Essay: Karakterstudie van een christen-politicus

Het christelijke gehalte van Balkenende

Jan Peter Balkenende is een exponent van het «christelijke» volk, van gelovigen en ongelovigen, een volk met «christelijk» ordegevoel, dat met weerzin aanziet hoe zich in de schaduw van de consumptie- en fun-maatschappij een zorgwekkende demoralisering heeft voltrokken. Als men Balkenende gadeslaat, lijkt het soms of hij zelf niet weet tot welke categorie hij behoort: de gelovige of ongelovige. Een karakterstudie.

Denkend aan premier Balkenende kwam een vreemde associatie in mij op: een joods mopje. Sam richt een banaan op Moos en roept: «Handen omhoog of ik schiet.» Moos reageert in paniek: «Doe weg dat ding!» Sam kijkt hem lachend aan: «Het is toch maar een banaan.» Moos blijft echter roepen: «Doe weg, doe weg, als God wil, schiet een banaan.»

Het mopje stelt het idee aan de orde dat het leven van de mens in totaal is onderworpen aan Gods wil. Moos treedt op als vertolker van de mystieke geloofskern van zowel judaïsme, christendom als islam. Misschien heeft de bedenker van de mop dat idee ad absurdum willen voeren. Hoe het ook zij, hij heeft er in elk geval de grondgedachte en de overeenkomst van al die godsdiensten mee aangeduid.

Al duizenden jaren beroept men zich bij het besturen van samenlevingen op godsdiensten. Soms werd het bestuur volledig gedicteerd door een godsdienst en werd de mens als niets méér dan een stuk werktuig ten gerieve van een godheid beschouwd. Niet zelden echter gebruikten individuen — heersers of aspirant-heersers — de godsdienst als instrument om hun persoonlijke zeggenschap te vergroten, respectievelijk te vestigen. Ze zetten de leer naar hun hand en trokken als «monarchen bij de gratie Gods» de macht naar zich toe.

Inmiddels heeft zich via de Renaissance en de Verlichting in het Westen een secularisatie voltrokken. De godsdiensten zijn daardoor niet uit de wereld verdwenen, maar wel ingrijpend van karakter veranderd. Er zijn nu «moderne» gelovigen die de mystiek aan de wilgen hebben gehangen en ongelovigen die «de ouderwetse hemel met de vooruitgang hebben verwisseld», zoals Menno ter Braak het bijna zeventig jaar geleden uitdrukte. Hij noemde zichzelf in zekere zin een christen. «Ik erken dat ik een christen ben», schreef hij, «een erfgenaam, in wie alles instinct is geworden, wat in het voorgeslacht uit compromissen tussen heidense weerstanden en christelijke discipline werd opgebouwd. Ik aanvaard in deze christelijke vorm, zonder christelijke geloofsinhoud, de ‹menselijke waardigheid›, omdat het christendom door deze twee woorden wordt geklasseerd als onze modus vivendi.»

Toch zijn er nog steeds heel wat politici die er heil in zien zich in hun maatschappelijk streven op de christelijke godsdienst te beroepen. Er zijn zelfs partijen die verkondigen onmiddellijk door het christendom te worden geïnspireerd. Volkssoevereiniteit, democratie, sociale orde en vrijheids- en gelijkheidsideologieën hebben de richtingenstrijd echter zo gecompliceerd dat het bijzonder moeilijk is geworden uit te maken waar iemand die zich christen noemt precies voor staat. Als Jan Peter Balkenende namens het CDA opereert, dan heeft men de neiging aan te nemen dat de christelijke geloofsinhoud een bepalend element van zijn handelen vormt. Hetzelfde geldt voor Bush en Blair, die zich eveneens op hun christelijke overtuiging beroepen. Wie zich in hun levensbeschouwelijke posities verdiept, raakt echter al gauw het spoor bijster. Wat voor een christendom is het dat zij representeren? Is er in hun geloof ergens een plaats ingeruimd voor de goddelijke almacht of voor liefde en vergeving?

