Het communisme is dood, leve het communisme!

Het eind van deze eeuw lijkt zich te kenmerken door de val van het communisme. Maar dat het Kremlin het doek heeft laten zakken, wil nog niet zeggen dat er geen basis meer is. Het communisme kan nu weer ouderwets ondergronds.

EIND JAREN ZEVENTIG moet het zelfs verstokte communisten zijn gaan dagen dat de wereldrevolutie niet volgens plan verliep. De gehate sjah van Iran, een agent van het imperialistische Amerika, werd toen weliswaar door brede massa’s op de vlucht gejaagd, maar met de komst van ayatollah Khomeiny stapte er iets veel reactionairders uit het vliegtuig. Lenin had al gezegd dat er telkens een stap terug moest worden gedaan om twee stappen vooruit te kunnen maken, maar een omweg via de middeleeuwen had hij niet voorzien. Even verwarrend was het bezoek aan de Verenigde Staten van Deng Xiaoping. De opvolger van Mao Zedong bezocht autoraces en een Texaanse rodeo, waar hij zich stralend met een cowboyhoed op in een postkoets liet rondrijden. Dat was een schokkende ervaring, want revolutionairen lachen niet (behalve op affiches), zeker niet in het zicht van zoveel decadentie.
Achteraf gezien lijken de afgelopen vijftien jaar nog het meest op een grap van God, als een bewijs dat de Heer zich niet zomaar door de atheistische leer van Marx laat afschaffen. De ‘lachende paus’ had een waarschuwing moeten zijn. In 1978 maakte hij, door na drie weken te overlijden, de weg vrij voor Karol Wojtyla, de Poolse paus die zijn zegen gaf aan een eenvoudige elektricien van de Lenin-werven in Gdansk (Lech Walesa) om via de brede massabeweging Solidarnosc het communisme in Oost-Europa te ondermijnen. Weliswaar kwam de dolkstoot van Michael Gorbatsjov (tegenwoordig voorzitter van het Groene Kruis, halverwege de jaren tachtig een overtuigd leninist), maar bij zijn aantreden was er al niemand meer die nog in de wereldrevolutie geloofde.
Revoluties zijn revolutionair omdat ze zo snel gaan. Ze lijken het verleden definitief achter zich te laten, het lijkt het begin van een Nieuwe Tijd waarin alles anders wordt, maar het is eerder de oude orde die instort zonder dat iemand daarop is voorbereid. Revoluties brengen fenomenen voort die nooit eerder zijn gezien en spoken tot leven die al lang werden doodgewaand. In de jaren negentig worden volop 'nieuwe Hitlers’ (Saddam, Zjirinovski) waargenomen, in Moskou heeft men het over een nieuwe tsaar en in voormalig Joegoslavie zijn er fascistische zuiveringen. In zo'n wereld, waarin een Poolse paus binnen tien jaar een anticommunistisch wonder kan verrichten en waarin in de Heilige Stad zelf in twee maanden tijd het zegevierende mediamirakel Silvio Berlusconi is opgestaan, getuigt het van gebrekkig historisch inzicht het communisme af te schrijven. Een contrarevolutionaire tijd als de onze zit juist te springen om een revolutionaire leer. Marx mag dan dood zijn, de behoefte aan een nieuwe messias is er ook 2000 jaar na de hemelvaart van de timmermanszoon uit Nazareth niet minder om, terwijl vergaderen, opruien en samenzweren niets van hun aantrekkingskracht hebben verloren.
In een absurde wereld, waarin de socialistische wereldrevolutie geen historische wetmatigheid meer is, maar waarin wel de meest onwaarschijnlijke dingen gebeuren, geeft een beetje communist de moed niet op. Het bijltje erbij neergooien, wat de voorhoede van de communistische wereldbeweging heeft gedaan, is een ontkenning van alles wat het communisme heeft betekend. Dat het Kremlin het doek heeft laten zakken, wil nog niet zeggen dat er geen basis voor het communisme is.
DE WARE COMMUNIST is onverbeterlijk. Als voorhoedestrijder verbetert hij anderen, niet zichzelf. En als de macht eenmaal is veroverd, wordt hij afgezet of blijft hij zitten tot de dood erop volgt. Het oude Politburo van de Sovjetunie voldeed aan deze criteria, totdat het in de nadagen van Brezjnev aan het einde was gekomen van zijn biologische cyclus en de 'idealist’ Gorbatsjov een kans kreeg. Gorbatsjov poogde een systeem te verbeteren dat onverbeterlijk was. Hij had echter niet het vuur van de revolutionair die over lijken gaat, maar het vuur van een bureaucraat die met een permanente stroom 'beleidsplannen’ een politiek systeem dacht te herstructureren. Revolutionairen als Lenin en Stalin, of een conservatieve homo sovjeticus als Brezjnev wisten wel beter.
