In een luttel aantal jaren is de Brits-Duitse historicus Adam Tooze van een relatief onbekende academicus getransformeerd in een exemplaar van die schaarse diersoort van de mondiaal bekende intellectueel. Sinds de publicatie van Crashed in 2018 – het meeslepende verslag van de Grote Financiële Crisis – mag Tooze zich tot de denkende elite rekenen die de opiniepagina’s vol schrijft van kranten als de Financial Times, The Guardian, The New York Times en Le Monde Diplomatique.

Terwijl zijn academische carrière toch echt begon met tamelijk technische boeken over de geboorte van de statistiek in Duitsland (Statistics and the German State, 1900-1945 uit 2001), de financiering van de Duitse oorlogsinspanning (Wages of Destruction, 2006) en het begin van de Amerikaanse hegemonie in het interbellum (Deluge: The Great War and the Remaking of Global Order, 2014). Stuk voor stuk boeken die makkelijk de indruk kunnen wekken dat Tooze, net als andere historici, een periode-expert is. In het geval van Tooze van het interbellum in het algemeen en van Duitsland en de VS, zijn nieuwe vaderland, in het bijzonder. Maar niets is minder waar.

Voor de buitenwereld kwam Crashed, zijn poging om een kroniek van de Grote Financiële Crisis te schrijven, wellicht als een verrassing, voor hemzelf was de continuïteit in thematiek juist erg groot. ‘Net als in Statistics and the German State en Wages of Destruction ging Crashed over de monetair-financiële logistiek van centrale banken, swap-lines en obligatiemarkten, die de voertuigen vormden van de infrastructurele macht van de VS’, zegt Tooze. ‘En dat geldt ook voor mijn andere onderzoeksinteresse: in hoeverre was de financiële crisis een Amerikaanse crisis? In welke mate luidde de crisis het einde van de naoorlogse Pax Americana in? Hoe effectief was het Amerikaanse crisismanagement vergeleken met dat van andere staten en regio’s? En was het Amerikaanse falen compleet of was het alleen het politieke systeem dat uit zijn hengsels hing? Het waren dezelfde vragen die ik in Wages of Destruction en Deluge had gesteld, maar dan in een andere fase van de Amerikaanse hegemonie: toen aan het begin ervan, nu aan het einde. En of we op dit moment inderdaad het einde van de Amerikaanse hegemonie beleven is vooralsnog een open vraag.’

Aan Philip Graham, de voormalige uitgever van The Washington Post, wordt de uitspraak toegeschreven dat journalisten de eerste schets van de geschiedenis schrijven en historici de tweede. Het suggereert een arbeidsdeling waarin journalistieke verslagen van gebeurtenissen de ruwe grondstof vormen voor historische monografieën die de gebeurtenissen niet alleen in hun juiste volgorde plaatsen – de historiografie van ‘one damn thing after another’ – maar ook context geven, de causale verbanden ertussen blootleggen en de onderliggende tijdlagen uitgraven: de historicus als archeoloog dus. In beide taakopvattingen is de stilzwijgende aanname dat de journalist eerst komt en dat de historicus-archeoloog pas ten tonele verschijnt wanneer het stof is neergedaald.

Meer nog dan de onderwerpkeuze – de Grote Financiële Crisis met zijn jargon van shadow banking, margin calls, collateralized debt obligations, en mortgage backed securities – verbaasde de actualiteit van Crashed de kenners van het werk van Tooze. Als iets de historiografie van de crisis kenmerkt, dan is het dat zij zich nog in de eerste fase bevindt, de fase van het verzamelen van data, gebeurtenissen, inzichten en interpretaties. De fase dus van onvolledigheid, ondoorzichtigheid en controverse. En dat is het domein van de journalist, niet van de historicus.

Ook dertien jaar na dato is de crisis namelijk nog geen dode geschiedenis. En om dat in te zien hoeven we alleen maar naar de Nederlandse wooncrisis te kijken. Wanneer is de huizenprijsstijging begonnen? Wat zijn de oorzaken van de Nederlandse bankencrisis geweest? Waarom zijn we wereldkampioen hypotheekschuld geworden? Welke rol spelen deze oorzaken bij de huidige wooncrisis? En waarom is de prijsdaling na de crisis tijdelijk geweest en zijn de prijzen anno 2021 allang weer hoger dan ze in 2008 waren? En belangrijker nog: waarom is het antwoord van de elite op de crisis ‘bouwen, bouwen, bouwen’ en niet het verder aanscherpen van bijvoorbeeld de leenvoorwaarden of het verbieden van securitisatie? Niet de bouwkraan moet open, maar de geldkraan moet dicht.