Als wij het politieke woordgebruik van Balkenende volgen, dan domineren daarin de begrippen, «stabiliteit», «zorgvuldigheid», «verantwoordelijkheid nemen». Er rijzen vragen. Is stabiliteit maakbaar? Kan zorgvuldigheid een waarborg bieden voor een gewenst maatschappelijk resultaat? Verantwoordelijkheid nemen jegens wie? Jegens God? Ik kan in Balkenendes benadering weinig van een christelijke geloofsinhoud ontdekken, veeleer een geest van rationalisme. Balkenende komt over als een rationalist die, omdat hij goed is in tellen, meent met zijn rekenkunsten de toekomst naar zijn hand te kunnen zetten. Dat zijn de zekerheden van de rationalist.

Die van Karl Marx werden tenminste nog gerelativeerd door de «metafysica» van de dialectiek. Hij gokte op de beurs in de wetenschap dat hij daarmee op het onberekenbare en ondoorgrondelijke speculeerde. Maar hij verloor, zodat zijn vriend Engels voor zijn schulden moest opdraaien.

Balkenende gokt niet; hij rekent met de zorgvuldigheid van een architect, en bouwt eigenhandig stabiliteit op. Hij neemt de verantwoordelijkheid, niet zozeer in vertrouwen op God als wel in vertrouwen op zijn eigen vooruitziende blik.

Het is misschien onrechtvaardig op grond van een aantal oppervlakkige uitspraken over het christelijk gehalte van Balkenende te oordelen. Om dat te kunnen peilen, is het om te beginnen nodig te weten wat zich heden ten dage als christelijke relevantie presenteert.

Voor het moderne protestants-christelijk denken is het werk van Karl Barth nog altijd representatief. Ik heb er voor het eerst mee kennisgemaakt in de winter van 1944, toen Joop den Uyl en ik samen op hongertocht waren. Lopend van Purmerend naar Heerhugowaard liet ik mij, als nog niet ingeburgerd immigrant, door Den Uyl de essentie van het christendom uitleggen. Terwijl hoog in de lucht Engelse bommenwerpers overvlogen, met het doel mensenlevens in Duitsland te vernietigen, wilde ik weten welke verlossing Christus de mensheid had geboden. «Daar vraag je wat», zei hij, een aanloop nemend tot een lang betoog. Hij schetste het panorama van het barthiaanse christendom met de elementen schepping, zonde, verzoening en verlossing.

Wat ik ervan begreep was dat God niet anders dan uit het geloof naar voren treedt. Zijn schepping veronderstelt van begin af aan de mens als bondgenoot. Het zijn van het door Gods geest bezielde lichaam van de mens is een zijn voor God en een zijn met medemensen. De mens was goed geschapen, hij was verbonden met de genadige God. Maar de mens had het verbond in een aanval van waanzin verbroken. Hier neemt Gods heilsstreven een nieuw karakter aan. Het vereist een nieuw verbond met de hele mensheid. Gods eeuwige streven voor de mens voltrekt zich binnen de tijd en de geschiedenis. God kan het verbond slechts herstellen door een daad van verlossing. Gods genade wordt hierin geopenbaard dat hij, ter vervulling van het verbond met de mens, zelf tot mens wordt in de gedaante van Jezus Christus.

God heeft zich in de menselijke gedaante en de ellende van het menselijk bestaan begeven om het mensdom te redden. Hij doet dat door op zijn aardse weg de broeder van de zondige mensen te worden. God wordt vlees teneinde met allen berecht te worden. En weer manifesteert zich de genade Gods, de liefde Gods tot de mens, want in plaats van over de mensen spreekt hij recht over zichzelf. In de berechting en de dood van Jezus Christus is het lot van de hele mensheid betrokken en logischerwijs zou daarom haar ook de dood beschoren zijn geweest. Maar Gods wil was anders: de wederopstanding van Jezus Christus was het signaal dat de mensen van de dood waren gered, waardoor de mensen licht, leven, vrede en bevrijding werd geschonken.

Denkend aan het contrast tussen het christelijke happy end en de bommenwerpers boven onze hoofden vroeg ik Joop den Uyl hoe dat paste in de tijd waarin wij leefden. Hij maakte een machteloos gebaar. Maar Barth wist er blijkbaar wél raad mee, want Joop kende een citaat waarin Barth verklaarde dat de machtige zonde onvergeeflijk blijft, dat zij een tegenstrijdigheid van de mens in zichzelf is tegenover de met hem verbonden God en als zodanig vernietigend, maar dat Gods genade nog machtiger is.

