Het centrum van de wereld

In het dagelijks leven is hij hoogleraar te Amsterdam en doet hij onderzoek naar culturele beeldvorming. Maar eens in de drie weken zakt hij af naar zijn geboortegrond, Limburg. En d††r speelt de roman die hij schreef. Een streekroman, in het Limburgs. Interview met professor Joep Leerssen: ‘Avantgardistisch? Ik ben gewoon onderdeel van een mode.’ ..LE HIJ KOMT UIT Mheer, een ruim duizend inwoners tellend dorpje aan de Belgische grens. Eens in de drie weken zakt hij van Amsterdam af naar het Limburgse om mee te spelen met de dorpsharmonie. Dwarsfluit en piccolo.

Hij is goedlachs, draagt zijn zwarte gilet over een witte blouse en heeft een halfwas baardje. Zonder ironie zegt hij dat hij bezig is met een theorie over stereotypevorming in de literatuur.
Enkele jaren geleden schreef professor Joep Leerssen (42), hoogleraar moderne Europese letteren aan de Universiteit van Amsterdam, zelf een roman. ’t Verhaol Muringe mŠt en z¢nder Paulien gaat over een jongeman die in zijn Limburgs geboortedorp zijn jeugdliefde opzoekt. Het meisje is aan het afkicken. Op de middelbare school raakte ze aan de heroãne verslaafd.
Een streekroman.
De achterflap: ‘Via dit book kint der lŠezer probere veur binne te dringe in ’t Verhaol Muringe, mŠt zien mythies verleije en zien minsjelike en b••veminsjelike inwoenersj. Mer Muringe is aoch ’t Verhaol van der Jef en de Paulien, 'n onversjtendig en ¢nvolwasse ex-k”ppelke oe-van elk alleing mer besjtŠŠt in de druime en herinneringe van der anger.’
De schrijver, om toelichting gevraagd, kenschetst het boek als 'een caleidoscopische beschrijving van een herinnering aan een dorpsleven’.
EENS, IN EEN mythische oertijd, toen het dorp Muringe nog een Paaseiland was midden in de oceaan, leefde er een koene ontdekkingsreiziger. Zijn naam was Sjang Pisang. Op een van zijn reizen ontdekte hij Maastricht. Vanaf dat moment maakte Muringe deel uit van het Europese vasteland.
Zonder spoor van ironie vertelt Leerssen: 'In Muringe zijn merkwaardige historische en antropologische patronen zichtbaar. Zo is er de transmutatio trajectenis: de Maastrichtse verandering. Muringenaren die naar Maastricht trekken krijgen aldaar geheugenverlies. Ze vergeten dat ze uit Muringe komen en denken dat ze Maastrichtenaar zijn.’
Het boek gaat over herinneren en vergeten. Over hoe mensen met hun verleden omgaan. In Muringe, als in elke dorpsgemeenschap, wordt het verleden niet doorgegeven op schrift, maar door borrelpraat in de kroeg. De dorpsgeschiedenis is een mythische cultuur van sterke verhalen.
De Muringenaren zijn allen wel ergens familie van elkaar. Zo kan niemand eenling zijn. Alle inwoners zijn deel van het collectief. Niemand gaat in zijn eentje naar de film of zit alleen op de bank voor de tv.
Leerssen: 'Het boek speelt in een plattelandsgemeenschap. Het is een streekroman. Tegelijkertijd is het ook het ¢mgekeerde van een streekroman. Want volgens mij is een streekroman in essentie een boek ¢ver een streek v¢¢r een stadspubliek. De streek wordt tentoongesteld. De streekroman is exotisch. De boeren van Antoon Coolen en Marie Koenen lezen geen boeken. Die staan met hun knoestige, eeltige knuisten het land om te ploegen. Er bestaat een radicale scheiding tussen de handelende personen in de streekroman en het publiek dat over hen leest.’
In Duitsland, legt hij uit, is onderzoek gedaan naar de lezers van de Heimatroman. Dat bleken overwegend mensen te zijn die twee of drie generaties van het landelijk bedrijf afstaan en er nostalgisch naar willen omzien.
Ook in Limburg bestaat een gretig publiek voor nostalgische en ouderwets geschreven streekromans. Het zijn mensen die zich vervreemd voelen door de grote veranderingen die in hun gemeenschap plaatsvinden. Mensen die in het Limburg van na de mijnsluitingen willen lezen over hoe het was toen de mijnen nog werkten. Zoals ze toen er nog mijnen waren, wilden lezen over het platteland van voor de industrialisatie.
