Rangen en standen in de republiek

Het burgerlijk collectief

Het idee dat de burger per definitie een individualist moet zijn, is een misverstand uit de negentiende eeuw. In de Gouden Eeuw gold bijna het tegenovergestelde. Burgers waren juist lid van allerhande maatschappelijke organisaties en hun status was daarvan afgeleid.

Op 30 januari 1696 brak in Amsterdam een groot oproer uit. Het duurde een volle week voor de orde was hersteld. De aanleiding had iets te maken met belastingen en begrafenissen, maar daar gaat het nu niet om. Van dit oproer is een verslag overgeleverd van de makelaar Joris Craffurd. In zijn verslag deed Craffurd iets bijzonders: hij verdeelde de Amsterdamse bevolking in vier klassen. Bovenaan stonden de regenten, gevolgd door de kooplieden. Onderaan stond het ‘gemeen’, de ‘aldergeringste zoort van menschen’. Daar tussenin bevonden zich de helden van Craffurds verhaal, de ‘winckeliers [en de] meesters van ambagten en handwerkluijden’, kortom: de middenklasse. In Craffurds verslag heten ze meestal ‘de burgerij’ en zien we ze vooral optreden in hun hoedanigheid van schutters. Aanvankelijk steunden de burgers het oproerige ‘gemeen’. Ook de middenstand moest niks hebben van de nieuwe regelingen rond het begraven. Ze staken geen poot uit toen er lawaai werd gemaakt voor het huis van enkele burgemeesters die verantwoordelijk werden gehouden voor het omstreden besluit en daar de ramen aan diggelen gingen. Dat veranderde echter toen de oproerlingen begonnen om het huis van ene David de Pinto aan de Sint Antoniesbreestraat te plunderen. De Pinto was een ‘rijcke Jood’ maar had verder niks met de beslissingen op het stadhuis te maken. De schutters, gewaarschuwd door een van De Pinto’s bedienden, beseften dat het niet langer om de verordening op het begraven begonnen was, maar om het huisraad van De Pinto. ‘Het zoude zoodoende onse beurt mede konnen werden’, zeiden ze tegen elkaar. En dus veegden vijftien schutters, met de blanke sabel in de hand, het huis van De Pinto schoon, terwijl de rest postvatte bij de voordeur, waar ook rake klappen werden uitgedeeld, en volgens Craffurd zelfs doden vielen. Buren troffen die avond doodsbange plunderaars onder hun bed aan. Vervolgens waren de schutters bereid om ook in de rest van de stad orde op zaken te stellen. Na afloop liet het stadsbestuur een penning slaan, die aan alle schutters werd uitgereikt. Op die penning werd de solidariteit tussen middenklasse en elite herbevestigd: ‘Door Amstels wijze raadt (= stadsbestuur)/ en burgers dapperheijt/ is ’t plundersuchtigh graau/ hun moetwil neergeleijdt’. Middenklasse en burger, dat waren in de zeventiende eeuw verwisselbare begrippen, maar ze hadden een andere inhoud en gevoelswaarde dan vandaag de dag.

wie zichzelf in de zeventiende eeuw voorstelde als ‘burger’ bedoelde daarmee dat hij (of zij) formeel lid was van een stadsgemeenschap. De Nederlandse staat kende geen burgerschap in de formele zin, en ook op het platteland ontbrak iets dergelijks. Dat was het gevolg van een middeleeuwse geschiedenis. In die periode hadden vorsten overal in Europa voorrechten verleend aan stedelijke gemeenschappen. Dat deden ze om die steden te stimuleren, maar bijna altijd vooral ook om in ruil daarvoor geld los te peuteren van die stedelijke gemeenschappen. Dankzij deze voorrechten waren middel­eeuwse steden uitgegroeid tot min of meer autonome verenigingen, met leden en een eigen bestuur. Die leden heetten in Nederland ‘poorters’ of ‘burgers’. Het burgerschap was typisch iets voor de middenklasse. Je kon het op verschillende manieren verwerven en de details verschilden van stad tot stad, maar er waren drie mechanismen die overal voorkwamen: vererving, huwelijk en koop. Burgers die kinderen kregen droegen die status min of meer automatisch over op deze kinderen. Min of meer, want in Amsterdam moesten de kinderen eigenlijk hun burgerstatus bevestigen door zelf op het stadhuis de burgereed te gaan afleggen. Het lijkt erop dat daaraan niet al te strikt de hand werd gehouden. En voor joodse Amsterdammers gold die overerving weer niet; hun kinderen moesten opnieuw het burgerrecht aanvragen.

