Essay in het kader van de lezingenreeks Amsterdam in verandering

«Het centrum, mijn huis»

De ondergang van de krantenwijk aan de Nieuwezijds Voorburgwal, de vergissing van het gebouw van de Nederlandse Bank, het monster de tram. In de tweede aflevering van de lezingenreeks ‹Amsterdam in verandering› rakelt H.J.A. Hofland, centrumbewoner voor vijftig jaar, historische vergissingen en hoogtepunten op.

Mijn vroegste herinnering aan de binnenstad van Amsterdam gaat terug tot het begin van de jaren dertig. In de familie van mijn vader heerste een tweestrijd. Het vooruitstrevende kamp was van mening dat het Rokin zo snel mogelijk moest worden gedempt; de conservatieven streden voor het behoud van het doodlopende grachtje. De scheiding liep dwars door de familie. Tante Bets, die verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis was, stond aan het hoofd van de conservatieven. Ik haal mij haar voor de geest: een grote vrouw met een krachtige persoonlijkheid. «Wat komt ervoor in de plaats!» riep ze aan de kerstmaaltijd. «Hebben jullie daar wel eens aan gedacht? Dat weet niemand! Ik voorspel je: dat wordt rotzooi!» Het Rokin werd gedempt, en, zoals dat wel meer in deze stad gebeurt, de conservatieven kregen gelijk toen het te laat was.

Als Rotterdams jongetje van een jaar of zes ging mij deze vete niets aan. Een paar keer per jaar nam mijn vader mij mee naar de hoofdstad. Ik verheugde me, want dan gingen we naar de Oudemanhuispoort, een schemerige krocht met boekenkraampjes. Ik kreeg een boek: Vrijbuiter Triplex van Paul d'Ivoi of een meesterwerk van Gustave d'Aimard over het leven van de zeerovers in de Caribische Zee. Daarna weer eens het huis bekijken waar hij geboren was, de Hemonystraat 22. We liepen naar de Magere Brug — in mijn ogen een van de interessantste Amsterdamse bouwwerken. Dan langs de Amstel naar het Frederiksplein. Voor de Amstel, en ook voor de grachten had ik een lichte minachting omdat er geen eb en vloed was. Het bezoek werd besloten met een kopje thee in restaurant bodega Keyzer. In het midden stond een reusachtige potkachel, waaruit een dikke buis opsteeg die na een paar bochten in het plafond verdween. Dat zijn mijn vroegste herinneringen aan Amsterdam, in het bijzonder het centrum.

In januari 1950 heb ik me laten inschrijven aan de Universiteit van Amsterdam, de zevende faculteit, zoals die werd genoemd. Eerst in de Watergraafsmeer gewoond, Bunsenstraat 14, en toen uit die hel van eenzaamheid verhuisd naar de Nieuwezijds Voorburgwal 144, een kamer met uitzicht op de Mosterdpotsteeg. Hier beginnen de eigenlijke memoires van een centrumbewoner.

De Voorburgwal was voor mij, afkomstig uit de Rotterdamse woestenij, op zichzelf al een fantastische wereld. Even na de Martelaarsgracht begon de ongeneeslijke congestie van wat werd genoemd het beurtvaartcentrum. Daar waren de transport- en overslagbedrijven gevestigd, er werd voortdurend gelost en geladen, waarbij de vrachtwagens niet in de lengterichting maar graatsgewijs geparkeerd stonden. De trambanen van lijn 1 en lijn 2 waren meestal versperd. Het was er een chaos als die van een stad uit de Derde Wereld. Het verschil is dat niemand toen nog van de Derde Wereld had gehoord. De Voorburgwal gaf een surrealistische sensatie. Die werd voor mij versterkt door het décor van dit stadsbeeld. Donkere stegen, vooroverhangende huizen, dan het postkantoor als een voorloper van een paleis volgens Walt Disney, en aan de overkant van de Raadhuisstraat eerst de zware bakstenen uitstraling van het Telecommunicatiegebouw — wel mooi maar op de verkeerde plaats (ook een Amsterdamse hebbelijkheid waar ik later op terugkom) en dan begon de voortzetting van de Voorburgwal met andere middelen. Daar werd hij ook niet meer Voorburgwal maar Nieuwezijds genoemd.

