Het calvinistisch lustprincipe

De Brazilianen van Europa? Nederlanders zijn in de greep van het lustprincipe. Waar zuinigheid en soberheid eens hoogtij vierden, heerst nu het schaamteloos genot. Wat is er gebeurd met die nuchtere, calvinistische Hollanders?

HET CALVINISME van de Nederlanders behoort tot de taaiste concepten die ooit in omloop zijn gebracht. De termen ‘calvinisme’ en 'calvinistisch’ hebben de kleur van een veroordeling aangenomen. Wanneer we medeburgers van calvinisme betichten, vinden we hen streng voor zichzelf en voor anderen, moralistisch, zuinig misschien, zedig in ieder geval (afgezien van enkele compenserende excessen), gelovig, weinig plooibaar in oordeel en gedrag, maar ze hebben vooral moeite met genieten.
Wie hardop suggereert dat het calvinisme zijn beste tijd gehad heeft, stuit op antwoorden die variëren van 'het heeft nooit bestaan’ tot 'het is onuitroeibaar’. Toch is er veel veranderd: we maken schulden (hoewel volgens de deskundigen niet te veel), we vinden vrije tijd onmisbaar, we hebben geen zin meer om een half jaar in Saudi-Arabië te werken of we functioneren doelbewust onder ons niveau, in de veronderstelling daarmee de stress te ontlopen. Het genieten en opeisen van persoonlijke vrijheid en ruimte zijn met de affluent society aan een onstuitbare opmars begonnen: we hebben recht op plezier, we willen in het kader van onze persoonlijke ontplooiing over de stoep, door rood licht en tegen het verkeer in kunnen fietsen, we volgen een helaas niet fiscaal aftrekbare cursus Reichiaans Ademen en we vinden dat moderne mannen moeten huilen, omdat ze anders toch onmogelijk in contact kunnen zijn met hun gevoelens. Kerngezonde rouwprocessen worden vervangen door therapieën, alsof de pijnlijkheid van de pijnlijke ervaring - the real thing! - niet langer acceptabel is. Hughes beschreef de klaagcultuur van het dolgedraaide, narcistische ego, en W.H. Auden voorspelde: 'Hele kosmogonieën zullen op een of ander vergeten persoonlijk gevoel van wrok worden gebouwd.’
En dan die oeverloze emoties, die volstrekt gratuite meningen - wie is er nog geïnteresseerd in facts and figures? Het overwaarderen van emoties en opinies past bij het overwaarderen van het indidividu, met zijn nukken en grillen, en de maximale bewegingsvrijheid die het als vanzelfsprekend opeist; wanneer we Norman O. Brown mogen geloven blijft terugkeer naar de kindertijd, met haar betoverende maar infantiele illusie van almacht, het onverwoestbare doel van de mens. Het individu begint zoveel te eisen dat het zichzelf op den duur in de weg moet gaan zitten: de wens om álles te ervaren (of moeten we zeggen: de angst om iets te missen) leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat daarvoor onvoldoende tijd ter beschikking staat. En natuurlijk is er altijd de vergelijking met de Anderen. In een recent artikel in Society over de Amerikaanse babyboomers ('these people who look younger than they are’) die het hier beschreven patroon in optima forma lijken te vertonen, stelt Pepper Schwartz vast hoezeer zij gefixeerd zijn op 'dieet’, 'oefening’, 'aantrekkelijkheid’. In het tijdperk van de flexibele werknemer moeten ze blijven concurreren, en - zouden we eraan willen toevoegen - het moderne ego heeft het te druk om te willen worden herinnerd aan sterfelijkheid.
Misschien waren diezelfde Amerikanen ons lichtende voorbeeld; vooral vanaf de jaren tachtig begonnen ze op reusachtige schaal geld uit te geven dat ze nog moesten verdienen ('read my lips, no new taxes’). Dit resulteerde in een bestedingsorkaan waar de wereld van meeprofiteerde en die tot aan vandaag voortwoedt. Maar op een dag, zo dreigde een redacteur onlangs in de Herald Tribune, slaat de realiteit toe, zelfs in de economie.
DAT ER IETS was veranderd, bleek duidelijk toen Nederland in mei 1988 Europees voetbalkampioen werd; ook de zege in de halve finale op West-Duitsland had al tot een nationale vreugde-uitbarsting geleid die herinneringen opriep aan die andere bevrijding: de vaderlanders sprongen van pure opgewektheid in grachten en kanalen, en ze schreeuwden onbekenden gelukwensen toe. Op de televisie werden Braziliaanse voorbijgangers geïnterviewd: 'Nederlanders kunnen geweldig feestvieren. Jullie zijn de Brazilianen van Europa’, riepen ze met vrolijk glimmende voorhoofden naar de camera.