Wie een burgerdochter of -zoon trouwde, werd zelf ook burger. Dat was niet onbelangrijk. In 1792 verzocht Levi Salomons het stadsbestuur van Den Bosch om aan zijn dochter Rosetta het burgerrecht te verlenen. Salomons woonde en werkte al bijna twintig jaar als arts in Den Bosch, maar kon als jood geen burger worden. Hij was bovendien in kommervolle financiële omstandigheden waardoor hij zijn dochter geen bruidsschat kon meegeven. Als ze burgeres van Den Bosch mocht worden, zou ze toch nog een aantrekkelijke partij zijn, zo veronderstelde haar vader, en niet hoeven degraderen uit de middenklasse.

Immigranten die niet het geluk hadden om een burgerzoon of -dochter te huwen, moesten betalen voor hun burgerlijke status. In West-Nederland waren de bedragen meestal vrij laag, al verhoogde Amsterdam de leges wel voort­durend, vooral om er de kosten van de armenzorg mee te bestrijden. In Oost-Nederland was het veel duurder en werden bovendien in de zeventiende eeuw belemmeringen geïntroduceerd die bedoeld waren om iedereen te weren die niet tot de gereformeerde kerk behoorde. Dat lijkt paradoxaal, omdat die Oost-Nederlandse steden toch al minder aantrekkelijk waren voor immigranten. Dit restrictieve immigratiebeleid had dan ook alles te maken met de invloed die bepaalde groeperingen, met name de in gilden georganiseerde winkeliers en ambachtsmeesters, konden uitoefenen op het plaatselijk beleid. Deze mensen zagen liever geen extra concurrenten in hun stad verschijnen en gebruikten religie als argument om dat te bewerkstelligen. In West-Nederland zorgden de kooplieden­elites die daar de politiek domineerden ervoor dat zulke restricties achterwege bleven.

binnen de stad organiseerden burgers zich in tientallen verschillende verenigingen, die doorgaans van hogerhand waren goedgekeurd, maar verder grotendeels hun eigen zaken regelden. Ze hadden gekozen besturen en hieven lidmaatschapsgeld waarmee ze allerhande activiteiten ontplooiden. De bekendste waren misschien de gilden. Een beetje stad had al gauw enkele tientallen van deze beroepsorganisaties. Om lid te worden van een gilde moest je burger zijn; de gildenberoepen heetten ook wel ‘burger­neringen’. Wie lid werd van een gilde oefende een ‘vrij’ beroep uit. Vrijheid in de Gouden Eeuw betekende dus precies het tegenovergestelde van wat de vvd daar tegenwoordig onder verstaat, namelijk je aansluiten bij een organisatie van burgers.

De onderlinge band kon binnen het gildemilieu zeer nauw zijn. Vaak wordt gedacht dat ze allemaal familie van elkaar waren en dat je alleen via het netwerk in een gilde kon doordringen, maar dat blijkt niet te stroken met de feiten. Gilden waren eerder wat antropologen noemen een ‘kunstmatige familie’, waarvan de leden het familiemodel gebruikten om hun collectiviteit te beklemtonen. Dat kon behoorlijk ver gaan. Ze noemden elkaar gildebroeders en -zusters. Jaarlijks werd er door de meeste gilden uitvoerig gezamenlijk gegeten; die maaltijden konden zich over enkele dagen uitstrekken. In Dordrecht en Utrecht hadden verscheidene gilden een eigen grafkelder, waarin de leden die dat wensten konden worden begraven; die waren trouw tot in de dood aan hun collega’s.

Een ander bekend type van burgerorganisaties waren de schutterijen. Die waren nominaal belast met de verdediging van de stad, maar oefenden vooral politietaken uit. Ze kwamen in het geweer wanneer er oproeren waren, en patrouilleerden verder ’s nachts. Vandaar De Nachtwacht. Dat collectieve portret van wakende schutters, door Rembrandt in 1642 vervaardigd, was bestemd om op een openbare plaats te worden opgehangen, naast vergelijkbare afbeeldingen van andere schutters in vol ornaat. De schutters, die in de wandeling vaak werden aangeduid als ‘de burgerij’, waren duidelijk trots op hun bijdrage aan het openbare leven. Zij gebruikten de schutterij ook als vehikel om hun politieke opinies kracht bij te zetten. Zoals we al zagen waren ze in 1696 aanvankelijk solidair met de oproerige gemeente in Amsterdam. Bij verschillende gelegenheden, zoals in 1672, 1748 en in de Patriottentijd (1781-1787) vormden de schutterijen de ruggengraat van burgerbewegingen die hervormingen eisten. In 1787 zorgden ze voor een revolutionaire omwenteling die alleen door een interventie van het Pruisische leger de kop kon worden ingedrukt.

