidie lager is dan ooit en het bovendien crisis is, heeft de stichting Felix Meritis het moeilijk. Vergaar maar eens genoeg inkomsten om de kosten te betalen van een van de grootste panden van de grachtengordel. En zie maar eens volle zalen te trekken als je moet concurreren met tientallen andere zalen, debatten, lezingen, voorstellingen en andere happenings in de stad. Wat vandaag een hotspot is, kan morgen een verlaten zaaltje zijn.

Wie de stap durft te zetten, zich buiten de grachtengordel beweegt en eens een rondje door de stad fietst, ziet het voor zijn ogen gebeuren: de creatieve economie in werking. In Oud-West, de Baarsjes, Westerpark, de Indische Buurt, de Pijp, op de ndsm-werf in Noord en in iets mindere mate het centrum zitten ze overal, de creatieve kenniswerkers met hun laptops, smartphones en tablets. In hun eentje of in groepjes creëren ze brainwave na brainwave, schrijven ze toneelstukken en boeken, bedenken ze televisieprogramma’s, ontwerpen ze websites of maken ze muziek. Het kan allemaal op het terras of binnen bij een van de vele koffiecafés met goede koffie en gratis wifi. Een strak pak is niet nodig, felgekleurde sneakers hebben de voorkeur.

Het tweede willekeurige terras is vandaag dat van de Espressofabriek op het voormalige terrein van de Westergasfabriek. Tegenwoordig is het een cultuurpark en herbergen de oude fabrieksgebouwen een bonte verzameling van productiebedrijfjes, kunstinstellingen, theaters, cafés en de Vara-studio waar iedere dag Pauw Witteman en De wereld draait door worden opgenomen. Net als mtv, Endemol en binnenkort de Avro verlieten ze Hilversum om dichter bij de wereld van hun werknemers en hun achterban te staan. De grootste gebouwen op het terrein van de Westergasfabriek, de Gashouder en het Transformatorhuis, worden gebruikt voor feesten, voorstellingen, modeshows en nog veel meer.

Op het terras van de Espressofabriek zitten op deze doordeweekse ochtend vijf jonge mannen in urban casual kleding aan een robuuste houten tafel. Ze hebben allemaal een MacBook Air voor hun neus. Naast hen zit een jonge vrouw met een design-verantwoord hondje dat zich op een speciaal meegebracht hoofdkussen heeft neergevlijd. Een paar dagen eerder werd op het grote grasveld naast het café het eerste De Wereld Draait Buiten-festival gehouden. Een afgeleide van De wereld draait door, met optredens van onder anderen muzikanten, schrijvers en cabaretiers uit binnen- en buitenland. Het festival was een groot succes. Binnen in het café zitten verschillende duo’s in gesprek of bespreking. Het ene koppel bespreekt een architectonisch ontwerp, een ander duo praat over een voorstelling. Ze drinken cappuccino, espresso, latte macchiato, of nog hipper, espresso macchiato of gewone koffie. Onder hen zijn flink wat zzp’ers, die veelal wonen in de negentiende-eeuwse gordel van de stad, de oude arbeidersbuurten direct rondom het centrum. Omdat ze de grachtengordel niet kunnen betalen, maar ook omdat het bruist buiten het centrum.

‘De grachtengordel is het terrein van de babyboomers.’ Het is een van de eerste zinnen in het onderzoek De Amsterdamse grachtengordel, dat werd uitgevoerd door Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam. In het onderzoek valt het een en ander te lezen over de eigenschappen en kenmerken van de bewoners van het gebied. Er wonen bijna geen niet-westerse allochtonen, relatief veel alleenstaanden, weinig kinderen en er is een bijzonder laag aandeel van sociale huurwoningen, vier procent. De gemiddelde woz-waarde is een half miljoen euro. Maar zoveel hebben de meeste mensen niet betaald. Babyboomers kochten of huurden de woningen in de jaren zeventig en tachtig, toen Amsterdammers uit alle buurten, ook de grachtengordel, verhuisden naar nieuwbouwwijken in Amsterdam of elders. Net als in andere straten in de stad waren veel panden vervallen en soms onbewoonbaar.

