INTERVIEW: Viktor Jerofejev

«Het communisme was een gezin»

Ruim een kwart eeuw geleden heeft Viktor Jerofejev zijn vader vermoord, hoewel die vader anno 2006 nog gewoon leeft. De ambitie van de jonge Jerofejev om in 1979 een vrije schrijver te worden, kostte de oudere Jerofejev zijn baan in de top van de sovjetdiplomatie. Een gesprek over Vader, Stalin en Poetin.

In de ogenschijnlijk rustige hoogtijdagen van de Sovjet-Unie had het establishment vooral last van zijn eigen kroost. De kinderen uit de sovjetelite voelden zich in de jaren zeventig onkwetsbaar. Als die jongeren er dan ook nog eens eigen ideeën op nahielden, kon er veel ontsporen in het leven van hun ouders. Zoals de schrijver en essayist Viktor Jerofejev eind jaren zeventig voor elkaar kreeg. Als dertiger met veel eigenwaan en am bities heeft hij de carrière van zijn vader en het leven van zijn moeder toen op één haar na weten te ruïneren, zonder daar overigens op uit te zijn. Jerofejev heeft daarover dertig jaar later een lieve, filosofische én hilarische historische roman geschreven: Chorosjij Stalin, eind vorig jaar in Nederland verschenen als De goede Stalin.

Voor Viktor Vladimirovitsj Jerofejev, geboren in 1947, leek een soepele toekomst in de socialistische staat in het verschiet te liggen. Met name dankzij zijn vader, die hoog te paard zat in de nomenklatoera, had hij geen gevaar te duchten. Vladimir Jerofejev was diplomaat van het ongenaakbaardere soort. Hij was zijn loopbaan begonnen als tolk Frans voor de leider Stalin zelf. De Franse communistische partijchef Maurice Thorez was voor hem dan ook een kameraad van vlees en bloed. Na de Tweede Wereldoorlog, die hij onder meer doorbracht in Zweden als adviseur van sovjetambassadeur Aleksandra Kollontaj, werd vader Jerofejev gepromoveerd tot rechterhand van minister Vjatseslav Molotov van Buitenlandse Zaken. Gewichtige posten in Frankrijk (cultureel attaché), Iran, Senegal, weer in Parijs (als onder directeur van de Unesco) en Wenen (ambassadeur bij de VN) volgden tot eind jaren zeventig. De dood van Stalin (1953), de opkomst en ondergang van Nikita Chroesjtsjov (1953-1964), de consequenties van diens «geheime rede» op het Twintigste Partijcongres in 1956 en de opmars van Leonid Brezjnev vanaf 1964: geen machtswisseling leek hem te kunnen deren.

Zelfs de val van Molotov als representant van de «antipartijgroep» in 1958 was slechts een rimpeling in zijn bijdrage aan de vaart der volkeren. Op het datsjapark der kameraden kon zoon Viktor gewoon via een transistor radio naar Voice of America blijven luisteren, vaak samen met «oom Slava» die er ook een buitenhuisje had en alleen geïnteresseerd was in de feitelijke nieuwsuitzendingen en weer huiswaarts trok als de commentaren begonnen. Want Vladimir Jerofejev was een trouwe schoppenboer in de ideologische frontlinie van de Koude Oorlog. Hij was het die in het najaar van 1956 een tournee voor Yves Montand organiseerde in de Sovjet-Unie terwijl de tanks tegelijkertijd Hongarije binnenrolden, een geintje dat Montand in de Sovjet-Unie beroemd maakte maar daarbuiten berucht, totdat hij wraak nam met zijn rol in L’Aveu van Costa Gavras over het stalinistische proces van 1952 tegen de Tsjechische partijchef Rudolf Slansky. Hij was het die indertijd in Frankrijk informant Charles Hernu op afstand «runde», de latere minister van Defensie onder François Mitterrand. Hij was het die in de decennia daarna nooit bang hoefde te zijn dat zijn blauwe diplomatieke paspoort zou worden ingenomen door de dienstkloppers van Andrej Gromyko, de bijna eeuwige minister van Buitenlandse Zaken der Sovjet-Unie.