alhoewel burgers zich in de zeventiende en achttiende eeuw primair definieerden als een politieke categorie zat er zeker ook een klasse-dimensie aan. In 1785 presenteerden de gezamenlijke schutterijen en vrijkorpsen van de Hollandse Patriotten een politiek programma waarmee zij beoogden om de Republiek weer ‘van buiten gedugt en van binnen gelukkig’ te maken – een programma, kortom, dat de glorie van de Gouden Eeuw zou doen herleven. In dat programma werd onder meer beweerd dat de voorgestelde hervormingen, die aan de burgerij meer invloed beoogden te geven, bedoeld waren om de ‘heffe des volks’, het ‘woest gemeen’ de pas af te snijden, en de politiek in handen te stellen van ‘alle waare Burgeren, dat is dezulken die door hunne bezittingen en betrekkingen een weezenlyk en onmiddelyk belang hebben in de handhaving der Constitutie, in de bewaaring der openbaare rust en in de bevordering der algemeen welvaart’.

Ook bij andere gelegenheden lieten de burgers er geen misverstand over bestaan dat ze tot de gezeten klasse behoorden. Verzoekschriften van de gilden beklemtoonden vaak dat hun leden betrouwbaar waren omdat ze een eigen huis bezaten. Daar kon je verhaal gaan halen als het product dat je geleverd was niet deugde. Migranten woonden daarentegen op kamers; als je ze ter verantwoording wilde roepen, waren ze met de noorderzon vertrokken. Vreemdelingen waren in dit kleinburgerlijk milieu vaak impopulair. Vooral joden moesten het ontgelden. De christelijke diamantslijpers in Amsterdam meenden in 1748 dat ‘het ons onmogelijk is, volgens onse aangeboorenen aardt, gelijk de Jooden doen, onse kost te winnen met schoenen schoonmaaken [… en net als] de swijnen met 10 of 12 in een hok’ te leven.

Binnen deze middenklasse bestond echter weer een aanzienlijke gelijkheid. Zelfs de regenten, die zich voor het overige gedroegen als deftige heren, ver verheven boven de gewone man, beklemtoonden te pas en te onpas dat zij ‘burgers’ waren, net als talrijke andere inwoners van hun stad. Dat burgerschap was trouwens inderdaad een vereiste om een hoge functie te kunnen uitoefenen. Functies wisselden bovendien geregeld – burgemeesters werden slechts voor een of twee jaar aangesteld bijvoorbeeld. Dat was, zo schreef de Deventer stadssecretaris Gerard Dumbar in de achttiende eeuw, zodat ze zich zouden realiseren ‘dat ze regeren over menschen naer de wetten voor eenen korten tijt, [en] zich niet te zeer moeten verheffen boven hunnen medeburgers’. En niet alleen in de hoogste kringen werd zo geredeneerd. De leden van het Amsterdamse loodsengilde klaagden in 1779 dat sommige collega’s de roosters zo hadden gemanipuleerd dat zij ‘een ruijm bestaan hebben, ja rijk worden’, terwijl anderen tot armoede vervielen en ondersteuning nodig hadden.

Alleen voor vrouwen gold die gelijkheid niet, want de wereld van de vroegmoderne burger was ook een patriarchale. Vrouwen konden wel degelijk het burgerrecht bezitten, en waren dan dus ‘burgeres’, en hun burgerlijke status telde op de huwelijksmarkt een duchtig woordje mee. Zo trouwden Amsterdamse bruiden betere partijen dan hun geïmmigreerde zusters. Buitenlanders waren ook erg onder de indruk van de vrijmoedigheid waarmee Nederlandse vrouwen zich in het openbaar gedroegen, en een actief aandeel hadden in het economisch leven. Maar in het openbaar bestuur en verenigingsleven bleef hun rol beperkt. In de achttiende eeuw kregen ze wel een nieuwe taak, waarvan het belang steeds hoger werd aangeslagen: opvoeden.

in de achttiende eeuw werden nieuwe dimensies toegevoegd aan het repertoire van burgerlijke idealen. De belangrijkste was de morele. Deugdzame burgers moesten zich afkeren van luxe – een Frans importverschijnsel – en de oud-Nederlandse eenvoud weer omarmen. Om dat te bereiken moesten opvoeding en onderwijs die levenshouding overbrengen op de jeugd. De in 1777 opgerichte Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen richtte zich daarom bovenal op onderwijshervorming als middel tot verheffing van de middenstand. De morele dimensie van het burgerschap was niet gebonden aan een stedelijke omgeving maar liet zich zonder veel problemen verenigen met de republikeinse versie van het burgerideaal.