De babyboomgeneratie ontwikkelde zich parallel aan de onderwijsemancipatie en de opkomst van de culturele sector. Amsterdam groeide in diezelfde periode uit tot internationale vrijhaven en het Nederlandse centrum van de wereldwijde revolutie voor vrijheid en invloed en tegen het gezag. Het was precies ook de tijd van de suburbanisatie. Gezinnen en oudere alleenstaanden verlieten de verpauperde panden in de stad en betrokken nieuwbouwwoningen in de Westelijke Tuinsteden of de groeikernen buiten de stad. De stad kampte met leegstand, zelfs op de grachten. Woningprijzen op de grachten bereikten in de jaren vijftig, na indexatie, het laagste peil ooit.

Hoewel de prijzen in de decennia daarna langzaam uit hun dal kropen, bleven ze onvergelijkbaar met de bedragen van nu. Een pand aan de Herengracht dat in 2010 ruim 2,5 miljoen euro waard was, kostte aan het eind van de jaren vijftig nog geen vijf ton. In tegenstelling tot veel gezinnen die de stad verlieten, zag de Amsterdamse babyboomgeneratie, de kinderen van de revolutie, wel degelijk de schoonheid in van de in verval geraakte stad. Ze vertrokken niet naar de suburbs maar bleven hangen om te kunnen blijven genieten van de vele cafés, musea, boekwinkels en theaters. Door de historisch lage woningprijzen hoefde je geen miljonair te zijn om een woning aan de gracht te betrekken. Een goed salaris, liefst een goed dubbel inkomen, was genoeg.

En dan was er nog de Jordaan. Na de oorlog een van de meest verpauperde buurten van het land. Om de buurt beter bewoonbaar te maken werden veel sociale huurwoningen gesloopt en vervangen door nieuwbouw. In het beroemde artikel Gentrification in de Jordaan: De opkomst van een nieuwe binnenstadselite uit 1982 laten de geografen Rob van Engelsdorp Gastelaars en Jacques van de Ven precies zien hoe de kunstenaars, academici en aanverwante groepen zich in die periode nestelden in de verlaten winkelruimtes en de sociale huurwoningen in de Jordaan.

‘Wist je dat Joost van den Vondel er een kousenwinkel op nahield om rond te komen? En die man kon toch goed dichten.’ Erik Schmitz drinkt een kopje gewone koffie in het café van het stadsarchief aan de Vijzelstraat. Als onderzoeker bij het archief werkte hij mee aan de tentoonstelling Booming Amsterdam, die in het voorjaar drie maanden te zien was. Zoals zoveel dit jaar stond de tentoonstelling in het teken van vierhonderd jaar grachtengordel. Schmitz weet dan ook het een en ander van de grachtengordelbewoners uit de zeventiende eeuw: ‘Dat waren koopmannen en succesvolle ondernemers.’ Mensen die geld verdienden met de exploderende handel over zee en de geldstromen die dat meebracht. ‘Maar geen kunstenaars. Die woonden wel in Amsterdam, omdat daar de opdrachtgevers ook woonden. Maar zelfs Rembrandt, die niet alleen in Nederland maar in heel Europa werd gezien als grootmeester en die hard werkte, kon zijn Rembrandthuis eigenlijk niet betalen.’ Hij moest er een hypotheek op nemen. Geen bewijs van groot financieel succes.

En Vondel woonde boven zijn kousenwinkel in de Warmoesstraat. Nadat zijn zoon de winkel failliet had laten gaan, kreeg de dichter eerst een baantje bij de Bank van Lening om daarna, van zijn 81ste tot zijn dood, te worden onderhouden door de stad. ‘Hij kreeg een soort uitkering. Heel bijzonder voor die tijd.’

Schmitz wil maar zeggen: de culturele elite houdt nog niet zo lang huis op de grachten. ‘Het is pas sinds de vorige eeuw dat de culturele elite ook financieel tot de elite behoort. Omdat de grachtengordel de meest prestigieuze woonlocatie van het land is, is het logisch dat schrijvers en kunstenaars die genoeg verdienen daar willen wonen.’ Zo bezien heeft de culturele elite zich na eeuwen van financiële misère eindelijk een plekje weten te verwerven op de top van de Olympus. Te midden van de bankiers en koopmannen die er nog altijd in groten getale zijn te vinden.