Het communisme is ten onder gegaan omdat de gestaalde kaders niet meer zo gestaald waren en een 'idealist’ als Gorbatsjov z'n gang lieten gaan. Voor zover er nog enig vuur in het sovjetkader zat, was dat bureaucratenvuur. Zoiets leidt dan tot glasnost en perestrojka, een soort Postbus 51 en sociale vernieuwing op sovjetniveau, en deze gingen de spankracht van het systeem te boven. In het Westen konden we ons echter geen betere kameraad wensen dan Gorbatsjov. Zonder zijn zelfvernietigende optreden zou er nu nog steeds met SS-20’s op het Rode Plein worden geparadeerd.
Leiders als Kim Il Sung in Noord-Korea en Fidel Castro in Cuba, beiden goed voor een internationale rakettencrisis, weten daarentegen van geen opgeven. Zij hebben beter dan Gorbatsjov begrepen wat het communisme inhoudt. Het communisme is strijd - totdat de vijand is neergeslagen. Een communist wint geen Nobelprijs voor de Vrede - de Noordvietnamese onderhandelaar Le Duc Tho, die hem samen met Henry Kissinger won, heeft hem dan ook geweigerd. Zo'n prijs is iets burgerlijks, ontkent de internationale klassenstrijd, en getuigt van een onpolitiek wereldbeeld. Idem dito voor de mensenrechten. Vanuit communistisch perspectief is dat sentimentele vrouwenpraat. Wel werd er voortdurend over de wereldvrede gepraat, omdat er in het burgerlijke kamp altijd 'nuttige idioten’ te vinden zijn die zich voor het propagandistische karretje van de communisten laten spannen. Als er een voorspelling van Lenin is waargemaakt, dan heeft het IKV daarvoor gezorgd. Maar wie dat opmerkte, kreeg van CPN'ers te horen een Koude-Oorloghitser te zijn en de oprechte vredeswil onder de bevolking verdacht te maken.
DE VERBAZING DIE nu over de communistische wandaden aan de dag wordt gelegd, is vals. Hoogstens kan men zeggen dat velen niet hebben willen weten wat er in naam van de heilsleer is aangericht. Maar in het Westen was bijna alles bekend over de Goelags in de Sovjetunie en de miljoenen doden van de Grote Sprong Voorwaarts in China. De westerse intellectuelen die met het communisme sympathiseerden, waren niet zo onnozel dat ze dit niet wisten. De slachtofferlijst werd afgedaan als propaganda van de CIA. Achteraf bleek de CIA eerder een te rooskleurig beeld van het sovjetcommunisme te hebben geschetst, om niet onmiddellijk van een subjectieve voorstelling van zaken te worden beschuldigd. De slachtoffers werden afgezet tegenover het sociale onrecht van het kapitalisme en golden als historisch noodzakelijk. Juist progressieve intellectuelen waren gevoelig voor het real- politieke argument dat in een wereldwijde strijd het doel de middelen heiligt. Westerse conservatieven als Nixon en Kissinger, politieke dieren die een zakelijke omgang met de communistische wereld bepleitten om het Oost-Westconflict beheersbaar te maken, dachten daar trouwens niet veel anders over.
Wie de aantrekkelijkheden van het communisme wil analyseren, kan er niet aan voorbijgaan dat het een geweldsleer is. Dat maakt juist deel uit van de attractie. In die zin wijkt het niet veel af van het fascisme, dat geweld zelfs als doel verheerlijkt. Voor het communisme was geweld weliswaar slechts instrumenteel, maar binnen de allesomvattende politieke strijd vervaagt het onderscheid tussen doel en middelen. En geweld fascineert, vooral als men zelf een veilig en comfortabel onderkomen heeft.
DE SUCCESSEN DIE HET communisme deze eeuw heeft behaald, zijn direct verbonden met zijn gewelddadige karakter. En niet alleen omdat de heilsleer in de alledaagse praktijk perfect bleek samen te gaan met een onderdrukkingssysteem waartegen geen verzet mogelijk was. Westerse intellectuelen koketteerden met geweld en kickten erop als burgerschrik door het leven te gaan. Als zij zich nu presenteren als aanhangers van de mensenrechten, of als de keurige sociaal- democraten die ze vroeger altijd hebben bestreden, dan is dat een vijgeblad om de eigen schaamte te verbergen.