Het Nederlandse oriëntatievermogen gaat vaak te rade bij het buitenland. Amsterdam is op deze manier al vlug «het Venetië van het noorden» genoemd. Ik zeg liever: Venetië is het Amsterdam van Italië. Nog voor de Rembrandttoren was voltooid, kwam iemand vertellen dat hier het Manhattan aan de Amstel in aanbouw was. Terwijl al eeuwen New York het Amsterdam aan de Hudson is. U weet wie de Griekse Harry Mulisch is. En zo was de Nieuwezijds niet de Fleetstreet van Amsterdam, maar Fleetstreet de Nieuwezijds van Londen.

Ik verhuisde naar de bocht van de Raadhuisstraat, nummer 43, vierde verdieping, een zolderkamer met alweer een potkacheltje. Een klassieke mansarde, voor 65 gulden per maand. Vier dagen per week liep ik het traject Raadhuisstraat — Oudemanhuispoort en terug. Regende het, dan was er toch een droog traject. Ik stak bij Hotel Polen het gedempte Rokin over, ging Hotel Polen binnen, kwam er aan de Kalverstraat weer uit. Aan de overkant was de ingang van de American Lunchroom. Die had weer een zijuitgang aan de Sint Luciënsteeg. Dat betekende een meter of driehonderd droog lopen. Bovendien de moeite waard. De Lunchroom werd beheerd door een vader en zoon die allebei op konijnen leken. Ze hadden dezelfde seksuele voorkeur, dat wil zeggen, ze vielen op vrouwen van tegen de vijftig. Die hadden allemaal een klassiek diensterspakje aan, wit schort en witte bloes met daaronder iets zwarts. Seks in de vroege jaren vijftig. Je keek je ogen uit. Daarna regende het weer tot de galerij van de Raadhuisstraat.

Aan de Nieuwezijds waren alle kranten van betekenis gevestigd, behalve de NRC. Het begon met het Algemeen Handelsblad. Daar werd De Groene gezet en gedrukt. Ook Elseviers Weekblad kwam er van de persen. Als ik me niet vergis had ook Het Parool er een deel van zijn productie ondergebracht. Aan de overkant was in 1949 De Telegraaf herrezen. Die gaf, zeer tegen haar zin, onderdak aan Trouw en Het Parool. Even verderop was de Volkskrant, en aan de Postzegelmarkt De Waarheid. En dan weer hogerop, richting Martelaarsgracht De Tijd in het Kasteel van Aemstel, en aan het Hekelveld Het Vrije Volk, de grootste krant van Nederland. Op niet meer dan een halve kilometer in het vierkant was driekwart van de landelijke pers gevestigd. Daar kwam het nieuws vandaan, daar werden de meningen gemaakt — voorzover de kranten van toen daartoe in staat waren.

Voor de journalistiek als vak had ik toen niet veel belangstelling, al was ik een fanatiek krantenlezer. Wat er profes sioneel op de Nieuwezijds gebeurde, ontging me. Veel boeiender was de Spuistraat tussen de Raadhuisstraat en het Spui. Daar waren een paar antiquariaten, gedreven door mensen die een roeping hadden. Bijna op de hoek van de Paleisstraat was Peters, die zich specialiseerde in de scheepvaart. Veel verder, richting Spui, resideerde een zwaar bebaarde man met een zwak voor esoterische handel. En op de hoek van de Rosmarijnsteeg en de Spuistraat was d'Eendt, van Hans Rooduijn. In zijn etalage had hij een gipsen kop van Christus gezet, boven omwikkeld met prikkeldraad, en rode inkt langs het gezicht. Zwak uitgedrukt: dat intrigeerde me.

