Sylvain Ephimenco

Het Bureau

Ik deed de deur open en mijn droom begon. Meestal heb ik twee soorten dromen, zei ik tegen mijzelf terwijl ik droomde. Ik antwoordde dat ik dit allang wist. Maar omdat ik niet meer naar mezelf luisterde, werd ik niet van repliek gediend. Aangemoedigd door de stilte vertelde ik verder dat mijn dromen altijd in twee categorieën verdeeld kunnen worden. In de ene wordt mijn portefeuille gestolen, in de andere probeer ik het lichaam te verbergen van de man die ik heb vermoord. In beide gevallen eindigt de droom op het politiebureau.

Hoewel die dromen altijd standaard leverbaar zijn, gebeurt het regelmatig dat er variaties plaatsvinden binnen een categorie. Vroeger probeerde ik de vermoorde man onder het zand van een donkere kelder te begraven. Af en toe kroop zijn rechteroog onder het zand vandaan. Het oog begon me overal hinderlijk te volgen. Er bestond maar één manier om van het oog van de dode man af te komen: het oog met een fietspomp op te blazen totdat het de grootte van een bal had bereikt.

Op dat moment verscheen bijna altijd Ruud Gullit in de kelder. Maar soms ook Marco van Basten. «Potje voetballen?» grijnsde Ruud, «ik heb ook een scheidsrechter meegenomen.» En uit zijn jas haalde hij een andere Ruud, meestal Ruud Lubbers, te voorschijn. De twee Ruuds en ik gingen samen op de bal zitten totdat alle lucht eruit was ontsnapt en de bal weer het oog van de dode man was geworden. Op dat moment verschenen altijd twee agenten in burger die me dwongen naar het politiebureau te gaan

Toch gebeurde onlangs iets geks: voor het eerst droomde ik dat ik een vrouw had vermoord. Ik weet niet waarom en ook niet wie ze was. Maar ik vond het niet echt elegant van mij om een vrouw van kant te maken. Het enige wat ik wist, was dat ze blond haar had. De hele nacht probeerde ik haar stoffelijk overschot te verbergen, zodat ik niet met de twee agenten mee naar het bureau zou hoeven gaan.

Haar lichaam was vol vlekken en slap, en werkte niet mee. Ik probeerde de dode blonde vrouw achtereenvolgens in een la te verstoppen, in stukje te zagen (maar de zaag was van kauwgum) en over een balkon te smijten. Al die tijd werd ik door tal van toeschouwers geobserveerd. En al die mensen zeiden tegen elkaar: kijk, hij probeert het lichaam van een dode vrouw die hij heeft vermoord te verbergen, maar hij zal toch op het politiebureau eindigen.

Nu ik dit allemaal aan mezelf heb verteld, terwijl ik het al wist, merk ik dat ik nog steeds met de deur van mijn droom in de hand sta. Achter de deur ligt een kale en desolate kamer. Niets aan de muur, geen meubels, geen gestolen portefeuille en geen stoffelijk overschot. Alleen drie treurige mannen zittend op een bal die in koor roepen: «Het is hier de kale en desolate kamer van de Nederlandse literatuur, kom binnen.»

De drie worden door 24 tv-camera’s bespied en staan op het punt elkaar te nomineren. Ze maken zich bekend: Maarten de Koning, Giph Hoera en Arnon Grunjagt. In koor roepen ze: «Er is niets meer om te vechten en om te leven. Alleen groentequiches, pensioenpremies en vliegreizen naar Las Palmas. We zijn ons bewust van de leegheid van elk streven en van de ijdelheid van alle voornemens. We schrijven iedere dag, zoals anderen iedere dag naar het toilet gaan, behalve wanneer ze aan verstoppingen lijden.»

Plotseling beginnen de nominaties en Giph Hoera wurgt zijn twee compagnons met duizend armen. Op dat moment word ik door twee agenten gegrepen, van de dood van Maarten Koning beschuldigd en moet ik mee naar Het Bureau.