Het communisme is niet zozeer in diskrediet gebracht door zijn wandaden, hoewel die het geloof in de heilsleer danig hebben aangetast, maar doordat het is verwekelijkt. Het communisme boezemde bij vriend en vijand 'respect’ in zolang het gewelddadig was. Toen het communisme tijdens de jaren van Brezjnev verburgerlijkte en de brede massa’s begon te voorzien van ijskasten en auto’s, begon de ondermaatse kwaliteit van de geleverde waar steeds meer in het oog te springen. Westerse kameraden spraken spottend van 'goulash- communisme’. Af en toe liet het communisme nog z'n tanden zien: in 1968, bij het vakkundig en bloedeloos neerslaan van de Praagse lente, toen partijchef Dubc>pa108<ek in al z'n naiviteit te kijk werd gezet, en in 1979 bij de inval in Afghanistan, waar de moslimstrijders bloeddorstiger bleken dan de arme sovjetsoldaten. Maar de warme gevoelens die Stalin nog wist op te wekken waren voorbij.
Het sovjetcommunisme was niet gewelddadig en revolutionair genoeg meer om nog tot de verbeelding te spreken. Het dieptepunt kwam met Gorbatsjov, die de strijd uiteindelijk gewoon opgaf. Hoewel de communistische beweging vanwege zijn clandestiene karakter altijd geobsedeerd is geweest door verraad, had het niet gerekend op een verraad als dat van Gorbatsjov. Hij opereerde niet in het geniep, zoals het hoorde, maar pleegde verraad voor het oog van de hele wereld, waardoor het ooit zo gevreesde communisme het lachertje van de geschiedenis zou worden. En dat terwijl Gorbatsjov zich voor zijn politieke handwerk beriep op de oerbron Lenin zelf, de grootste samenzweerder die de wereld ooit heeft gekend.
WAT NU TE DOEN? Momenteel is het communisme duizelig van het eigen falen. Dat mag met recht 'totaal’ worden genoemd. Varianten van de leer, waarbij nog minder ontwikkelde gebieden dan Rusland door het marxisme werden ontgonnen, waren evenmin succesvol. De ujamaa van de Tanzaniaanse president Nyerere smeedden eerder een band met het Nederlandse vorstenhuis dan met het Kremlin. De communistische doorbraak naar Latijnsamerikaanse priester- dichters heeft sympathiserende documentaires van het Ikon opgeleverd, maar daarmee wint links geen revolutie. Wat dat betreft hadden Pol Pot en zijn makkers van de Rode Khmer in de bosjes van Cambodja meer succes. Zijn Aziatische produktiewijze, waarbij de mensen van de stad op het platteland te werk werden gesteld, produceerde echter geen Toyota’s maar genocide.
Toch zijn de schappen uit de communistische winkel niet helemaal leeg. Een ideologie die de wereld meer dan honderd jaar op stelten heeft gezet, sterft niet zomaar uit. Als onze marxisten zich gaan bezinnen, en hun 'kritiese analyse’ nog eens overdoen, hebben ze genoeg retorische vragen ter beschikking waarop rechts niet meteen een adequaat antwoord paraat heeft. Hoe lang is het geleden dat de hogeschool van Tilburg werd bezet? Was het toen niet veel leuker op de universiteit? Zaten de Amerikanen in Vietnam niet hardstikke fout? Heeft Thatcher de werkloosheid soms opgelost? Wie komt er nog op voor de armen in de wereld? Ligt het fascisme dan niet op de loer? Zou Joegoslavie niet beter af zijn geweest met een nieuwe Tito? Is de wereld er sinds 1989 op vooruitgegaan?
De grootste troefkaart voor het communisme met een kleine 'c’ is de puinhoop die het communisme met een grote 'C’ - de ideologie voor de toekomst van de mensheid - heeft nagelaten. In die chaos vervaagt de herinnering aan het communistische echec, en zullen communistische 'prestaties’ als het bewaren van orde en rust en het bevredigen van de basisbehoeften van de massa’s hoger worden aangeslagen. Zo wordt in de voormalige DDR al met warmte gesproken over de oude Nischengesellschaft, met volledige werkgelegenheid, gratis creches en wachtlijsten voor een Trabi.