Nog wat cijfers uit het onderzoek van Bureau Onderzoek en Statistiek. Het gemiddelde besteedbare inkomen per huishouden is op de grachtengordel bijna vijftigduizend euro tegenover ruim dertigduizend euro in heel Amsterdam. Een kleine steekproef onder 48 bewoners laat een beeld zien van directeuren en managers, studenten, adviseurs, financiële of juridische beroepen en creatievelingen. Bijna tweederde van de bewoners heeft bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen op een linkse partij gestemd, maar de vvd is met een kwart van de stemmen de grootste partij, d66 en de pvda volgen op korte achterstand. Daarmee is de liberale stem op de grachtengordel aanzienlijk groter dan in de rest van de stad en de pvda aanzienlijk kleiner. De vpro is de meest populaire zender, 88 procent bezocht het afgelopen jaar een museum, de Volkskrant, NRC Handelsblad en Het Parool zijn de meest gelezen kranten en 86 procent las in de maand voor het onderzoek in het voorjaar van 2012 een boek. Het populairste boek: De buurman van J.J. Voskuil, tot zijn dood wonend aan de Herengracht.

We nemen er de Monitor Creatieve Industrie van de Metropoolregio Amsterdam bij. In 2012 waren er op de grachtengordel 3899 banen in creatieve sector. Daarvan waren er 1458 in de kunsten, bij een van de vele kunstinstellingen of als zzp’er. In de sector media en entertainment waren het er 1259. De rest valt onder de categorie creatieve, zakelijke dienstverlening. Een korte fietstocht helpt om de cijfers in de praktijk te zien. Van café Winkel 43 op de Noordermarkt naar het Spui, met de verzameling boekwinkels en cafés de Zwart, Hoppe en Luxembourg misschien wel het hart van de grachtengordel-scene. Schrijvers, juristen, studenten, ondernemers, bankiers, je vindt ze er allemaal.

Het fietstochtje van minder dan twee kilometer levert een gevarieerd aanbod aan bedrijven en instellingen op. Hans Zeegers Fotografie, het internationale reclamebureau Wieden + Kennedy, literair agenten Sebes en Van Gelderen, de hippe zzp-flexwerkplek Spaces, het Bijbels Museum, het Grachtenhuis, een handvol advocaten en artsen, de nodige brievenbusfirma’s, A-Line Secretarial Services, De Groene Amsterdammer. Het is slechts een kleine greep. Dat in het rijtje een uitgeverij ontbreekt is slechts een speling van het lot. De branche is namelijk rijkelijk vertegenwoordigd op de grachten.

Daar weet Sander Knol alles van. Sinds vorig jaar heeft hij zijn eigen uitgeverij Xander, maar daarvoor was hij zeven jaar lang directeur van Meulenhoff Boekerij. In die hoedanigheid huisde hij aan de Herengracht, in dezelfde Gouden Bocht die juffrouw Van Eeghen tegen de wil van haar vader verliet. Een wereld van verschil met het kantoor op een industrieterrein in Noord, waar hij nu te vinden is. ‘Maar dit is wel een verademing’, biecht hij op.

Knol zit in een klein glazen vergaderkamertje, midden in de open ruimte van de voormalige garage. Voor hem zijn architecten aan het werk, achter hem staan maquettes op tafel en aan een langwerpig bureaublok zitten vijf medewerkers en stagiaires achter beeldschermen. Zijn eigen bureau maakt ook deel uit van het blok. ‘Bij Meulenhoff had ik een majestueuze sierkamer aan de gracht. Met hoge plafonds en prachtige ornamenten. Daar ontving ik graag mijn gasten.’ Die waren steevast onder de indruk van de grachten, het pand en de kamer. ‘Maar of je je werk er ook beter door doet? Ik weet het niet.’