En datzelfde geldt voor Trump en de Brexit. Zou het referendum over lidmaatschap van de Europese Unie er ooit zijn gekomen als de Europese Commissie in de nasleep van de crisis Griekenland niet zo onverbiddelijk op de versoberingspijnbank had gelegd? Zou Trump ooit de verkiezingen hebben gewonnen als Obama’s reddingspakket niet vooral bij de banken terecht was gekomen terwijl armlastige Amerikanen hardvochtig uit hun huis werden verdreven? Oftewel: de crisis is geen dode gebeurtenis maar bevindt zich nog altijd aan deze zijde van de temporele horizon van ons heden. Wat doet een historicus daar?

‘Ik heb professioneel een tamelijk dramatische metamorfose doorgemaakt’, zegt Tooze. ‘Toen de Grote Financiële Crisis uitbrak, in 2008, werkte ik in Cambridge aan Deluge. Op dat moment speelde de crisis zich in de periferie van mijn blikveld af. Cambridge is de spreekwoordelijke ivoren toren waar je je makkelijk afsluit van de wereld om je heen. Dat veranderde toen ik in de zomer van 2009 naar Yale in de VS verhuisde. Net als Cambridge is het de hofleverancier van de elite. Maar anders dan Cambridge was dit een veel politiekere, veel meer geëngageerde omgeving. Mijn studenten waren actief in de lokale en nationale politiek, waren nauw betrokken bij Occupy Wall Street, werden geworven door de kabinetten van Obama. Het straatrumoer van de crisis drong op allerlei manieren mijn collegezaal binnen.

Dat plantte het zaad van mijn eigen engagement met het heden. Niet onmiddellijk, pas tijdens het hoogtepunt van de eurocrisis in 2012 en 2013. Met lede ogen zag ik hoe de Europese politieke elite het project van Europese integratie, waar ik als kind van Brits-Duitse ouders mij het meest mee verwant voelde, verkwanselde. Als praktiserend historicus wist ik dat mijn eigen métier altijd nauw verbonden is geweest met het project van natievorming. Geschiedenis is gebruikt om van boeren Fransen te maken; van Kelten, Saksen en Angelen Britten; en van Hoog- en Nederduitse stammen Duitsers.

Het was het zetje dat ik nodig had om mij zonder professionele gêne te storten op het schrijven van een geschiedenis van het heden, om te schrijven over zaken, personen en gebeurtenissen die niet ver van je af staan, maar, om het zo te zeggen, mij onder te dompelen in onmiddellijkheid en nabijheid, in medias res. Het was het begin van de meest dynamische, meest creatieve periode van mijn loopbaan. Ik begon driftig alle publicaties en rapporten van onderzoeksjournalisten en instellingen als de Bank for International Settlements (bis door te spitten, op zoek naar inzichten die mij in staat zouden stellen de achterkant van het geaccepteerde verhaal te vertellen. Namelijk dat de crisis was begonnen in de zuidelijke staten van de VS, waar burgers zich te buiten waren gegaan aan een hypothekenbonanza, doordat Chinese exporttegoeden als een golf van goedkoop geld over de VS waren gestroomd, dat door de implosie van de huizenprijzen de Amerikaanse banken in de problemen waren gekomen, dat het daarna via de interbancaire markt in Europa terecht was gekomen, terwijl de rest van de wereld alleen maar last had van de kopersstaking in de VS en de EU die dat veroorzaakte – dat verhaal, eindeloos herhaald door het politieke en financiële establishment.