Op een dag was ik in geldnood. Als dat je overkwam, verkocht je een paar boeken. Ik inspecteerde mijn planken, op zoek naar een grensgeval, vond Van oude en nieuwe Christenen, van Menno ter Braak. Dat, dacht ik, heb ik de rest van mijn leven niet meer nodig. Ging ermee naar d'Eendt, dat wil zeggen, ik ging voor het eerst de winkel binnen en zei dat ik dit boek wilde verkopen. «Ik geef een rijksdaalder», zei Hans Rooduijn. Ik zei: «Drie vijftig!» Hij zei: «Er wordt hier niet gemarchandeerd!» Ik dacht: een keurige man, en tevreden ging ik met mijn rijksdaalder naar huis.

Je moet geluk hebben. De Nederlandse literatuur van de jaren dertig, de schrijvers van Forum die ik bewonderde, hadden weinig oog voor Dada, het surrealisme, de radicale Duitsers van de jaren twintig als Bertold Brecht en George Gross. Rooduijn wist er alles van. Bij hem heb ik Flucht aus der Zeit van Hugo Ball, denker van de Dada, gekocht. Tot zijn blije verrassing. Hij heeft me alles verteld wat ik niet had gelezen. Hij was bovendien bevriend met Eugene Brandts, kende Constant, Corneille, Appel, onze geniale cineast Louis van Gasteren. Ze zijn allemaal een jaar of vier, vijf, zes ouder dan ik. Ze kwamen langs, in het kleine voorkamertje van de winkel, waar ’s winters het potkacheltje brandde. Ik had het gevoel dat ik asiel op de Olympus had gekregen. Nooit loop ik langs de hoek van de Rosmarijnsteeg en de Spuistraat zonder aan Hans Rooduijn te denken. Nu is daar uitgeverij De Harmonie van Jaco Groot gevestigd. Een volmaakte opvolger.

Een regel uit Brechts Trommeln in der Nacht: «In de krantenwijken wordt gevochten.» Vat deze simpele mededeling op als een openbaring uit een zeer nabij verleden. De kranten waren de heraut van de partijen, niet de makers en brekers, maar de markantste verlengstukken van de politieke macht. Op de Nieuwezijds bleek dat het duidelijkst de avond na de verkiezingen. Iedere krant had aan de gevel een bord waarop de uitslagen werden bijgehouden. De Waarheid had een groot schoolbord waarop een arbeider met krijt de getallen schreef; De Telegraaf beschikte al over een geavanceerde toverlantaarn. Op de Nieuwezijds stond de massa der burgers, alle partijen door elkaar. De felste tegenstanders stonden in groepjes bij elkaar naar de meest begaafde debaters te luisteren.

De verkiezingen van 1952. Een avond in mei, na een warme dag, windstil, de bomen al goed in het blad, de stembussen gesloten en politiek bewust Amsterdam paraat, op het asfalt van de krantenwijk. De tram kon er niet meer door. Groepsgewijs klonterde men samen, riep, schreeuwde, balde de vuisten, hief de handen ten hemel over zoveel domheid bij de tegenstander. Het werd donker, de lantaarns gingen aan, de uitslagen bleven binnenkomen, het werd steeds drukker. Af en toe ging er een hoeraatje op. Oude Pekela weer stevig in communistische handen.

In die tijd was ik partijloos links. Ik waagde me in de discussie, bracht iets in het midden over de communistische coup in Praag, toen drie jaar geleden. Een vrouw tegenover me keek me aan. Ze was een jaar of vijftig; steil, zwartgrijs haar langs haar gezicht. Ik zag hoe binnen een seconde haar verbazing veranderde in woede. Ze riep: «Laat jij dat maar aan vadertje Stalin over!» — met zo'n kracht dat er een mist van speeksel meekwam. Een fractie van een ogenblik maakte het lamplicht achter haar er een klein regenboogje in. De laatste politiek bewusten keerden pas huiswaarts als de eerste vogels zich in de bomen lieten horen. Diezelfde dag na de verkiezingen zag ik op de binnenplaats van de Universiteit Wim Klinkenberg het volksdagblad De Waarheid verkopen. De CPN had een stevige overwinning behaald; de arbeiders hadden zich niet door het kapitaal laten bedotten. Ze hebben toen 6,2 procent gehaald, tegen 7,7 vier jaar eerder.