Knol was trots toen hij van uitgeverij eci de overstap kon maken naar Meulenhoff, op literair gebied misschien wel de meest prestigieuze uitgeverij van het land. Op kerstkaarten liet hij het imponerende pand afbeelden. Maar het klikte niet en na een tumultueuze periode ruimde hij twee jaar geleden het veld. Knol botste misschien wel het meest met de erfenis die de uitgeverij meedraagt. ‘Die erfenis voel je overal op de grachten. Dat is heel mooi. Bij een uitgeverij behoren tot die erfenis bovendien contracten met grote auteurs. Maar het gevolg is dat alles wat je doet wordt bezien in het licht van de historie. Alles wordt vergeleken met oude hoogtijdagen.’

In Noord heeft hij daar weinig last van. Het stadsdeel heeft het imago van vestigingsplaats voor vrijbuiters, pioniers, creatievelingen. En die groep wordt steeds groter en professioneler. Direct achter het pand waar Knol huist, is een oud pand omgebouwd tot verzamelgebouw voor creatieve bedrijven. Het puilt uit met tientallen ondernemingen, waarvan productiehuis A-Film de grootste is. En de architecten waar hij zelf de ruimte van huurt zijn van internationaal kaliber. ‘Dat is even wat anders dan werken tussen de accountants’, verwijst hij venijnig naar het nieuwe imago van de grachten als vestigingsplaats voor brievenbusfirma’s. ‘Hier wordt constant gecreëerd en dat werkt inspirerend.’

Dat blijkt ook uit onderzoek van UvA-hoogleraar economische geografie Robert Kloosterman en hoogleraar economische en sociale geschiedenis Maarten Prak van de Universiteit Utrecht. In het artikel De relatie tussen plaats en cultuur uit 2012 zochten zij naar een verband tussen het huidige succes van de culturele economie in Amsterdam en de economische en culturele hoogtijdagen in de Gouden Eeuw. Die vonden ze niet direct, maar ze zagen wel dat de ‘internationale oriëntatie, kosmopolitische sfeer en hoge kwaliteit van stedelijke voorzieningen’ altijd een grote aantrekkingskracht hebben gehad op kunstenaars en creatievelingen. En dat de sterke financiële sector in de stad altijd goed is geweest voor het kunstenaarsklimaat. Ook valt in het artikel eens te meer te lezen hoe de culturele sector van Amsterdam de afgelopen decennia uit zijn voegen barstte. ‘Kunsten, uitgeverijen, reclame en de audiovisuele sector, die zich na de liberalisering en privatisering van het Nederlandse omroepbestel in toenemende mate op de hoofdstad richt, laten vooral na 1990 een explosieve stijging zien.’

Die explosie wordt duidelijk zichtbaar in de Monitor Creatieve Industrie. Van 1996 tot 2012 is het aantal vestigingen van de creatieve industrie, waar ook een groot deel van de creatieve dienstverlening onder valt, in Amsterdam vervijfvoudigd. Het is niet gek dat zij zich hebben verspreid over de stad. De grachten hebben hun grenzen. Uit de cijfers blijkt dat het centrum nog altijd het hoogste aantal vestigingen herbergt, maar Zuid, West en Oost volgen met weinig achterstand. Bovendien is ook het aantal zzp’ers in de sector geëxplodeerd en is het aandeel gestegen naar 66 procent. In de kunsten is het aandeel zelfs zeventig procent.

Aan het einde van de fietstocht wacht café de Zwart aan het Spui. Actrice Nelly Frijda loopt voorbij. Direct achter het café, aan de gracht, staat het huis van een van de grootste schrijfsters van het land. En dan culinair journalist Johannes van Dam, die aan de overkant woont; zzp’ers, alledrie. Sander Knol heeft helaas te veel mensen in dienst om zich zzp’er te mogen noemen. Maar als zelfstandig ondernemer heeft hij toch veel met ze gemeen. Een collega brengt een verse cappuccino uit het handbediende espressoapparaat. Hij bedankt haar oprecht.

‘Ik zocht een ander soort energie dan op de grachten’, zegt hij. ‘Die is daar heel introspectief. Een uitgeverij hoort daar te zitten. Hier word ik gedwongen om weer over alles na te denken.’ Knol denkt even na en geeft een voorbeeld. ‘In het pand van Meulenhoff had Casanova mogelijk nog rondgelopen. Hier heeft hij dat zeker niet.’