Wat ik uit dat betoog begrepen had, was dat christenen het zich, dankzij Gods liefde, konden veroorloven om verder te zondigen.

We zouden in de uitingen van Balkenende toch iets van de gedachtewereld van Barth moeten terugvinden om in het christelijke karakter van zijn politiek te kunnen geloven. Als representant van een partij die ook het katholieke volksdeel vertegenwoordigt, zoek ik in zijn politieke optreden bovendien de reflectie van aanwijzingen die plaatsbekleders van Christus in Rome hebben uitgevaardigd. Bijvoorbeeld Leo XIII. De vraag was toen (eind negentiende eeuw) en is nog steeds hoe individuen hun menselijke waardigheid kunnen behouden in een wereld gedomineerd door techniek en economie, een wereld waarin het menselijke wegkwijnt, hetzij door uitbuiting en armoede, hetzij door de woekering van een ongebreidelde lust, ofwel beide.

In de encycliek van paus Leo XIII, Rerum Novarum, werd de Kerk opgedragen te bemiddelen in de klassenstrijd. De taak van het christendom was sociale rechtvaardigheid na te streven. Zowel het marxistisch collectivisme als het economisch liberalisme werd afgewezen. Het privé-eigendom werd verdedigd, maar moest onder controle staan van een staat die het algemeen welzijn diende te waarborgen.

Van later datum zijn belangrijke filosofisch-christelijke werken van denkers als Jacques Maritain en Nikolai Berdjajev. De eerste, die een christelijk-humanistisch standpunt innam, onderscheidde een pluriformiteit van de menselijke geest en pleitte uit dien hoofde voor een christelijke democratie. Ber djajev onderscheidde drie belangrijke waarden bij de mens: existentie, geest en vrijheid. In de conditie van het menselijk bestaan zag hij drie verschillende niveaus: dat van lichamelijke wetmatigheden, dat van creativiteit en dat van verlossing.

O ja, er zijn ook christelijke leidslieden geweest die niets wilden weten van een christelijk-sociale orde. Bijvoorbeeld de Nederlander Henri Bruning, die schreef: «Een daadwerkelijk herstel der christelijke rechtvaardigheid onderstelt een zuiver godsdienstige, bovennatuurlijk gerichte apostolische activiteit; een zuiver politieke activiteit draagt hier niets toe bij; een daadwerkelijk herstel der sociale rechtvaardigheid is het resultaat van zuiver wereldse activiteit.» Met andere woorden, de activiteiten van het CDA zijn volgens Bruning per definitie niet christelijk.

Er valt voor een christelijk politicus over het beleid van een partij als het CDA desondanks heel wat te vertellen. Het is dan ook verwonderlijk dat zowel de binnen- als buiten wereld van die partij er zo onkundig van wordt gelaten. Balkenende moet het eerste publiekelijke woord van dien aard nog spreken.

Wie zich er als politicus op laat voorstaan de ideologische veren te hebben afgeschud, is of een filister of een cynicus die het schadelijk vindt voor zijn werfkracht volgelingen met verderstrekkende ideeën dan het eigenbelang te belasten. Daaraan heeft Balkenende zich niet expliciet bezondigd. Voor de geïnteresseerde waarnemer is het echter een raadsel door welke ideologische motieven zijn wensen worden gedicteerd. Zo heeft hij benadrukt dat de VVD als coalitiepartner zijn voorkeur heeft. Ook al gingen andere partijleiders hem in die sympathie voor, in het christelijk erfgoed is daarvoor niet zo makkelijk een rechtvaardiging te vinden.

Denkt men aan zijn wens in de eerstkomende jaren iets van vijftien miljard euro te bezuinigen, dan kan men zich afvragen of het zin heeft zo ver op de toekomst vooruit te lopen. Is het niet in de eerste plaats de taak van een christelijk politicus de problemen op korte termijn op te lossen, de onmiddellijke zorg op zich te nemen voor mensen en voor noodlijdende of slecht functionerende instituties? Wanneer iemand aanneemt dat de toekomst voor mensen niet maakbaar is, dan toch zeker een christen. Die mag dan toch, wat de problemen op lange termijn betreft, enige hoop vestigen op God. Godsgeloof moet toch enigszins optimistisch stemmen. Er zijn tegenwoordig «ongelovige christenen» (in de betekenis van Ter Braak) die weliswaar geen vertrouwen in een godheid stellen, maar die optimisme aan hoop ontlenen.