Hoe langer ik in het centrum woonde, hoe meer ik het als mijn huis ging beschouwen. Zeer verschillend was het van wat nu centrum heet. Een groot deel van het gebied was van de kleine middenstand. Lopende van de hoek van de Spuistraat naar de hoek van de Kalverstraat kwam je langs een vulpennenwinkel, de banketbakkerij Lelieveld — de laatste in Amsterdam die nog harde Weners, ook wel herengebak genoemd, heeft gemaakt — daarnaast een viswinkel waar koningin Wilhelmina nieuwe haring liet halen als ze in het Paleis was, dan de expeditie-ingang van het Handelsblad, en op de hoek was sigarenmagazijn Het Paleis, leverancier van de Grote Club. Aan de overkant van de Nieuwezijds had je een drogist met drop uit de blikken trommel, en dan de Grote Club zelf, gebouwd tussen 1912 en 1914, een bolwerk van het Amsterdamse kapitalisme. Al een jaar of dertien, schat ik, kom ik iedere dag dat ik in Amsterdam ben door de hoge hal van de vorstelijke entree. Altijd denk ik dan even aan de regenten die dit voor zich hebben laten bouwen. En dan betreed ik een van die armoedige, slecht werkende liftjes die me naar de verdieping van de redactie brengt. Het regentenpaleis is verkaveld tot kantoren. Hoe is het mogelijk dat de koopmansmacht zich dit heeft laten overkomen?!

In mijn geheugen tekent zich een lijn van Amsterdamse conflicten af. Die begint bij de demping van het Rokin. En toen, nadat ik een jaar of vijftien later in Amsterdam wortel had geschoten en het plaatselijke nieuws wat beter had leren beoordelen, ontdekte ik gaandeweg dat opnieuw twee conflicten hier de openbare mening bezighielden. Het eerste ging over de nieuwe opera. De ene partij vond dat die zou komen op de plaats waar toen de oude RAI stond, in de buurt van waar nu het Okura Hotel staat. Van een tegenpartij uit één stuk kon je niet spreken. Men was verdeeld over het Frederiksplein en nog een paar andere locaties. Niemand vermoedde toen dat de opera en het stadhuis in elkaar zouden worden geschoven, om tegen het dubbele van het geraamde bedrag op het Waterlooplein te worden gebouwd.

Het tweede conflict had de IJ-tunnel tot inzet. Door een veelheid van omstandigheden waaraan de Amsterdammers ook niet alles konden doen, kwam het er maar niet van, dit tot vermaak van de Rotterdammers die al jaren en jaren zo'n tunnel onder de Maas hadden. Ik heb in die jaren gemerkt dat ik twee zielen in mijn borst koester. Ik kon het Rotterdamse leedvermaak niet delen, en ik was boos op de Amsterdammers die maar niet het geld en de besluitvaardigheid konden vinden om aan het bouwen te gaan. Toen is de verlosser gekomen, in de gedaante van de nieuwe burgemeester Gijsbert van Hall. Als socialist met een bankiersverleden wist hij wat de stad nodig had en waar het geld gehaald kon worden. Hij sloot een lening in Amerika. Zo is met dollars onze tunnel gebouwd. Het verhaal daarvan kunt u lezen in zijn Ervaringen van een Amsterdammer.

Het derde conflict had voor mij komieke trekjes, bij een treurige kern. Ik begin bij de kern. Zoals alle oude steden is Amsterdam de vorige eeuw overweldigd door twee golven van de nieuwe tijd. Eerst kwam de trein. In die tijd waren alle stadsbesturen ervan overtuigd dat het spoor tot in het hart van de stad moest doordringen. Waar je ook kijkt, in Rome, New York, Londen of Amsterdam: de grote stations staan in het centrum. Men besefte toen dat zonder het spoor de binnensteden tot afsterven waren gedoemd. In Amsterdam doet wel de eigenaardige theorie opgeld dat het Centraal Station op de verkeerde plaats staat, omdat daardoor de toegang tot het water wordt afgesneden. Maar kijk goed: het IJ als watervlakte is daar niet veel bijzonders en je moet er niet aan denken wat er met het overigens zo moeilijk toegankelijke centrum zou zijn gebeurd als het CS bijvoorbeeld op de plaats was gebouwd waar nu het Concertgebouw staat. Het CS staat daar goed; nog altijd. Dit terzijde.