Het communisme is als ideologie niet gevaarlijk meer voor het Westen. Bovendien zijn we in het postmoderne tijdperk aanbeland. Dat houdt in dat we niet meer in 'de grote verhalen’ geloven, dat alle politieke ideologieen - niet alleen die van het communisme - als vals zijn ontmaskerd, en dat de mensen zodanig zijn geemancipeerd dat ze op eigen kracht verdergaan.
OP ZICHZELF IS er weinig tegen de analyse der postmodernen in te brengen. Het liberale individu heeft inderdaad getriomfeerd, en wie nu nog achter een rode vlag aanloopt, zoals in Beerta en Finsterwolde, waar de horizontalen weer zijn opgedoken, voert een hopeloos achterhoedegevecht. Maar ook dat is strijd, een teken van leven. De huidige apolitieke idylle in het Westen is tijdelijk, want er blijven maatschappelijke tegenstellingen bestaan, terwijl het intellectuele denken over politieke oplossingen is uitgeput. Het Westeuropese postmodernisme wendt zich af van de toekomst, en wentelt zich in de niet onprettige sfeer van een fin de siecle - die het ingestorte communisme in Oost- Europa al achter zich heeft gelaten. Maar wie het begrip 'postmodern’ letterlijk opvat, leest: 'de moderne tijd voorbij’ - geen toekomst (no future) of terug in de tijd. Dat is grimmiger dan onze generatie salonintellectuelen lief kan zijn.
Want wie terugreist in de tijd - en men hoeft maar naar de Balkan te kijken om zich in 1914 terug te wanen - komt de hele optocht van de ondergang en de opkomst van het communisme weer tegen. Met de overwinning van het kapitalisme keren we terug naar de liberale negentiende eeuw, de eeuw waarin Marx en Engels met hun Communistisch manifest kwamen. Tussen toen en nu is echter een belangrijk verschil. Het communisme bleek in zijn 'praxis’ weliswaar geen oplossing voor het kapitalisme, maar de kwalen van het kapitalisme, de voedingsbodem voor het communisme, bestaan nog steeds. Daar waar ze zijn verzacht (in de verzorgingsstaten van West-Europa), was dat het produkt van de wrijving tussen links en rechts. Als die wrijving door het wegvallen van het socialisme als serieus te nemen ideologische factor niet meer bestaat, vervalt het machtsevenwicht waarop de verzorgingsstaat berust, en begint het hele spel in een iets andere volgorde opnieuw.
ZOVER IS HET nog niet. Het Westen heeft immers zo'n grote collectieve rijkdom vergaard dat het afgeschreven groepen voorlopig nog kan opvangen. De verzorgingsstaat is dan ook niet alleen een verworvenheid van links, maar ook van rechts (zij houdt de mensen op hun plaats). Dit compromis tussen arbeid en kapitaal is echter niet zomaar te exporteren, zeker niet naar gebieden waar volgens 'burgerlijke’ theoretici juist meer marktprikkels moeten worden ingebouwd, de voormalige communistische landen. Intussen stort in Oost- Europa alles in - en zover daar nog enige sociale cohesie bestaat, zijn het (ex)communisten die daarin voorzien.
Het marxisme is nog steeds een bruikbaar analysemodel, maar dan voor de kwalen van het (post)communisme. Neem de leden van de rode bourgeoisie (de nomenklatoera) die in zaken zijn gegaan. Zij maken gebruik van hun vroegere monopoliepositie en zorgen voor westerse consumptiegoederen. Dit zijn de meest dynamische lieden. In het Westen noemt men ze managers, maar onder de chaotische condities van Oost-Europa zijn ze amper te onderscheiden van de maffia.
Dat is koren op de molen van de conservatieve elementen van het oude partijapparaat en alles wat nu als nationalist vermomd gaat. Zowel communisten als nationalisten hebben de vriendschap met het eigen volk hoog in het vaandel staan en verwisselen moeiteloos van kleur. Zeker (oud-)marxisten moeten niet verbaasd doen over de opmars van het nationalisme in Oost-Europa, want tijdens de Koude Oorlog fungeerden communistische regimes niet alleen als onderdrukkers van nationale minderheden, maar ze stookten ook etnische vuurtjes op als dat beter uitkwam. In het communistische Polen kwamen geregeld antisemitische campagnes voor, Tito’s Joegoslavie\ berustte op een kunstmatig etnisch evenwicht en het Sovjetimperium hing van verdeel-en- heerspolitiek aan elkaar (een specialiteit van Stalin, die als bedenker van het socialisme in een land weinig geduld had met het 'internationale’ karakter van het communisme). Voor bevrijdingsbewegingen in de derde wereld was de stap van communisme naar nationalisme klein. Van de Vietcong werd verteld dat dit eigenlijk geen communisten waren, maar onschuldige nationalisten die hun volk uit de klauwen van het westerse (neo)kolonialisme wilden redden.