Totdat zoon Viktor eind 1978 zijn eerste stappen op weg naar de culturele Olympus wilde zetten. Viktor Jerofejev waande zich schrijver. Hoewel nog niet bijster productief, was hij zelfs toegelaten tot de Schrijversbond. De Sovjet-Unie leek er mooi bij te liggen. Communistische partij en KGB hadden de meeste openlijke dissidenten geïsoleerd of opgesloten. De Verenigde Staten zaten in het defensief. Chili was een schandvlek, Vietnam was verloren en de sjah van Perzië liep op zijn laatste benen. Het socialistische kamp in Oost-Europa deed alsof het braaf naar het Kremlin luisterde. In Rusland stond, dankzij nieuwe vondsten van olie en gas, de kachel lekker te snorren op vier. En Viktor zelf was net getrouwd met de dochter van de Poolse kok op de ambassade van Volksrepubliek Polska in Moskou.

Genoeg reden om eens aan jezelf te denken. En dus nam Viktor Jerofejev het voortouw voor een publicatie waarover de autoriteiten in de Hoofdafdeling Literatuur nu eens niet van tevoren zouden beslissen. Zonder toestemming of censuur verzamelde hij geestverwanten voor de almanak Metropool. Het enthousiasme was groot. Venedikt Jerofejev (cultfiguur door zijn waanzinnige trein- en drankboek Moskou op sterk water, dat in 1977 in Parijs voor het eerst verscheen) hield zich afzijdig. Die naamgenoot was vooral in de weer met zuipen en schrijven. Gewaardeerde talenten als Vasili Aksjonov, Fasil Iskander, Andrej Bitov en Vladimir Vojnovitsj deden wel mee. Ook dichter/bard/acteur Vladimir Vysotski (toen al een icoon) klopte bij een van de voorbereidende huiskamerbijeenkomsten op de deur, met de van de pot gerukte vraag «wordt er hier vals geld gedrukt?» die iedereen nog vrolijker maakte.

Want daarom ging het ze: serieus keten. De bezorgers van de almanak wilden helemaal geen dissident zijn of worden. Ze wilden gewoon samen een beeld schetsen van de nieuwe Sovjet-Unie waarin ook de naoorlogse generatie een rolletje zou gaan spelen. Het was geen politiek manifest, het was meer een uitgestelde uitdaging voor het establishment à la Provo en Soixante Huit.

Partij, KGB en Schrijversbond dachten daar echter anders over. De samenstellers waren veel belangrijker dan ze zelf dachten: ze waren «literaire Vlasovstrijders», een verwijzing naar de door Stalin geprotegeerde generaal uit het Rode Leger die in 1942 in Duitse krijgsgevangenschap overliep naar het antibolsjewistische kamp. Een anonymus schreef een brief aan Gromyko, met kopieën conform aan Vladimir Jerofejev in Wenen en Viktor in de Gorkistraat. «Geachte kameraad, minister! Me dunkt dat het onze plicht is te zorgen dat uit het plaatselijke schandaal dat thans in literaire kringen gaande is ook enkele andere instituten die bij de strijd van twee sociale systemen betrokken zijn hun conclusies trekken. En dan met name het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het zou heel spijtig zijn als de grote autoriteit van zijn ouders deze politieke zaak, die dicht bij voorgekookte sabotage komt, zoals dat heet ‹in de doofpot› zou doen verdwijnen.»

Hetgeen inderdaad niet geschiedde. Vader Vladimir werd naar Moskou teruggeroepen, onder druk gezet om zijn zoon tot de orde te roepen dan wel zich van hem te distantiëren, en bedreigd met de mestvaalt van de geschiedenis. Hij, stalinist van nature, aanvaardde het lot. Maar hij nam in het openbaar geen afstand van zijn zoon. Eén lijk in de familie – het zijne als diplomaat – was hem wel genoeg. Vader sleet uiteindelijk zijn dagen als klerk op het ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Smolenskplein in Moskou, in een apart kamertje waar hij alleen telexen van Tass, Izvestija en andere sovjetkranten onder ogen kreeg. En dat ook nog eens onder de strikte voorwaarde dat hij – Vladimir Jerofejev, kennis van Pablo Picasso en andere grootheden in de «systeemstrijd» tussen Oost en West – nooit meer met een buitenlander zou praten.

Viktor Jerofejev zelf was op slag beroemd. Zijn naam prijkte in Le Monde en daarna in andere buitenlandse media. Na aanvankelijke angst begon hij zich belangrijk te voelen, zo belangrijk dat hij steeds later thuiskwam met steeds andere zeepgeurtjes onder de leden. Tegelijkertijd bleef hij de tien volgende jaren vrolijk mee hameren op de grafkist van de Sovjet-Unie, onder meer met zijn in 1990 scandaleuze maar populaire roman Roesskaja krasavitsa (in het Nederlands Een schoonheid uit Moskou) en het libretto voor de opera Leven met een idioot van Alfred Schnittke.