Hoop is niet zo’n nutteloos artikel, zoals uit een joodse parabel blijkt. Een reiziger komt na een lange voettocht ’s middags laat in een stadje aan. Hij heeft honger en dorst en hij loopt een winkel binnen in de verwachting er iets van zijn gading te vinden. Maar de schappen zijn leeg en de winkelier achter de toonbank is zich nauwelijks van de aanwezigheid van de klant bewust.

«Verkoopt u niets?» vraagt de reiziger. De winkelier kijkt op en langzaam zijn woorden kiezend zegt hij: «Ik verkoop hoop.» De reiziger kijkt hem aan en voelt nieuwe kracht zijn lichaam binnenstromen. Hij neemt afscheid en vervolgt gesterkt zijn weg.

In Rerum Novarum werd onder meer gewaarschuwd tegen de «socialistische» klassenstrijd. Lichten we de huidige Partij van de Arbeid door, dan blijkt er echter niets meer van deze strijdmiddelen en streefdoelen bij haar aanwezig te zijn. Wat dat betreft is Balkenende’s wantrouwen jegens deze «socialisten» moeilijk thuis te brengen. Zou hij op de liberale kanten van de PvdA afknappen, dan zou dat uit christelijk oogpunt veel meer voor de hand liggen. In de vele jaren van paars bewind heeft het liberalisme overmatig veel ruimte gekregen. Maar daarvoor zorgde de toenmalige coalitiepartner VVD even hard. Het is de VVD die de terugtredende staat propageert, terwijl de PvdA nog altijd waarde hecht aan de staat.

In de schaduw van de consumptie- en fun-maatschappij heeft zich een zorgwekkende demoralisatie voltrokken, met groeiende criminaliteit, toenemend wapenbezit en afnemende burgerzin en discipline; met een ongecontroleerd uitleven van driften, als blijk van vrijheid en individualisme. Het commerciële mechanisme heeft bevorderd dat media veelal in handen van exploitanten zijn geraakt die wat goede smaak betreft op het niveau van vandalen verkeren. In hun morele achteloosheid hebben de «liberale» machten omvangrijke ruimten laten ontstaan voor subculturen van disco en drugs, van gereglementeerde prostitutie, in het zog waarvan illegale fabriekjes van xtc-pillen, «geacheveerde» bordelen en obscure theehuizen floreren.

Het «christelijke» volk, van gelovigen en ongelovigen, een volk met «christelijk» ordegevoel, ziet dat alles met weerzin aan. Balkenende is een exponent van dat volk en als men hem gadeslaat, lijkt het soms of hij zelf niet weet tot welke categorie hij behoort: de gelovige of ongelovige. De traditioneel opgegroeide christen heeft links of rechts nauwelijks keus. Hij is gedoemd zijn voorkeur binnen het CDA uit te leven, en die partij, met haar wijd uitstaande vleugels, lijkt een tegenstrijdig paars conglomeraat op zichzelf. De linkse CDA’er kan ervoor ijveren zijn partij met de PvdA te laten pacteren, de rechtse met de VVD. Wordt hun wens bij herhaling gefrustreerd, dan hebben zij grote moeite over te lopen naar een andere partij, want die optie is voor een rechtgeaarde CDA’er beschamend. Het enige wat hij kan doen is zich een tijdlang van stemming onthouden. En dat gebeurt de laatste jaren herhaaldelijk, waardoor de verkiezingsresultaten van het CDA dan ook sterk fluctueren. Er zitten potentiële VVD’ers en PvdA’ers in het CDA. Zij trekken zich van de christelijke historie en de filosofieën van hun partij weinig aan, maar zij kunnen een CDA niet missen om zich te durven vertonen.