De komst van de trein bevorderde overal de moderne cityvorming. Het centrum bleef het brandpunt van het zaken leven en de cultuur. Toen kwam de tweede golf: die van de particuliere auto. Daardoor zijn alle centra overspoeld. Met verdere cityvorming had het toen afgelopen moeten zijn. Maar wie beschikt over een zo vooruitziende blik? In Amsterdam toen weinigen, en die hadden het niet voor het zeggen. Het was in deze dagen dat hoofdcommisaris H.A.J.G. Kaas jager verscheen met de boodschap: demp de grachten! Van het Open Havenfront tot een stuk van de Amstel moest de zaak dichtgegooid.

Was hij in deze dagen met dit plan gekomen dan had hij de lachers op zijn hand gekregen, en men had hem ervan verdacht dat hij eens markant in het nieuws wilde komen. Het tragische is dat hij als een ziener werd beschouwd. Ik citeer Geert Mak, Kleine geschiedenis van Amsterdam: «Het meest tekenend waren de reacties van honderden die het plan toejuichten, als een symbool van de nieuwe tijd. ‹Elke grote wereldstad is een mengelmoes van oud en nieuw›, schrijft iemand in een ingezonden brief. ‹Alleen Amsterdam wil oud en verrot en zeventiende-eeuws blijven… Kom, kom!!!›»

Nu kunnen we om de heer Kaasjager lachen. Maar, zij het van bescheidener allure, er zijn veel meer cityvormers voor hem en na hem geweest. Aan het citydenkbeeld hebben we De Bazels Nederlandse Handelmaatschappij te danken, wat mij betreft een prachtige klomp baksteen, maar op de verkeerde plaats, want de Vijzelstraat daar morsdood slaand. Dat vond men al in 1923, toen het voltooid was. De Handelmaatschappij ging op in de ABN Amro. Die besloot, toen het parkeerprobleem Amsterdam al tot de lippen was gestegen, er nog een geweldige nederzetting naast te bouwen. De halve Vijzelstraat is bankgebouw. De bank emigreert naar de Zuid-as, maar de gebouwen krijg je niet meer weg.

Misverstanden met de stadsontwikkeling, historische vergissingen, een bedrieglijke tijdgeest, gedane zaken waarvoor je niemand persoonlijk verantwoordelijk kunt stellen. Maar nu kom ik in mijn memoires van een centrumbewoner aan de stedenbouwkundige ramp die mij, toen die zich ten slotte voltrok, door de ziel heeft gesneden. We weten allemaal nog wel een beetje dat op het Fredriksplein het Paleis voor Volksvlijt heeft gestaan en dat het in 1929 is afgebrand. Niet helemaal. Er werd omringd door een U-vormige galerij waarvan de buitenkant bestond uit twee rijen huizen van drie verdiepingen, gebouwd in een stevige negentiende-eeuwse stijl. Binnen de U, waar het Paleis had gestaan, was een parkje. De Galerij zelf, met een vloer van al gebarsten terrazzo, bestond uit een reeks van gietijzeren pilaren met bijbehorend hekwerk en een dak gesteund door boogvormige gietijzeren constructies. Een droom.

Toen moest de Nederlandsche Bank verhuizen. Met miskenning van alles wat een moderne bank nodig heeft, werd besloten dat het nieuwe gebouw op de plaats van de Galerij zou komen. Ik heb het monument zien afbreken, dag na dag heb ik de verwoesting gevolgd, en dames en heren, ik heb dat als de grootste Amsterdamse gruwel op het gebied van stadsbeheer ervaren. Er is een mooi fotoboekje uitgegeven door Boekhandel de Verbeelding. Daarin heeft Rudy Kousbroek een tekst geschreven waaruit ik hier citeer — omdat ik het niet beter kan zeggen dan hij. «Dertig jaar gingen voorbij na de brand waaraan de Galerij ontsnapt was. En toen, na een wereldoorlog heelhuids te zijn doorgekomen, is de Galerij alsnog vernietigd; kapot geslagen in opdracht van de Amsterdamse Ceaucescu’s om plaats te maken voor een talentloos bankgebouw.» Kousbroek noemt de reeks foto’s «de registratie van een onherstelbare tragedie».