Er bleek niets van te kloppen. Ik weet nog als de dag van gisteren dat ik tijdens een romantisch uitje met mijn vrouw naar Parijs op het hotelbed een bis -rapport lag te lezen – zo’n man ben ik – en dat ik een grafiek tegenkwam die vertelde dat de geldstroom van China naar de VS een beekje was vergeleken met de rivier van kapitaal die van Europa naar de VS stroomde. Het sloeg in als een bom. Die hypothekenbonanza was gefinancierd met Europees geld, niet met Chinees geld. Niet de Amerikaanse banken hadden hun hand overspeeld, maar de Europese. En de rest van de wereld werd niet alleen economisch geraakt maar ook financieel. Het was niet Draghi die de wereld heeft gered maar Bernanke, niet de Europese Centrale Bank maar de Amerikaanse Federal Reserve. Niet de VS waren de reus op lemen voeten, maar Europa was dat. En niet de westerse democratieën waren genereus voor hun burgers, de Chinezen waren dat: steun was er in het Westen alleen voor banken geweest, zowel in de VS als in de EU, terwijl de steun van Beijing wel direct in de portemonnee van Chinese burgers terechtkwam. Het Chinese crisismanagement was superieur aan het Amerikaanse en Europese.

De publicatie van deze revisionistische verhalen in 2018 heeft mijn leven op zijn kop gezet. Ik wil mezelf niet op de borst kloppen, maar Crashed is voor veel financiële journalisten het startpunt van eigen onderzoek geworden. Ik ben onderdeel van een gemeenschap van kritische financiële onderzoeksjournalisten geworden. Twitter speelt daar een belangrijke rol in. Ik leer van hen, krijg data, rapporten en papers toegestuurd. En omgekeerd word ik om de haverklap door onderzoeksjournalisten gebeld met het verzoek mijn licht te laten schijnen op het faillissement van een Chinese vastgoedbelegger, de opkoopprogramma’s van de ecb of de Green New Deal van Joe Biden. Het is spannend, verslavend en ook ietwat onveilig, vergeleken met de ivoren toren van Cambridge: de ervaring dat je niet alleen toeschouwer bent maar ook participant, dat jouw begrip van de gebeurtenissen een rol speelt bij de inschattingen die politici, toezichthouders en bestuurders ervan maken. Het komt neer op meeschrijven aan geschiedenis in wording. Toch kan ik het iedere historicus aanraden: geen betere manier om te ervaren dat het heden altijd meetrilt in wat je schrijft.’

In de eerste jaren na de publicatie van Crashed drong het langzaam tot de buitenwereld door dat het volgende project van Tooze een traditionelere vorm van geschiedschrijving zou betreffen: de geschiedenis van de milieubeweging. Op Twitter en in zijn blogs doken steeds vaker verwijzingen op naar rapporten over klimaatopwarming, biodiversiteitsverlies en broeikasgassen.

En toen meldden in december 2019 in de Chinese provinciestad Wuhan tientallen inwoners zich bij de medische autoriteiten met een mysterieuze longaandoening. Begin januari werd de eerste dode geteld. Een paar weken later was het virus geïdentificeerd – Covid-19 – en mocht niemand in Wuhan en omstreken zijn huis meer uit. Twee maanden later, op 12 maart 2020, betitelde de Wereldgezondheidsorganisatie (who) de uitbraak formeel tot een pandemie en ging even later de hele wereld op slot.

Voor Tooze, met zijn gezin woonachtig in New York, begon, net als voor de rest van het sedentaire deel van de mensheid, een bestaan van zoomen, online winkelen, spaarzame blokjes om met de hond als enige uitje, en het ingewikkelde fysieke en emotionele ballet van meerdere mensen met verschillende taken, verantwoordelijkheden en voorkeuren in de beperkte ruimte van huis of appartement. Zojuist weggelopen uit het oog van de storm van de Grote Financiële Crisis en een goed heenkomen gezocht in de betrekkelijke luwte van de geschiedenis van de milieubeweging was deze nieuwe storm voor Tooze een buitenkans om de methode van zijn geschiedenis van het heden los te laten op gebeurtenissen waar hij zelf deelgenoot van was en die zich als het ware om hem heen ontvouwden.

Het resultaat is begin september verschenen en draagt inderdaad, zoals Tooze vorig jaar aankondigde, de titel Shutdown, en niet het voor de hand liggende Lockdown. Het is een met veel vaart geschreven reconstructie van de pandemie, met een grote nadruk op de economische en financiële consequenties en een gedetailleerde beschrijving van de politieke beslissingen die aan de wieg hebben gestaan van de gigantische reddingspakketten die zijn gebruikt om economieën draaiende te houden.