Intussen pakten zich echter donkere wolken samen boven dat stedelijk burgerschap. In Frankrijk hadden revolutionairen in 1789 alle restanten van het ‘feodalisme’ afgeschaft. Daarmee waren niet alleen adellijke voor­rechten bedoeld, maar ook die van steden en burgerlijke groeperingen. In 1791 werden de gilden in Frankrijk opgeheven; de vrijheid van vereniging werd tegelijkertijd aan banden gelegd om te voorkomen dat de gilden onder een andere naam zouden terugkeren.

Na de Franse inval in de winter van 1794-95 en de daaropvolgende Bataafse Revolutie ontspon zich een grote discussie over de beste staats­inrichting: een gecentraliseerde staat waarin alle burgers gelijk waren ongeacht hun woonplaats, afkomst of beroep, maar ook ongeorganiseerd en dus nauwelijks in staat om zich politiek te manifesteren. Of een federatieve staat, waarin maatschappelijke ongelijkheid werd gedoogd en zelfs aangemoedigd door de overheid, maar burgers zich wel op uiteenlopende manieren konden organiseren. Het heeft er alle schijn van dat de meerderheid van de bevolking een voorkeur voor het tweede model had. Maar onder de revolutionaire leiders bestond meer sympathie voor centraliseren, al was het maar omdat dit de snelste manier leek om de revolutie te consolideren. Belangrijker was dat de centralisten, die bekend stonden als ‘unitarissen’, de steun genoten van de Franse autoriteiten. In 1813, toen de Fransen vertrokken, had het centralisme het pleit gewonnen.

De grondwet had iedereen tot burger gemaakt. Maar de schutterijen waren onderdeel geworden van de legerorganisatie en ondanks omvangrijke petitiecampagnes keerden de gilden niet terug. Het tijdperk van het burgerlijk collectief was daarmee wel afgesloten. In plaats daarvan traden nu de individuele kenmerken van de middenklasse op de voorgrond. Niet de principiële gelijkheid, maar juist de fijne onderscheiden werden belangrijk. Multatuli parodieerde ze in 1865 als volgt (Idee 381):

Burgerstand, IIIe klasse, zevende ­onderafdeling, Burgermensen ‘op kamers’ wonende: a) Vrye opgang. Drie ramen. Twee verdiepingen met achterkamers. De jongens slapen alleen, maar kleden zich in gezelschap van de meisjes. Kraamschut. Leren Frans, en reciteren in de Kerstnacht. De meisjes heten Lena, Maria, soms – maar zelden – Louise. Ze borduren en zeggen: u. De jongens op ’n kantoor. Houden meid, naaister en ’n ‘mens’ voor ’t grove werk…

b1) Altyd nog drie ramen. Eén verdieping. Boven wonen buren die ‘tweemaal schellen’ (zie b2). Leentje, Mietje, Jansje. Louise komt minder dikwyls voor… Slapen in één kamer. Kraamschut. Meid, ‘halve naaister’ en ’n ‘mens’

(Enzovoorts)

Zoals elke parodie werkte het omdat het beeld herkenbaar was.

Burgers waren in de negentiende eeuw lange tijd ongeorganiseerd. Ze kwamen bijeen in leesgezelschappen en muziekverenigingen, maar in de openbare ruimte vertoonden ze zich niet. Volgens Thorbecke was die politieke inertie een van de grote kwalen van zijn tijd. De nieuwe grondwet die hij in 1848 schreef, was onder meer bedoeld om ruimte te scheppen voor burgerlijke initiatieven. Toch duurde het nog vele jaren voordat _single-issue-_bewegingen van bezorgde burgers zich begonnen te roeren. Ze wilden het drankmisbruik aan banden leggen, of de slavernij afschaffen. De enige organisaties die grote aantallen burgers wist te mobiliseren waren de kerken. Zij organiseerden verschillende keren in de negentiende eeuw massale petitiebewegingen, meestal ten behoeve van het bijzonder onderwijs. Uit een van die bewegingen ontstond in 1879 de eerste politieke partij. Niet toevallig was de arp gevestigd op een religieuze grondslag. Abraham Kuyper wilde de ‘kleine luyden’ organiseren en het idee van ‘soevereiniteit in eigen kring’ leek rechtstreeks ontleend aan het repertoire van voor 1795. Onder katholieken deed de gedachte van het corporatisme opgeld, die geënt was op een geïdealiseerde versie van de gilden. De verzuiling en het Nederlandse poldermodel maken duidelijk dat zelfs in onze tijd het idee van de individualistische burger slechts de helft van het verhaal vertelt.


Maarten Prak is hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij schrijft een boek over burgerschap in middeleeuws en vroegmodern Europa