Een boek over zijn ouders durfde hij echter al die decennia niet aan. In De goede Stalin verhaalt Viktor Jerofejev, intussen gescheiden van zijn Poolse vrouw en hertrouwd met een schoonheid uit Moskou, nu pas over deze opkomst en ondergang van zijn vader en in mindere mate over het verdriet van zijn francofiele moeder.

«Uiteindelijk heb ik mijn vader vermoord», is de eerste zin van de roman, die eigenlijk alleen een roman wordt als de auteur zijn (seksuele) fantasieën en dadendrang de vrije loop laat of zich lekker te buiten gaat aan filosofstvovat, hoogwaardig wijsgerig gepalaver over de Russen die «in alles en iedereen hebben ge loofd, behalve in zichzelf». Een paar sweeping voorbeelden uit De goede Stalin: «In Rusland wonen is hetzelfde als over het plafond lopen. Het is een omgekeerde blik. (…) Stalin is de schepper van een magisch totalitarisme. Russen houden van raadsels. Stalin gaf hun een raadsel op. Stalin is compleet hermetisch, dichtgeschroefd als een onderzeeboot. (…) Voor het Westen en voor het grootste gedeelte van de Russische intelligentsia is Stalin één ding, maar voor miljoenen Russen iets heel anders. Zij geloven niet in de slechte Stalin. (…) Hoeveel bagger er niet over zijn hoofd is uitgestort, hij leeft. Hij leeft, hoewel zijn naaste omgeving hem vernietigd heeft. Hij leeft, ondanks het Twintigste Congres.» Vladimir Jerofejev liep volgens zijn zoon met dit volk mee.

Vader op zijn beurt heeft een jaar na de verschijning van De goede Stalin half om half teruggeslagen met Diplomaat: Boek der herinnering. «De verhouding met mijn vader is door De goede Stalin verstoord geweest. De relatie is pas bijgelegd toen hij vorig jaar zijn 85ste verjaardag vierde. Mijn vader was een goede di plomaat. En een diplomaat houdt er niet van als het gezinsleven voor het publiek openbaar wordt gemaakt. Maar ik vind het juist een succesvol boek, omdat ik het gezinsleven juist niet heb verstoord», zegt Jerefojev, rode wijn drinkend en Parliament-sigaretten rokend in een Amsterdams café.

Viktor Jerofejev: «De almanak Metropool was niet antisovjet. Het was een combinatie van dodelijke naïviteit en idealisme: een soort mannelijke initiatie. Het was mijn noodlottige meesterproef. Zonder Metropool was ik een ander mens geworden.» Veel meer wil hij daarover niet kwijt: «Je moet een schrijver nooit vragen om een logische verklaring voor zijn creatieve verlangen. Elke deconstructie is het einde van creativiteit, net als in de liefde.»

Maar desondanks gaat De goede Stalin volgens hem slechts ten dele over zijn familie. Het is een roman over Rusland dat de samenleving altijd zag als een soort «woningbouw»-project. «Ook het communisme was in de kern een gezin. Net als onder het communisme zorgen in het gezin de ouders voor hun kinderen: voor een gratis opleiding, voor het eten, voor de medische zorg. En als kinderen slecht uit die opvoeding komen, wordt het gezin ook nog eens gestraft. Mijn boek had dus ook Vader kunnen heten. Het zou over willekeurig welk gezin hebben kunnen gaan. Want het gezin is geen vrije organisatie, iedereen heeft er zijn eigen rol in», aldus Jerofejev. «Hoewel het gezin nu onderworpen is aan erosie, blijft het moeilijk om hier een burgerlijke samenleving te ontwikkelen. Rusland heeft helemaal geen behoefte aan modernisatie. Het volk kan honderd kilo modernisatie niet verdragen.»

Die modernisatie raakte na 1991 verzeild in een snelkookpan. Talloze dissidenten en vrije geesten wisten in de jaren negentig korter of langer niet meer waarmee ze zich bezig moesten houden. De satiricus Vladimir Vojnovitsj bijvoorbeeld, die driftig ging schilderen en pas onder Poetin weer aan een nieuw, superieur polemisch, leven is begonnen. «Als ik moet kiezen tussen vrijheid en literatuur, zou ik de literatuur opofferen ten gunste van de vrijheid» (De Groene Amsterdammer, 1 mei 2004).