Net als bij Crashed is het een mondiale reconstructie geworden – Tooze schiet moeiteloos van Bergamo naar New York, van Londen naar Beijing, van Parijs naar São Paulo, en van Johannesburg naar Moskou – en net als bij Crashed leunt Tooze daarvoor op het uitzoekwerk en de gedetailleerde verslaglegging van journalisten en de onderzoekers van multinationale organisaties. En net als bij Crashed spreekt uit de hoofdstukken over China bewondering voor de effectiviteit van het Chinese bureaucratische apparaat, zowel bij de bestrijding van het virus zelf als bij het opvangen van de sociaal-economische gevolgen van de maatregelen die werden getroffen om de verspreiding ervan tegen te gaan. En net als bij Crashed krijgt de Amerikaanse technocratie, gegroepeerd rond de Federal Reserve, de eer het mondiale financiële stelsel in de lucht te hebben gehouden en daarmee het ontstaan van een financiële crisis binnen een medische crisis te hebben voorkomen. Een ook voor Tooze belangrijke nuancering bij de these van de vermeende Amerikaanse avondstond.

Anders dan bij Crashed is het oordeel over de politieke reactie in Europa en de VS deze keer gelijkluidend: beide hadden te laat in de gaten met welk viraal geweld ze te kampen hadden. Beide verkeerden te lang in de zelfgenoegzame veronderstelling dat de epidemie zich net als tijdens de Hongkonggriep en Sars tot Azië zou beperken. En anders dan bij Crashed is deze keer het oordeel over de beleidsreactie van de Europese politieke elites veel lovender dan die over het politieke apparaat van de VS, die pas met Joe Biden onder de nevel van het trumpisme vandaan wisten te kruipen. Volgens Tooze hebben beide onnodige doden op hun geweten, en hij meet dit af aan het succes dat China en andere Zuidoost-Aziatische staten wisten te boeken door veel sneller en harder in te grijpen, waardoor ze de langere en laksere maatregelen van hun Europese en Amerikaanse evenknieën wisten te ontlopen en grotere economische schade wisten te voorkomen.

Dat overal ter wereld – op enkele uitzonderingen na – in meer of mindere mate gekozen is voor hetzelfde pakket aan maatregelen om de mobiliteit van het virus in te perken, wordt door Tooze gebruikt als bewijs voor zijn stelling dat er wereldwijd grote morele vooruitgang is geboekt in de waardering van menselijk leven. Anders dan aan het einde van de Eerste Wereldoorlog tijdens de Spaanse griep, toen autoriteiten het virus vrij spel gaven, met honderden miljoenen sterfgevallen tot gevolg, heeft de wereldgemeenschap deze keer het lot van burgers zwaarder laten wegen dan andere belangen.

Dit welwillende oordeel schuurt met uitlatingen die Tooze ook in het boek doet, namelijk dat de maatregelen – op de Eerste en Tweede Wereldoorlog na – op een van de grootste herverdelingen van risico’s van oud naar jong uit de menselijke geschiedenis neerkomen. Kwetsbare ouderen zijn beschermd tegen immense sociale, economische en mentale kosten, die vooral zijn neergeslagen bij jongeren die van het virus zelf nauwelijks iets te vrezen hebben. En in de introductie van het boek schrijft Tooze dat de mortaliteit van het virus in vergelijking met de Spaanse griep en ebola gering is en stelt hij, onder het aanroepen van de commentator van de Financial Times, Martin Wolf, de vraag waarom overheden niettemin bereid bleken de schade te absorberen die het bestrijden van het virus met zich meebracht. Het korte antwoord luidt: omdat we het ons kunnen permitteren. Maar de politieke vraag die Tooze niet stelt, is wie zich dat wel en niet kunnen permitteren. En wie daar wel baat bij hebben en wie niet.

En dat is meteen de reden waarom Tooze zijn boek Shutdown heeft genoemd en niet Lockdown: behalve in het mondiale zuiden is de bevriezing van het sociaal-economische verkeer volgens Tooze niet het gevolg van staatspaternalisme (lockdown) maar van de voorzichtigheid van individuele burgers zelf (shutdown). We zijn niet ópgesloten, zoals de tegenstanders van de maatregelen stellen, maar hebben onszelf geïsoleerd. Pas daarna hebben de autoriteiten dat met wettelijke geboden en verboden geratificeerd. En dus strooit Tooze met data die dat aannemelijk moeten maken. Maar hij vergeet het andere terugkoppelingsmechanisme, namelijk dat burgers hun sociaal-economische actieradius hebben verkleind uit onzekerheid over de geboden en verboden die een beetje burger al op zijn klompen kon voelen aankomen. Wie boekt een vakantie, reserveert een tafeltje voor een verjaardag of kiest een trouwdatum als je weet dat er allerlei overheidsbeperkingen in de lucht hangen?