Leerssen: 'Ik wilde Limburg beschrijven vanuit de beleveniswereld van de betrokkenen zelf. Daarom schrijf ik ook in het Limburgs. Niet in ABN over boeren op het land, maar van binnenuit schrijf ik in de taal van de mensen die in de jaren zeventig in dat dorpje leefden.’
Een streekroman van binnenuit dus. In een van nostalgie ontdaan Limburgs dorpje. Dat betekent hippe jongeren die naar de nieuwste rockmuziek luisteren, joints blowen en alleszins met beide voeten in de moderne wereld staan. Vijftien jaar oud verhuisde Leerssen zelf van Maastricht naar Mheer.
Leerssen: 'Ik kwam met de traditionele sjablonen in mijn hoofd. Maastrichtenaren hebben een zeer steedse mentaliteit. Ze kijken neer op de boeren van het platteland. Zo toog ik naar dat dorpje.’
Eenmaal in Mheer ontdekt hij dat de tegenstelling stad-platteland niet bestaat. Mheer is geen gesloten gemeenschap. Heel open juist. En tolerant. De puberende jongere Leerssen kan er zijn eigen gang gaan. Hij voelt zich veel vrijer dan in het burgerlijke Maastricht.
'Er werden veel feesten georganiseerd in het dorp. Dat was iets traditioneels dat je in de stad niet had. Daar kende ik de disco’s in John Travolta’s Saturday Night Fever-stijl. Dat was hip. Dat was modern. In de dorpszaal kwam ÇÇn bandje spelen. Dat had zo'n jaren-vijftigsfeer. Maar het bleek dat zo'n bandje alles speelde wat er onder de zon te koop is. Dat begon met walsjes en tango’s, ging over op top-veertigwerk, en opeens hoorde je een twintig minuten durende uitvoering van Child in Time. Heavy metal-achtige dingen. Dat was meestal ook het moment waarop vanuit de hoeken van de zaal de geestverruimende dampen opstegen. Niemand deed moeilijk. Ik vond dat zeer opmerkelijk.’
SJANG PISANG ontdekt op zijn reizen de vreemdste zaken. In Maastricht treft hij een heel interessante architectuur van patatkramen aan, 'fritures’ volgens Leerssen. Het betreft een soort kathedralen met veel glas in lood en in Gaud¡-stijl. Ze zijn ontworpen door de bekende Roermondse architect Cuypers. Die van het Centraal Station en het Rijksmuseum in Amsterdam.
Sjang Pisang blijkt ook betrokken te zijn geweest bij de grote revolutie die ooit plaatsvond in Muringe. Cruciale rol daarin speelde het afgodenbeeld van het dorp. Sjang Pisang stal het en liet een groot aantal kopie‰n maken opdat niemand meer wist wat het origineel was. Daarmee was de uitvinding van de tuinkabouter een feit. De oer-tuinkabouter is het afgodenbeeld van de Muringse dorpsgemeenschap.
Zijn groteske gedachtenspinsels heeft Leerssen quasi-antropologisch opgeschreven. Hij drijft de spot met de blik van buitenaf. Met de antropologische verslagen en met de streekromans die gemeenschappen in al hun merkwaardigheid beschrijven.
Zijn onderwerpkeuze is niet bepaald nieuw, weet Leerssen: 'Verhalen die spelen op het platteland zijn de laatste tijd sterk in de mode. Net als in films kiest men in romans steeds nadrukkelijker voor een rustieke couleur locale. Het boek Waterland van Graham Swift, dat een paar jaar geleden de Bookerprize won, is zo postmodern als de neten. Met onbetrouwbare vertellers en ironische levensvisies. Maar het speelt in een omgeving van zompige boeren en uit de klei getrokken sluiswachters. Heel opmerkelijk. Bruce Chatwin schreef On the Black Hill, dat zich afspeelt op de grens tussen Engeland en Wales. Postmoderne streekromans. Je ziet ze overal de kop opsteken.’
Zijn platteland is een antitraditioneel gebied. De avond in het dorpshuis is veel gevarieerder dan die in de disco met John Travolta en een stroboscoop. Brokstukken tekst uit de buitenwereld komen van alle kanten over het dorp heen waaien. Helemaal in de specifieke situatie van een grensdorp, zegt Leerssen. 'Mijn vader zei: “We zitten hier in de buurt van drie hoofdsteden, Brussel, Luxemburg en Bonn, en heel ver van onze eigen hoofdstad Amsterdam.” En inderdaad, Mheer ligt dichter bij Athene, Rome en Marrakech dan Amsterdam. Daarom is het een veel kosmopolitischer oord. Ook in talig opzicht is het een kakofonie. De stomste boer heeft landerijen aan twee kanten van de grens en spreekt twee drie talen. Ik ervoer het alsof ik aan de rand van Nederland leefde maar in het centrum van de wereld.’