Jerofejev nu: «Vrijheid is een politiek historische categorie. Voor ons Russen is vrijheid zelfs een vreemde categorie. Vrijheid kan bovendien niet abstract zijn. Literatuur is voor mij dan ook belangrijker dan vrijheid. Idealiter zoekt de literatuur naar de absolute waarden van mensen. Maar ook daarbij lopen de wegen uiteen. Russen zijn antihistorisch. In de Russische ruimte wordt alleen in sprookjes geloofd. En sprookjes zijn niet historisch noch contemporain maar eeuwig. In sprookjes gaat het al tijd over valse vijanden en naïeve goedzakken. De Russische persoonlijkheid is een sprookjesfiguur. Daarom zijn Russen ook anti-Europees. In de ogen van Russen zijn Europeanen slappe lullen en saai bovendien. In Rusland daarentegen kan iedereen zijn eigen rol in het sprookje spelen. In Europa dient de literatuur er meer toe om zelfkennis en identiteit te vergaren. In Rusland is het Gogol.»

Hij bedoelt: hoe goed de bedoelingen ook zijn en wat daarmee ook wordt aangericht, het pakt onvermijdelijk anders uit dan beoogd: «De Russen hebben altijd kansen gekregen en die nooit gegrepen. Een catastrofe is onvermijdelijk. Alles beweegt in Rusland richting die catastrofe. De eerste keer gebeurde dat in 1917, de tweede maal in 1991. De derde keer voltrekt zich nu, sinds 2000. Mijn volgende boek heet De Russische Apocalyps. Dat wordt schandalig.»

In De goede Stalin preludeert Jerofejev daarop aldus: «Ik ben helemaal weg van het vermogen van de Russische staat om zijn reputatie te verknallen. (…) Er is geen elementaire orde in het land, geen ontzag voor de wet. De Russische wet was altijd zo onmenselijk dat het als een deugd gold om die te omzeilen en niet als een misdaad. De overheid wil niet terug naar het communisme, maar ze leunt op het basismodel van de Russische staatsgedachte, met één verticale commandostructuur. De eeuwige angst dat het reusachtige en ellenlange land anders doorbuigt en knakt, als een Frans stokbrood, dat is de nachtmerrie van Russische heersers. Rusland verglijdt automatisch tot autoritarisme, bij elk ideologisch schema.»

Het klinkt als een cliché, waarin onvermijdelijk die hopeloze Russische ziel moet opduiken. En dat is het ook. Maar volgens Jerofejev is dit cliché wel degelijk aan zijn comeback bezig. Waarom? Omdat «we vast zitten in een driehoek: tussen de slappe intelligentsia, de slappe middenklasse en Poetin».

Jerofejev: «Er zijn nog wel intellectuelen, maar de intelligentsia is uit elkaar gevallen. Er zijn nog wel schrijvers, maar er is geen literatuur meer. Omdat er geen gemeenschappelijk cultureel veld meer is. Vroeger hadden we één café waar iedereen aan verschillende tafeltjes zat. Nu zit iedereen in zijn eigen kroeg. Vladimir Makanin (binnenkort 69 jaar oud, schrijver van ‹Underground›, een tegenculturele Bijlmer roman uit 1999 – hs) zit in een heel andere bar dan ik. De literatuur is begin jaren negentig gestorven. Na Viktor Pelevin, die dit jaar 44 wordt (auteur van onder meer ‹Generatie P›, van Pepsi Cola – hs) hebben zich geen nieuwe schrijvers aangediend. Wie daaraan schuldig is? Vroeger verenigde de literatuur zich rond grote thema’s als hét Rusland of dé bevrijding. Maar toen dat Rusland was bevrijd, wisten de schrijvers zich geen raad met de opdracht om vrije literatuur te maken. We betreuren slechts dat er geen gemeenschappelijke wei meer is. Muziek? Ook geen beweging. De culturele toekomst van Rusland wordt alleen nog uitgedragen door filmmakers en beeldend kunstenaars, zoals Oleg Koelik en Pavel Peperstein. Ze houden zich niet bezig met politiek.»

En dat is wel zo rustig. De president – die door Jerofejev een paar jaar geleden in zijn essay De leegheid van Poetin werd getypeerd als de «tsaar van de slaap» – heeft op zijn beurt ook geen behoefte aan dienstbare kunstenaars. «Er komt geen Goelag. De macht heeft geen totalitaire ideologie. Hij wil alleen niet beledigd worden. De huidige macht vertoont overeenkomst met die van de laatste tsaren. Zijn enige idee is de eenheid van de staat. Het is een vorm van corporate macht. In het ergste geval laait de strijd met de oligarchen weer op.»

Viktor Jerofejev

De goede Stalin

Vertaald uit het Russisch door Arie van der Ent

Meulenhoff, 319 blz., e 25,95