Iets dergelijks lijkt mij aan de hand te zijn bij Balkenende. Misschien houden christelijke coryfeeën als Leo XIII, Maritain, Berdjajev of Barth hem weinig bezig. Het is door zijn milieu dat hij bij de VU en bij het CDA terechtkwam. Hij heeft in beide gelederen een glanzende carrière gemaakt, die een partijwisseling bij voorbaat uitsluit. Hij is intelligent genoeg om te beseffen dat christelijke partijvorming niet zozeer een stabiliserende, als wel een stagnerende factor in de Nederlandse politiek vormt. Misschien heeft hij de onvergetelijke Johan Huizinga gelezen, die reeds in 1934 schreef dat wij in Nederland «onder het zware dek van een volstrekt verouderd partijstelsel leven, dat door de misgreep van het evenredige kiesrecht is gefossiliseerd». Dit gold met name voor de confessionele partijen die, nadat zij hun rechtspositie in het staatsleven hadden veroverd, voor zichzelf «een schade en voor de gezonde ontwikkeling der Nederlandse politiek een belemmering» werden. Want, zo benadrukte Huizinga in zijn Nederlands geestesmerk: «Christendom en heerschappij verdragen elkaar nu eenmaal niet.»

Ongeacht zijn steile optreden lijkt Balkenende mij in zijn hart een VVD’er die nolens volens opgesloten zit in de christelijke partijstructuur. Hij heeft niet veel fiducie in sociale politiek en de «halfzachte» kanten van het CDA. Zijn noodlot is echter nu dat hij aansluiting moet zoeken bij de «halfzachte» PvdA.

Zijn strikt economistisch denken, zijn droogstoppelige verhouding tot de cultuur, zijn lauwheid ten opzichte van de zich verdiepende kloof tussen arm en rijk, maken hem tot een geestelijke kloon van de VVD’er Zalm. In een expanderende sfeer van liefdeloosheid doet hij een beroep op normen en waarden die met niets anders gevoed kunnen worden dan het afval van een geïndividualiseerde samenleving. Geconfronteerd met een bijna organisch groeiende, kleinschalige en grootschalige criminaliteit meent hij met wat gemorrel in de marge van politionele en justitiële activiteiten de misdaad te kunnen beteugelen.

Het is natuurlijk wel jammer dat Balkenende, toen bleek dat zijn streven naar een CDA/VVD-coalitie niet de nodige bijval van het electoraat kreeg, het naliet de pijp aan Maarten te geven. Misschien was er voor hem in de plaats iemand gekomen die niet de pretentie heeft door middel van langjarige regeerakkoorden de toekomst in een ultieme greep te houden. Iemand die niet economische prognoses en «weegbare grootheden» in het centrum van het beleid plaatst, maar politieke verbeeldingskracht en geestelijke dialoog, met andere woorden: «grondslagen der politeia», zoals Huizinga het noemde. Iemand die niet kleinmoedige belangen boven beginselen stelt, die niet doodsbenauwd is zich kritisch op te stellen tegenover de Amerikaanse politiek van Bush, omdat een autonome houding de Nederlandse burger en kleinburger wellicht enig financieel nadeel zou kunnen berokkenen.

Alhoewel, soms kan Balkenende toch nog verrassen. Toen hij de indruk kreeg dat een vierkant pro-Amerikaanse houding inzake Irak een voortijdige breuk met de PvdA in de kabinetsformatie zou bewerkstelligen, en dat zo’n breuk hem op dat moment schade zou kunnen berokkenen, heeft hij zich in een spagaat gewrongen: wel politieke maar geen militaire steun aan de Verenigde Staten. Tot zo’n houding is alleen een christelijk slangenmens in staat.

Wat is het geheime credo van Balkenende? Waarschijnlijk: «Doormodderen, maar: wie er slechter van wordt, jammer, en wie er beter van wordt, proficiat.» Opvallende kenmerken van karakter vertoont hij niet, tenzij het de standvastigheid zou zijn minister-president te willen blijven. Hij lijkt geenszins bereid plaats te maken voor iemand die over meer oorspronkelijkheid, denkkracht, moed en sociaal gevoel beschikt. Zou hij zich terugtrekken, dan zou de politiek voor het Nederlandse volk wellicht interessanter en zelfs «christelijker» kunnen worden.