Ik kom tot een ander hoofdstuk uit de memoires. Toen ik hier in 1950 kwam wonen, maakte ik op een van de eerste dagen al kennis met het grote vraagstuk van deze stad, het vraagstuk dat als een mythologisch monster telkens in een andere gedaante verschijnt, maar altijd met hetzelfde effect. Het stuurt de zaken in de war. Dat monster heet de tram.

De trajecten van lijn 4 en lijn 9 kruisten elkaar waar de Bakkerstraat uitkomt op de Amstel. Precies op dit kruispunt stond, een week nadat ik me in Amsterdam had gevestigd, een auto geparkeerd. De wagens van lijn 9 maakten file tot op de Blauwbrug; die van lijn 4 tot ver in de Utrechtsestraat. Politie gealarmeerd. Die ontmaskerde de parkeerder: de directeur van de tram, ingenieur W.B.I. Hofman. «Toen de politie reeds de kraanwagen had besteld, kwam de directeur echter hard aanlopen», meldde de krant op 15 november 1951 (geciteerd door B. Korthals Altes, in zijn boek Onze tram, pagina 336).

Trams van de modellen die in Amsterdam reden, had je toen al nergens anders meer. De bijwagen van lijn 2 was het mooist: een koetsje op vier wielen, met een middenbalkon en dan opstapjes naar de twee compartimenten. Het achterste gedeelte was de rookcoupé. Als de conducteur de indruk had dat alle passagiers die eruit wilden op straat stonden, en mutatis mutandis van buiten naar binnen, belde hij af. Dat wil zeggen, hij trok aan een lange leren veter die door de hele tram liep. Daarmee stelde hij een soort fluit in werking, die een zwiepend geluid maakte. De tram ging rijden. Soms was de indruk van de conducteur niet goed. Er was te vlug «afgebeld» en daardoor een passagier bekneld geraakt; meestal een bejaarde of een invalide. Dan verscheen er een vlammend artikel van H.A.A.R. Knap in het Amsterdams Dagboek, ook in Het Parool.

Meer dan een halve eeuw ben ik klant van het GVB. Veel directeuren en wethouders heb ik zien komen en gaan. Nooit zelf bekneld geraakt. Maar er is nog geen dag geweest waarop ik niet iets heb meegemaakt waarover Henri Knap een vlammend artikel had kunnen schrijven.

De Amsterdamse tram heeft iets ongeneeslijks. Het eigenaardige van deze stad, en in dit opzicht het kenmerkende, is dat de echte Amsterdammers eraan gewend zijn en denken dat het zo hoort. Ze brengen hun beroemde humor in het geweer, ze verwijzen naar hun nog beroemder tolerantie, en als iemand ze vertelt dat hij het in andere wereldsteden, nog groter en cosmopolitischer dan deze, anders heeft meegemaakt, zeggen ze: je moet niet zeuren, je moet niet zo mopperen, niet somberen. Ze zien wel dat er iets ontbreekt, ze kankeren zelf nog harder op de tram dan wie ook. Maar dit is voor de vreemdeling, degene die niet het onversneden Amsterdamse bloed in de aderen heeft het raadsel: ze doen er niets aan, of ze doen alsof ze er iets aan doen. Ze leven ermee.

Zo kom ik vanzelf op nog een paar dingen die me ter harte gaan, ingrijpende veranderingen die de stad diep zullen beïnvloeden. De eerste is de voorspoedige ontwikkeling van de Zuid-as, en de groei van Schiphol — niet van elkaar te scheiden en samen de redding van Amsterdam als een vitale internationale stad. Het alternatief is niets anders dan een groot dorp dat ten prooi valt aan het toerisme dat, bij voortgezette economische groei, nu eenmaal de toekomst zal hebben. Daar valt dan niets aan te doen. Het is het goedkoopste en het middelbare toerisme, een beweging die vergelijkbaar is met eb en vloed, maar dan verdeeld over de seizoenen. Ik ben van mening dat welke stad dan ook die voor zijn economie voornamelijk op deze bron is aangewezen, ten slotte zal gaan lijken op een badplaats in de winter. Maar dat is een voorspelling die niet tot mijn memoires hoort.