De coalitie tussen nationalisten en communisten is de hele eeuw al een succesformule geweest. Dat dat nu even wat minder is, komt omdat het communisme als geen ander wordt gehaat door de vele volkeren die slechte ervaringen met Moskou hebben opgedaan. Maar coalities wisselen snel, zeker op wereldschaal. De Sovjetunie mag dan zelf onder het nationaliteitenvraagstuk zijn bezweken, in een tijd van hernationalisering en burgeroorlogen krijgt het communisme nieuwe kansen: net als vroeger kan het ondergronds gaan.
Het communisme is kortom overtuigender als revolutionaire leer en overlevingsstrategie dan als ideologie van de heersende klasse. Het houdt de verworpenen der aarde een mooie toekomst voor, maar biedt geen bruikbaar handvat om een land te besturen. Dat laatste kan beter aan politieke tegenstanders worden overgelaten. Maar als subversieve leer biedt het marxisme-leninisme een vocabulaire van een giftige schoonheid. Wie wil insinueren vindt hier een rijke bron. Het communisme biedt een enorm arsenaal aan propagandatechnieken, schept discipline onder kleine groepjes die de heersende orde omver willen werpen en berust op een collectivistisch sentiment dat van alle tijden is. Dergelijke gevechten zien we nu alleen in vergeten uithoeken: in Zuidoost-Turkije noemt de PKK, die met geweld een eigen Koerdische staat nastreeft, zich marxistisch-leninistisch en op de Filippijnen woedt al vijfentwintig jaar een communistische guerrilla (die nu overigens op z'n eind schijnt te lopen).
Toch missen we de communisten. Dat gevoel leeft vooral bij de winnaars van de Koude Oorlog, de anticommunisten in het Westen, die om een gezamenlijke vijand verlegen zitten. Sinds de val van de Muur is de Navo aan stuurloosheid ten prooi gevallen, en bovendien moet het Westen de puinhoop die het communisme in Oost-Europa heeft achtergelaten helpen opruimen. Dat de westerse imperialisten voor de onbetaalde rekening van de wereldrevolutie moeten opdraaien (even afgezien van de Verelendung van de brede massa’s in Oost- Europa), is een uitkomst die Marx niet had voorzien. Lenin heeft zich na de gebeurtenissen van de laatste jaren wellicht in zijn graf omgedraaid, maar hiermee kan hij toch tevreden zijn.
VALT ER VOOR de communisten nog wat constructiefs te doen? In Oost-Europa wel, althans als ze zich tooien met het voorvoegsel 'ex’. Om het communistische systeem te ontmantelen zijn ex-communisten nodig, liefst van het ongepolijste type Jeltsin, straatvechters die weet hebben van de communistische obstructietechnieken. Maar ook in West- Europa kunnen ze zich verdienstelijk maken, en wel als 'sociaal-democraat’. Hun ouderwetse opofferingsgezindheid komt goed van pas bij het 'basiswerk’ aan de onderkant van de burgermanssamenleving, waar de geprofessionaliseerde sociaal-democratische veldwerkers immers danig tekortschieten. De opvoeding en verheffing van de brede massa’s tot gerespecteerde kleinburgers biedt de beste kans voor een communistische revanche en die van links in het algemeen.
Dat vereist een permanent beschavingsoffensief van scholing en disciplinering, met idealistische onderwijzers (intellectuelen die zich werkelijk voor de verworpenen der aarde interesseren) en stichtelijke jeugdbewegingen (sport en spel, zang en dans). Als links iets heeft laten sloffen waarin het vroeger goed was, dan is het dat. Als rechts enige reden heeft om links dankbaar te zijn, dan is het dat links zelf aan de verburgerlijking van het proletariaat heeft meegeholpen. Dat moet zo blijven, want anders waart er opnieuw een communistisch spook door Europa, maar dan met een kleine 'c’, ontdaan van theorie of heilsgedachte, puur gereduceerd tot proletarisch ressentiment tegen de hypocrisie van de burgermansorde. De communistische keuken is kruidig genoeg om daar stemming tegen te maken. De wereldrevolutie is niet volgens plan verlopen, maar de strijd gaat door.