Dé Brazilianen van Europa? Wat was er gebeurd met die 'nuchtere’, calvinistische Hollanders? Eind jaren tachtig waren de house parties populair geworden (hier werd het genoegen eindelijk eens tot extatische hoogten opgevoerd), Music Box zond vierentwintig uur per dag videoclips uit en het leek erop dat mensen elkaar steeds onomwondener de waarheid begonnen te zeggen, zeker toen in de krant had gestaan dat je van al dat verzwijgen maar maagzweren kreeg. Verdwenen waren de stotteraars die voor de televisie nauwelijks uit hun woorden kwamen; de nieuwe genotzoeker ging er eens breed voor zitten ('in de eerste plaats’, 'u moet ook niet vergeten dat…’) en zijn ontboezemingen werden met het jaar intiemer - de eerste symptomen van de bizarre schaamteloosheid waar in onze dagen Menno Buch zo handig van is gaan profiteren; openhartigheid bleek een vernuftige variant op het narcisme.
De laatste jaren wordt het land - in de greep van het Lustprinzip - volgebouwd met pretparken; er zijn vrijwel permanent festivals aan de gang en de grote moderne kunstexposities worden door massa’s bezocht die het daaropvolgende weekend gewoon weer naar Eurodisney afreizen.
Wanneer we de babyboomers mogen geloven, lijken hun kinderen geen serieuze problemen meer te ondervinden bij het genieten; ze leven in een 'eeuwig heden’ en stellen geen vragen meer over de herkomst van de welvaart, die ze trouwens ook niet meer als zodanig herkennen. Langzaam maar onafwendbaar sterft dat romantische calvinisme af: de restaurants (met edelhert op de menukaart), zonnebankcentra en sauna’s worden volgeboekt door de eerste generatie Nederlanders die zonder enige reserve of schuldgevoel geniet; het denken wordt niet meer gehinderd door ouderwetse sentimenten als 'plicht’ en 'schuld’, maar aangedreven door genotzucht, door de diepgaande overtuiging dat we op aarde zijn om te genieten en dat we er ook recht op hebben. De Kees-van-Kootens hebben nog wel eens last van anhedonia, maar hun kinderen en kleinkinderen stellen de sociale revolutie uit zolang merkkleding nog te bekostigen valt. Wie het genieten eenmaal onder de knie heeft, krijgt er niet snel genoeg van; waar Audens Oxford Don nog zijn bedenkingen had ('I don’t feel quite happy about pleasure’), boort C.S. Lewis misschien een diepere laag aan: 'All joy… emphasizes our pilgrim status; always reminds, beckons, awakens desire. Our best havings are wantings’ (uit Simpsons Contemporary Quotations).
ZE KUNNEN ONS van alles wijsmaken, maar niet dat het calvinisme nog steeds onze héle cultuur kenmerkt. Natuurlijk zullen er altijd individuen zijn die prediken dat niets eeuwig is en die hun libido voeden met mentale zelfkastijding, hel en verdoemenis, maar deze Savonarola’s zijn van alle tijden; onze jongere schrijvers worstelen momenteel meer met hun stilistische vermogens dan met hun protestants-christelijk verleden. Langzaam maar zeker is Nederland in de greep van het genoegen geraakt, alsof de zelfbeheersing is bezweken onder de druk van een mysterieus langdurige voorspoed (ook de economie werd anticalvinistisch). Beperkingen, discipline en inschikkelijkheid beginnen op kwaliteiten van vroeger te lijken, terwijl kritiek steeds vaker wordt opgevat als een narcistische krenking. Onze politici maken nooit fouten, ze worden hooguit niet goed geïnformeerd.
Maar misschien wacht het calvinisme, als een resistent virus, kalm op de eerstvolgende weerstandsvermindering, een economische instorting die tot de gebruikelijke roep om een Ethisch Réveil en een Nieuwe Soberheid zal leiden - want hoe hedonistisch we ook zijn geworden, lang niet iedereen heeft zich bevrijdt van de gedachte dat meevallers en voorspoed uiteindelijk strafbaar blijken te zijn. Laten we het Nederlandse genieten bestuderen zo lang het nog kan.