Het gaat over de veranderingen van de afgelopen tien tot twintig jaar in het centrum. Die hebben ons niet louter verbeteringen gebracht. Integendeel. Ik heb er vaak over in de krant geschreven, zodat ik me beperk tot een samenvatting.

Het was al aan de gang, maar vooral sinds het Damrak is omgetoverd tot «de rode loper» is deze boulevard verder prijsgegeven aan de middenstand van patat en porno. Intussen heeft het gebied van de Wallen zich uitgebreid en wint zichtbaar terrein tussen de Voorburgwal en het Singel. Het Rokin tussen de Dam en de Munt verweert zich, maar de Reguliersbreestraat is kennelijk door het gemeentebestuur vrijwel opgegeven. Op de Dam zelf wordt regelmatig een poging tot herovering gedaan, de voorlaatste keer door het plein opnieuw te bestraten, maar ook al ten gevolge van de verwoestende invloed van de kermis is dat mislukt. Die mislukking heeft 1,3 miljoen gulden gekost.

Nu hebben we weer een nieuwe Dam, mooier dan ooit, ten koste van 25 miljoen gulden (of zoiets, ik ben de tel kwijt). Het zal me benieuwen hoe deze zich houdt onder de aanstaande kermis die op 14 juni begint. Je moet niet zo klagen, mopperen, somberen, hoor ik alweer zeggen. Dat doe ik niet. Ik geef uitdrukking aan mijn verbazing. Hoe het mogelijk is dat een stadsbestuur, na de grootste moeite te hebben gedaan om iets zo mooi mogelijk te maken, zoveel mogelijk nalaat om het in die staat te houden?

Met een goede vriend, gestorven, heb ik vaak verschil van mening gehad over de Amsterdamse onofficiële ideologie. Een wereldstad, zei hij, kan niet zonder herrie, gewoon volksamusement. En daar horen ook de hoeren en de pooiers bij, de bedelaars en de verslaafden, misdaad, bordelen, onderwereld, gevaar. Hij was een romantisch en zeer energiek, optimistisch man. Ik mis hem. Dan was het weer mijn beurt om iets te zeggen. Natuurlijk heb je in een wereldstad al die dingen die je hebt opgenoemd, zei ik. Maar het verschil tussen die andere steden en deze is dat ze daar dit onvermijdelijke bestrijden, terwijl die onofficiële Amsterdamse ideologie wil dat je het eigenlijk stiekem de ruimte moet geven en tussen neus en lippen door moet verheerlijken. En dan kwam ik weer met de wereldstad der wereldsteden aanzetten waar het naar mijn diepste overtuiging beter werd aangepakt, en nog steeds wordt. Goedkope en dure smeerlapperij zijn beide niet te vermijden. Dat begrijpt iedereen. Maar je wordt beoordeeld naar de manier waarop je een en ander behandelt.