Tooze heeft uitdrukkelijk geen olympische coronaspelen willen schrijven, zoals hij het zelf noemt: geen ranglijst van landen die het het best of het slechtst hebben gedaan. Daarvoor moet je bij Peter Baldwins Fighting the First Wave (2021) zijn. Toch klinkt in Shutdown het oordeel door dat vroeg hard ingrijpen beter is geweest dan laat en laks of incoherent ingrijpen – een oordeel dat hier in Nederland bijvoorbeeld door de politieke partij bij1 wordt aangehangen en internationaal bekendstaat als de eliminatiestrategie. En dat baseert Tooze niet alleen op het lage(re) dodental in China en haar satellieten, maar ook op het hoge(re) dodental in landen als de VS, het Verenigd Koninkrijk en Italië.

Maar dat was het beeld in april. Zes maanden later is alles anders, zijn er opnieuw uitbraken in China, Nieuw-Zeeland en Australië, heeft Nieuw-Zeeland zijn eliminatiestrategie aan de wilgen gehangen, lijkt vaccinatiekampioen Israël een nieuwe besmettingsgolf tegemoet te kunnen zien en doet buitenbeentje Zweden het op dit moment op vrijwel alle fronten – besmettingen, opnames, sterfte en economische groei – beter dan bijna alle andere landen. Wat meer slagen om de arm bij dit soort oordelen zou Tooze beschermd hebben tegen de verdenking een whig-geschiedenis van het coronabeleid te hebben willen schrijven.

Adam Tooze – ‘Van Cambridge naar Yale: ik heb professioneel een tamelijk dramatische metamorfose doorgemaakt’ © Chris Sorensen / Redux / ANP

In een lange recensie in de New Left Review liet de Britse historicus Perry Anderson als enige in het koor van lofzangen op Crashed een contrapunt horen. De kern van Andersons bezwaar tegen het boek was dat het geen belangenanalyse bevatte. De bewondering van Tooze voor het financieel vernuft van de monetaire technocratie van de Federal Reserve en de ecb vergat de vraag te stellen naar het waarom. Waarom intervenieerden de monetaire autoriteiten op de manier en op de schaal waarop ze dat deden? Tooze nam genoegen met een herhaling van de motieven die zij daar zelf voor gaven: het mondiale financiële stelsel redden en financiële stabiliteit garanderen. Oftewel: het levenselixer van het alternatiefloze mondiale kapitalisme – geld – laten blijven stromen.

Anno 2021 weten we wel beter. De Nederlandse wooncrisis mag dat illustreren. De monetaire interventies van de ecb hebben in de hele EU de huizenprijzen tot recordhoogtes doen stijgen. Volgestopt met gratis liquiditeit zijn beleggers, groot (BlackRock) en klein (onze eigen rijke oom), wereldwijd op zoek gegaan naar renderende beleggingen, uitgekomen bij vastgoed, waarmee zij de prijzen en huren in vooral de geliefde grootsteden verder opdrijven. De echte belangen die achter de zogenaamd politiek neutrale motieven van de monetaire technocratie schuilgaan zijn dus de winstbelangen van de grote financiële instellingen: banken, verzekeraars, beleggingshuizen. Het is waar de draaideuren tussen toezichthouders en banken, de lobbypogingen van de financiële sector en de agenda’s van mannen als Draghi, Weidmann en Knot en van vrouwen als Lagarde van getuigen: veel gesprekken met grootbanken, terwijl burgers schitteren door afwezigheid.

Het was de afwezigheid van zo’n politiek-economische analyse die Anderson deed concluderen dat Tooze een geprivilegieerd lid van de kosmopolitische elite was, die schreef vanuit een centristisch, technocratisch wereldbeeld: zeg maar een middle of the road D66’er. Destijds stoorde de afwezigheid van zo’n belangenanalyse mij niet: waarschijnlijk gebruikte ik onbewust mijn eigen politiek-economische kennis van de Grote Financiële Crisis om die lacunes in te vullen, waardoor ik ze simpelweg niet zag.

