Economie

Het Bureau

Het hoge woord is eruit. Er is een nieuwe CPB-directeur. Laura van der Geest, afkomstig van het ministerie van Financiën, gaat de komende jaren leiding geven aan het planbureau. Het begrotingsbeleid van de huidige regering, waar Van der Geest als ambtenaar aan mee mocht sleutelen, is ze hoogstwaarschijnlijk een stuk vriendelijker gezind dan haar voorganger was. De gematigde kritiek van Coen Teulings op het bezuinigingsbeleid van de regering lijkt daarmee vakkundig kaltgestellt.

Uit de kritische commentaren op de benoeming krijg je echter de indruk dat het onder sint Teulings de academicus allemaal hosanna was. Onzin. Het CPB blunderde de afgelopen jaren flink. In 2008 beweerde het nog dat de Nederlandse woningmarkt helemaal niet overgewaardeerd was. Waarna de woningprijzen spontaan met twintig procent kelderden. In 2009 moest het CPB zijn econometrische model overboord gooien om nog tot enigszins realistische groeiramingen te komen. En voor dit jaar voorspelde het CPB 7,25 procent werkloosheid, terwijl de teller in maart al op 8,1 procent stond.

Het gaat niet slechts om het poppetje aan de top. Het CPB wordt gezien als een bron van neutrale wetenschappelijke adviezen. Dat is precies het probleem. Wie de geschiedenis van het CPB erop naslaat, ziet dat wat wetenschap heet door de jaren heen flink verandert. En niet altijd ten goede.

‘Het inzicht is langzamerhand algemeen geworden dat het tot de taak der Regeering behoort, den omvang van de algemeene economische activiteit te beïnvloeden, opdat niet, als in den periode na 1929, een belangrijk deel der nationale hulpbronnen ongebruikt blijft’, schreef Jan Tinbergen, de eerste CPB-directeur, al in de Tweede Wereldoorlog. Om dit te waarborgen was volgens hem een ‘apparaat van statistische waarneming, van analyse van den toestand en van planning der te nemen maatregelen vereischt’. Met andere woorden: een centraal planbureau.

De regering-Colijn voerde in de jaren dertig een snoeihard bezuinigings­beleid. In protestantse en liberale kringen was de consensus dat de overheid weinig tot niks kon doen om het economisch tij te keren. ‘Slechts een opmerkelijk gebrek aan inzicht of wel een verachtelijke demagogie kunnen er toe drijven enigen Nederlandse regeerder te verwijten dat de economische toestand niet snel genoeg verbetert,’ legde Colijn uit. Het was dit sentiment waar Tinbergen tegen ageerde.

Midden in de Colijn-depressie had Tinbergen in het Plan van de Arbeid (1935) geopperd om een Centraal Conjunctuurbureau op te richten. Dit economisch bureau moest op basis van wetenschappelijk onderzoek advies geven aan overheid en belangenorganisaties. ‘Objectievere methoden van onderzoek’ zouden er volgens Tinbergen voor zorgen dat dogmatisme een minder grote rol zou gaan spelen in beleidsdiscussies. Dat was broodnodig in een tijd waarin politieke partijen, gevangen in de verzuiling, niet eens dezelfde taal spraken.

De eerste CPB-modellen zagen het probleem veelal aan de vraagzijde van de economie. Onderbesteding en overbesteding waren de voornaamste oorzaken van werkloosheid en inflatie. Bij te hoge werkloosheid moest de overheid gas geven, terwijl ze bij te hoge inflatie op de rem moest staan. Het naoorlogse keynesianisme was geboren.

Dit veranderde toen bleek dat de CPB-modellen de combinatie van oplopende inflatie en werkloosheid in de jaren zeventig niet konden verklaren. Waar werkloosheid voorheen met name werd verklaard door bestedingseffecten zou het CPB dit voortaan voornamelijk doen aan de hand van ‘structurele factoren’. Een invloedrijk CPB-onderzoek identificeerde te hoge lonen als de aanstichter van de oplopende werkloosheid in de jaren zeventig. ‘Aanzienlijke loonmatiging in de komende jaren’ was volgens de auteurs nodig om de werkgelegenheid weer op peil te brengen. Loonmatiging werd in het nieuwe CPB-model een recept voor werkgelegenheidsgroei. Het CPB legde daarmee de basis voor het akkoord van Wassenaar (1982), waarin bonden en werkgevers akkoord gingen met loonmatiging in ruil voor werktijdverkorting. De economische theorieën waar Tinbergen tegen had geageerd kwamen zo, in een nieuw jasje, weer terug in de jaren zeventig en tachtig. De jaren dertig waren vergeten, actieve recessie­bestrijding was een vies woord geworden. En dat is eigenlijk nog steeds het geval. Laten we niet vergeten dat Teulings in 2010 nog vrolijk pleitte voor bezuinigingen en een nieuw akkoord van Wassenaar. Dat is de nodige stappen verwijderd van een actieve crisispolitiek à la Tinbergen.

Tinbergen was dan ook te naïef. Vol van naoorlogs optimisme dacht hij dat CPB-economen, als een soort sociaal ingenieurs, de economische cyclus glad konden strijken. Dat de gereedschapskist van het CPB zo zou veranderen, kon Tinbergen niet bevroeden. De rot zit dan ook dieper dan een politieke benoeming. Het CPB als instituut is al lang het spoor van Tinbergen bijster geraakt.


Jesse Frederik is financieel journalist voor Follow the Money. Dit jaar won hij de Tegel, de belangrijkste journalistieke prijs, in de categorie Achtergrond