Volgens een internationaal onderzoek is Canada, na Nieuw-Zeeland, in economisch, sociaal en cultureel opzicht het aangenaamste land ter wereld om in te wonen. Begrijpelijk dus dat de meerderheid het zekere voor het onzekere neemt en het verstandshuwelijk in stand wil houden.
Precies een van de charmes van Canada is dat het niet veel nationale identiteit bezit. Dat verruimt de blik tot over de landsgrenzen. Het heeft Canadezen meer open gemaakt dan hun zuiderburen voor invloeden uit Europa en van immigranten. ‘De Canadian Dream is anders dan de Amerikaanse’, zegt opinieonderzoeker Allan Gregg, ‘hij is minder gericht op individueel succes en meer op vreedzaam samenleven.’ Maar vreedzaam samenleven wordt moeilijker als de werkloosheid stijgt (elf procent nu in Quebec) en de nationale koek kleiner wordt. Dan lijkt bij de verdeling ervan het grootste stuk altijd naar ‘de ander’ te gaan. Vreedzaam samenleven werd ook bemoeilijkt door de leiders van enkele Engelstalige provincies die, om het lokalisme van hun eigen kiezers te behagen, weigerden om het zogenaamde ‘Meech Lake’-akkoord te ratificeren. Dit moeizaam bereikte compromis uit 1987 gaf Quebec een aantal bevoegdheden terug die het door de grondwetsherziening van 1982 had verloren.
Een veel ruimere overwinning van het non-kamp zou dan ook mogelijk averrechts hebben gewerkt: het zou de Engelstalige arrogantie aangewakkerd hebben en zo misschien een nieuwe cyclus van regionalisme in gang hebben gezet. Hopelijk zijn beide partijen nu genoeg geschrokken om een betere verstandhouding te vinden.
De globalisering van de wereld is een onstuitbaar fenomeen. Dat verhoogt het gezamenlijk potentieel, maar tegelijk is het bedreigend omdat het de vorm aanneemt van een kolossale uniformering. De hele economie, culturele produktie inbegrepen, komt meer en meer in handen van steeds minder Engelstalige mega-bedrijven. Het is niet toevallig dat Quebec, een eiland in een Angelsaksische zee, vreest overspoeld te worden. Maar een eventuele onafhankelijkheid van Quebec zou niet meer betekenen dan de oprichting van een overbodig politiek monument voor de nostalgie. Op hun nieuwe nationale feestdag zouden de Quebecois nog altijd hamburgers eten bij McDonald’s, voor hun tv hun sportteam toejuichen in de Amerikaanse liga en daarna misschien een Disney-filmpje pikken.