TONEEL

Het Centrum & De Marge

TONEEL De negen gesels van Ivo van Hove (2)

_In zijn negenstappenplan om het toneel gereed te maken voor de 21ste eeuw droomde Ivo van Hove, de baas van Toneelgroep Amsterdam, zich tijdens de openingstoespraak van het Theaterfestival een centrum van zes grote of middelgrote gezelschappen. Dit centrum (Rotterdam, Den Haag, Amsterdam, Eindhoven, Arnhem en Groningen) manifesteert zich in de grote zalen.

Van Hove: ‘In de ruimte die daar omheen ontstaat kunnen spannende en inventieve projecten ontwikkeld worden die dat centrum verrijken, in vraag stellen, bevechten. Het biedt een kader om de achterhaalde tegenstelling tussen avant-garde en establishment op te lossen in het maken van mooie voorstellingen. Deze herinrichting van het theaterlandschap is een voedingsbodem voor een nieuwe generatie. Een sterk centrum schept ruimte voor een sterke marge.’

Dat ruikt naar oude argumenten. Bijvoorbeeld naar de culturele spreidingsgedachte van de sociaal-democraten in de jaren vijftig. Een fatsoenlijk land dat kunst toegankelijk maakt voor een breed publiek. Iedere provinciestad een eigen schouwburg (meestal zonder een budget om te programmeren, laat staan zelf te produceren). De grote en middelgrote gezelschappen sjouwden met hun toneel door het land. De vrije producenten, de musicals, de kleinkunstenaars sprongen uiteindelijk in het programmeringsgat dat van bovenstaande het resultaat was. Met veel succes. En in de stroomversnelling die na 1969 – dankzij of ondanks de Aktie Tomaat – ontstond, kwamen er kleine groepen toneelmakers die kozen voor de kleine ruimte.

Ivo van Hove (ondertussen een grote speler in het landschap) verfoeit dat nu. Hij spuugt in de bron waaruit hij zelf heeft gedronken. Waar Van Hove in zijn negenstappenplan aan voorbijgaat, is dat het toneel in die kleine ruimte altijd kort is gehouden. Spraakmakende groepen als ’t Barre Land, Dood Paard, Growing up in Public en dna – ik beperk me even tot de Nederlandse praktijk uit recente jaren – kregen steeds nét voldoende geld om niet te sterven, en ruim onvoldoende budget om te kunnen maken wat ze willen maken.

In het organiseren van hun overleving zijn deze groepen creatiever dan de grote spelers in het landschap. Die houden (qua techniek, kantoor, overhead) liever alles bij het oude. Ik heb onder Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam trouwens ook weinig initiatieven gezien om vanuit zijn sterke centrum in het voortbestaan van kleine spelers in de marge bij te springen.

Wat heeft Ivo van Hove ondernomen om jonge regisseurs te coachen en te ondersteunen? Oliver Provily deed bij hem één grote zaalregie. De dagbladpers serveerde Provily collectief af. Resultaat: exit Oliver Provily. Moed? Ondersteuning van ‘de marge’? Dankzij het ‘sterke centrum’? Laat me toch niet lachen!

Het loont de moeite om terug te keren naar een eerdere spreker die het Theaterfestival ooit opende. Ritsaert ten Cate, toneelmaker, beeldend kunstenaar. Andere tijd – het was 1992. Maar erg veel anders dan de situatie nu…? Ten Cates toespraak zat vol verhelderende citaten. Peter Sellars, theatermaker. ‘Nieuwe gedachten komen niet meer van politici. En zeker niet van de economen. Die zijn verloren. De beurt is weer aan de kunst om nieuw leiderschap te tonen. Anders hebben we alleen nog maar de beelden van kranten en televisie. Die zijn tot stilstand gekomen. Versteend.’

Het verontrustende van Ten Cates boodschap was dat de kunstenaars zélf versteend waren geworden. Versteend in de taal van hun natuurlijke tegenstanders: ambtenaren en politici. De kunstenaars waren – aldus Ten Cate – hun eerste taak vergeten: vechten voor de waardigheid van de kunst. Ten Cate had daar een paar ondertitels bij bedacht die nog steeds gelden en die een mooi argument vormen in het debat met Ivo van Hove: ‘Het aardige van kunst is nu juist dat zij ruimte schept, onze ervaringen vergroot, ons begrippenarsenaal uitbreidt in plaats van beperkt, onze fantasie stimuleert en nieuwe gezichtspunten oplevert, menselijke waarden herkenbaar maakt, ons bewustzijn met andersoortige exercities confronterend om bij de pinken te blijven.’

In het licht van de 0,05 procent van de totale uitgaven die het rijk in die tijd overhad voor de ondersteuning van de kunsten had Ritsaert ten Cate ook een mooie anekdote bij de hand. Toen Brecht in 1948 in Berlijn terugkwam werd hem gevraagd wat hij nodig had. Geld zei hij. Daar zorgen we voor, was het antwoord, anders nog iets?

Meer geld, zei Brecht._