Bij Shutdown wreekt dit zich echter. Door de politieke belangen – op een paragraaf over het einde van het neoliberalisme aan het slot van het boek na – niet te benoemen leest Shutdown als een lofzang op technocratie, ook in zijn Chinese, ondemocratische variant, en van de weeromstuit als een intellectueel afscheid van de westerse democratische traditie. Volgens Tooze is technocratie de enige hoop die wij hebben om ons te beschermen tegen de ecologische terugkoppelingsmechanismen van het Antropoceen, waar volgens Tooze de pandemie een van de eerste manifestaties van is. Het kleurt wat hij in het slot over klimaatverandering schrijft: mondiale coördinatie door experts bij het uitrollen van de technologische oplossingen van het ecomodernisme – zonnepanelen, elektrisch rijden, kunstvlees, windmolens en grootschalige koolstofopname – bij het gelijktijdig passeren van democratische inspraakmogelijkheden.

In hoeverre is Shutdown gevallen voor de totalitaire verleiding, vraag ik Tooze voorzichtig. ‘De totalitaire verleiding werpt net als in de jaren dertig onmiskenbaar zijn schaduw over het heden’, zegt hij. ‘En ik ben er de persoon niet naar om met veel misbaar en dramatiek tegen het opkomende totalitarisme te strijden. Ik ben niet de Camus die het opneemt tegen de Sartres van vandaag. Verwacht van mij niet de grote gebaren en holle retoriek van iemand als Tony Judt (collega-historicus die in 2010 is overleden – ee). Want aan het einde van de dag is het toch echt de Sovjet-Unie die de Tweede Wereldoorlog heeft gewonnen, niet de Europese en Amerikaanse democratieën. Is het Stalin geweest, en niet Churchill en Roosevelt, die Hitler heeft verslagen. En daar zit een les. Ook voor ons.

Mijn kantoor is vergeven van de schaalmodellen van de Russische T34-tank. Ik ben wat politiek temperament betreft een uitgesproken internationalist en een sociaal-liberale keynesiaan. Maar ik koester geen illusie over wie de Tweede Wereldoorlog heeft gewonnen, wie de ruggengraat van de Duitse oorlogsmachine heeft gebroken, en wie daar hun bloed voor hebben vergoten. Waar de T34 voor staat – en je kunt het vinden in de fenomenale romans van Wassily Grossman – is de sublieme grandeur van het vermogen van het stalinisme om mens, dier, grondstof, industrie en kapitaal totaal, volledig en onverbiddelijk te mobiliseren voor het verslaan van een onmenselijke tegenstander. Het vermogen om alles ondergeschikt te maken aan het bereiken van een groot, overkoepelend doel, dat is wat ik aan het stalinisme bewonder. En waar ik tegelijk van moet huiveren.

Ik heb het gevoel dat iets soortgelijks geldt voor het Chinese regime van dit moment. Het is een subliem spektakel dat het regime in Beijing opvoert. En weer subliem in de kantiaanse, esthetische zin. Het is fascinerend om naar te kijken, om over te lezen, ontzagwekkend in de letterlijke betekenis van het woord, en tegelijk gruwelijk. Maar, en daar komt het: het is niet voor ons. Het is de uitkomst van de Chinese geschiedenis, en die is niet de onze. Onze instituties zijn anders, ons temperament, onze cultuur, onze hiërarchieën functioneren anders, onze collectieve pijngrens ligt lager, en dus past het Chinese model van het totalitarisme ons niet. Net zomin als het stalinisme ons in de Tweede Wereldoorlog paste. Dat kun je betreuren of niet, maar het is een historisch gegeven.

Wat het wel doet is ons een spiegel voorhouden. Hoe gaan we de uitdagingen van de 21ste eeuw te lijf? De terugslagen van het Antropoceen, om het zo maar te zeggen. Hoe zorgen we voor een gezonde, nieuwe verhouding tussen zeggenschap en expertise, tussen demos en technocratie? Het Chinese totalitarisme is niet het antwoord, maar dwingt ons wel deze vragen opnieuw te stellen, en de antwoorden die we er na de jaren dertig op hebben gegeven opnieuw tegen het licht te houden. Zijn ze wel, om met Nietzsche te spreken, zeitgemäss?’