Twee impulsen gaan hand in hand. Aan de ene kant is er de wil tot vooruitgang en modernisering, het idee dat civilisatie bevrijdend werkt, een opvulling van ons menselijk potentieel is. Dat is het wezen van cultuur. Tegelijk bestaat het idee dat het belangrijk is om terug te kunnen vallen op de natuur, op tijdloosheid. Het bezinnen op de wortels.
Leerssen: 'Dat besef komt met name op wanneer de maatschappij in hoog tempo moderniseert, zoals in de negentiende eeuw met de industrialisering, in de jaren vijftig tijdens de wederopbouw en in de jaren zestig met de ruimtevaart en de versnelling van de technologische ontwikkeling. Dan gaan communistische sociologen vanzelf macrobiotische paddestoelen telen op het platteland.’
De supermarkt verkoopt het vlees in een zakje met een plaatje van 'vleeschhouwers uit 1880’ erop. Het aura van ambachtelijkheid. Snelle ontwikkelingen en grote veranderingen maken dat wat niet verandert zeldzaam.
Leerssen: 'Wij zijn een heel merkwaardige generatie. Nederland is voor het grootste deel minder dan twintig vijfentwintig jaar oud. Alle snelwegen, de meeste huizen, de buitenwijken, de nieuwbouw. Het grootste gedeelte van Nederland is minder oud dan de gemiddelde Nederlander. Die heeft zijn land onder zijn kont vandaan zien veranderen. Daarvan krijgt men soms het idee dat het land op drift raakt. En dan krijg je weer een hernieuwde waardering voor de zeldzame oude gebouwen. Het stadsherstel en de oude grachtenpandjes. Het gaat om een en dezelfde ontwikkeling.’
IN EEN BOERDERIJTJE nabij Muringe komt een kunstenaar wonen. Hij spreekt Nederlands. De kunstenaar heeft een oude auto die niet meer door de APK-keuring komt. Daar heeft hij maar een kunstwerk van gemaakt. Hij heeft het ding helemaal bruin gespoten en teksten uit het boek Prediker op de carrosserie gespoten: 'IJdelheid der ijdelheden. Alles is ijdelheid.’ Zo kan hij voortaan APK- en belastingvrij rondrijden.
De kunstenaar ontmoet de jongeman die naar zijn liefde zoekt tijdens het doen van een plas. De mannen spreken over representatie. De kunstenaar is benieuwd naar wat zich buiten het kader van zijn doeken afspeelt. Hij heeft het idee dat hij steeds door een sleutelgat kijkt en maar een beperkt deeltje van de werkelijkheid ziet.
'Zo dringt de lezer ook die dorpsgemeenschap binnen. Want in hoeverre kun je de rijkdom van het leven in een verhaaltje vangen?’ roept Leerssen. Hij voegt er snel aan toe: 'Het is trouwens helemaal geen goeie kunstenaar hoor. Echt derderangs.’
Als kunstliefhebber ziet hij hoe Limburg anno 1998 in bloei staat. Medio vorig jaar schreef hij een regeringsadvies op basis waarvan het Limburgs voortaan is opgenomen als offici‰le streektaal in het Europees Handvest voor streek- en minderheidstalen. Theater, dichtkunst en popmuziek in het Limburgs. Er gebeurt van alles.
Leerssen signaleert een bewustwording van de regio: 'Men gaat heel onbevangen vanuit de eigen klompen cultuur bedrijven. Zonder de omweg te maken via de randstad. Neem de Nederlandse popcultuur. Die is in de jaren zestig en zeventig volledig Engels geweest. Ik denk dat een golf van buitenlandse inspiratie zo'n twintig jaar bepalend is voor een cultureel bedrijf. Eind jaren zeventig krijg je opeens een opleving van Nederlandstalige muziek. Na verloop van tijd ontdekt men dan weer de inspiratiemogelijkheden die in de moerstaal liggen. Hetzelfde principe zie je nu in de regio.’
Leuk voor streekgenoten, maar wanneer het zoals in Leerssens geval om een mooi boek gaat, is dat ook irritant. De schrijver zit er niet mee. Verzoeken om een vertaling wijst hij af. Zijn boek is onvertaalbaar. Zolang het een beetje geheimzinnig blijft, staat ook niemand op om te roepen dat het helemaal zo briljant niet is. Bovendien schreef hij het in de eerste plaats als liefhebber, met het genot van iemand die op zijn hobbyzolder een Eiffeltoren van lucifers in elkaar knutselt.
Het verbaasde hem hooglijk dat een boel mensen het boek apprecieerden. 'Ik was helemaal niet zo avant-gardistisch als ik dacht. Ik was gewoon een onderdeel van een mode.’