Memoires uit het centrum. Op 1 mei 1953 kreeg ik een tijdelijk baantje op de redactie buitenland van het Algemeen Handelsblad. Dat was een typisch Amsterdamse krant, door mijn grootvader gelezen. In Rotterdam lazen we de NRC. Als kind had ik wantrouwen tegen het Handelsblad gekoesterd, vooral vanwege Bruintje Beer. Nu werkte ik er zelf. Ik heb het niet als verraad beschouwd, maar wel heeft het me een paar jaar gekost om mijzelf als mens van het Handelsblad te beschouwen. Wat er met deze krant is gebeurd, hoort tot een ander deel van mijn memoires. Ik kom terug op wat ik hiervoor heb verteld, de Nieuwezijds als de krantenwijk. Ook hier heeft het verkeer zijn verstikkende werking gedaan. Ik geef u daarop een kleine toelichting. Voor distributie in het land was het Handelsblad afhankelijk van de spoorwegen. ’s Middags om een uur of half drie moest dus de eerste editie in auto’s van de drukkerij naar het CS worden gebracht. De chaos op de Voorburgwal bij het beurtvaartcentrum kon al betekenen dat er een of twee treinen werden gemist. Iedere seconde telde. Nu werd het verkeer op de driesprong Voorburgwal-Raadhuisstraat nog niet door lichten beheerst. Daar stond een agent met een bord dat op stop of groen kon worden geklapt. Deze agent werd door het liberale dagblad omgekocht. Iedere keer als er een Handelsblad-auto naderde, klapte hij op groen en kreeg daarvoor een douceurtje, en een maal per kwartaal een fles sterke drank. Later heb ik gehoord dat ook de andere kranten zich aan dat soort corruptie schuldig maakten.

Het heeft niet geholpen. Eerst ging De Telegraaf naar de Basisweg, toen Het Parool naar de Wibautstraat. De Waarheid was al naar Felix verhuisd, Trouw en de Volkskrant verhuisden ook naar de Wibautstraat, en intussen waren de NRC en het Handelsblad al gefuseerd en was de redactie van de nieuwe krant in Rotterdam gevestigd. Dat was het eind van de Nieuwezijds als krantenwijk. De laatste keer is daar gevochten in juni 1966, en niet zo zuinig. Dat heeft de burgemeester zijn betrekking gekost.

Was er, vraagt men zich nog wel eens af, door deze concentratie van kranten ook een journalistencultuur? Je hoort er veel over vertellen, als was het een romantische legende, maar ik betwijfel het. De journalist als type staat op de tekeningen afgebeeld als een jongmens met hoedje achterop zijn hoofd, een sigaret in zijn mond en potloodje met een blocnote. Na zijn stukje te hebben geschreven, zijn berichtje te hebben gemaakt, gaat hij naar het café waar hij de collega’s ontmoet, en dan laten ze zich volgieten. Een journalist die aan dit signalement beantwoordt, heb ik hoogst zelden gezien. De redacties waren ook in vriendschappelijke contacten verzuild. Mijn meeste vakgenoten herinner ik me als brave heren die op tijd naar huis gingen en op tijd weer present waren. Eerder ambtenaren dan journaille.

Maar hoe zat het dan met Scheltema, het — alweer legendarische — journalistencafé? Het Scheltema dat ik in het midden van de jaren vijftig heb leren kennen, was geen journalisten café, al kwamen er wel journalisten. Het was ook geen artiestencafé, al zag je er artiesten. Het was een rumoerige mengelmoes, waar veel is verzonnen dat voor die tijd zeer nieuw was. Om u een indruk te geven: Robert Jasper Grootveld, oerprovo; Wim T. Schippers, beeldende kunstenaar en televisiemaker; Hans Koetsier, conceptualist; Joop van Tijn en Rinus Ferdinandusse, journalisten; Rijk de Gooyer, veelzijdig acteur; Jacques Gans, columnist; Jantje Peters, schilder; Johnny van Doorn, literatuur; Jan Cremer, schrijver en schilder. Veel anderen. Je moet erbij zijn geweest om te beseffen wat ze toen in die lage, berookte ruimte teweegbrachten. Veel later zijn Hans Koetsier en ik er eens plechtig gaan kijken. We bleven in de ingang staan, keken om ons heen, naar het zorgvuldig in stand gehouden interieur. Ja, zei Hans, de uitgebrande hel.

Intussen ben ik meer dan een halve eeuw bewoner van het centrum. De jaren dat ik er niet heb gewoond, heb ik er in ieder geval gewerkt. Op 1 juli verhuizen de Amsterdamse redacties van het Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad naar een onderkomen ergens aan de Herengracht. Daarmee is de ontruiming van de krantenwijk voltooid, een hoofdstuk van de geschiedenis van Amsterdam afgesloten. En hiermee wil ik ook deze kleine selectie uit de memoires van een centrumbewoner beëindigen. Er is onmetelijk veel meer te vertellen. Misschien later.