Essay: Schrijven na 2 november 2004

Het complot tegen het vrije woord

Na de processen tegen Hermans, Reve en Van Gogh is het vrijwel uitgesloten dat een schrijver om wat hij schrijft nog voor het gerecht wordt gedaagd. Alleen wie zich boven de wet verheven voelt, verklaart het vrije woord de oorlog.

Soms ziet een schrijver zich genoodzaakt de geschiedenis zo te herschrijven dat er iets zichtbaar wordt wat anders niet aan het licht komt. In The Plot Against America werkt Philip Roth zo’n drastische ingreep consequent en met huiveringwekkend gevolg uit. Roth laat niet Franklin D. Roosevelt in 1940 de presidentsverkiezingen winnen maar de antisemitische Republikeinse kandidaat en ex-vliegenier Charles A. Lindbergh. Sluimerend anti-joods ressentiment krijgt dan zo veel ruimte dat het antidemocratische tij niet te keren lijkt. Helden op sokken, machtsbeluste rabbijnen, opportunis ten, zwakke karakters en meelopers willen in het gevlij komen bij de Nieuwe Amerikaanse Orde.

Journalist Walter Winchell hoort in The Plot Against America tot het kleine maar luidruchtige kamp van Lindbergh-tegenstanders. In krantencolumns en radiopraatjes fulmineert hij tegen de hitlerianen in en rond het Witte Huis. Roths vader hangt aan de lippen van deze joodse «loudmouth» die zich niet de mond laat snoeren door antisemitische christelijke fundamentalisten. Een Amerikaanse Kristallnacht lijkt nabij als Winchell, volgens de fictieve Roth-geschiedenis, in 1942 campagne gaat voeren als Democratische presidentskandidaat. Tijdens een politieke bijeenkomst in Louisville/Kentucky wordt de «grote bek» Winchell op klaarlichte dag door een Amerikaanse nazi met Ku Klux Klan-achtergrond beestachtig vermoord. «They shot Winchell! Winchell is dead! The war is on!»

History is now, blijkbaar ook als hij deels verzonnen is. Is Walter Winchell een Amerikaanse Theo van Gogh? U mag dat gerust denken, een meesterlijke roman bevat de meest onverwachte betekenissen. En inderdaad, de parallellen zijn verbluffend. Maar hoe verleidelijk ook, het is Philip Roth in The Plot Against America om iets anders te doen. Met zijn eigenzinnige herschrijving van de Amerikaanse historie tussen 1940 en 1942 wilde hij zichtbaar maken hoe duistere complotten mensen bang maken en de stuipen op het lijf jagen; hoe voortwoekerende angst mensen verandert en misvormt en hun denken belemmert; hoe macht manipuleert, corrumpeert en bedriegt; hoe een ogenschijnlijk solide democratie op haar grondvesten trilt als een isolationistische populist massa-aanhang krijgt en het debat smoort; hoe de hel losbarst als kerk en staat dreigen te vervloeien en God boven de wet gaat staan; hoe luide en duidelijke tegenstemmen, die spreken met de moed der wanhoop, noodzakelijk blijven maar toch verstommen door kogel regens en messteken.

Een held is iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest. Die uitspraak van Willem Frederik Hermans – die een halve eeuw geleden voor het gerecht werd gedaagd omdat hij in Ik heb altijd gelijk de Nederlandse rooms-katholieken zou hebben beledigd – klinkt nu nog cynischer dan Hermans hem had bedoeld. Hoe ver kan een schrijver of filmer gaan voordat niet zozeer Damokles’ zwaard als wel het zwaard van Mohammed B.’s terroristische opvolger hem terugdrijft «naar zijn duistere hol»? Het is dit soort taal dat, vijf vellen lang, met een keukenmes op de borst van de dode Theo van Gogh was geprikt. De schrijver ervan is alle discussie voorbij.

Helaas, in het Nederland van na 2 november 2004 doet de vraag of loudmouth Theo van Gogh wel of geen held van het vrije woord was er minder toe dan deze vraag: in hoeverre kan de terreurdaad tegen Van Gogh en indirect tegen Ayaan Hirsi Ali zoveel angst en ontwrichting teweegbrengen onder politici, woordvoerders, belangenbehartigers, buurthuisbestuurders, moskeegangers, advocaten, rechters, wethouders, scholieren, opinieleiders, schrijvers en filmers dat hun tong niet meer durft en het vrije woord het aflegt tegen intimidatie en terreur? Wie bezweert die angst in vele gedaanten? Wie zorgt ervoor dat het debat niet verwordt tot een simplistisch «wij» en «zij»? Als opinieleiders, vooroplopend in cruciale debatten, de mond wordt gesnoerd of als meningenmakers zelfcensuur toepassen omdat de terreurdreiging te dichtbij is, wordt de democratie waardeloos. Maar god, hoe moeten al die Rushdies die durven blijven praten, schrijven en filmen beschermd worden? Hoe duidelijk te maken dat na scherpe kritiek geen scherp mes getrokken mag worden, dat verbaal geweld en daadwerkelijke rituele moord essentieel van elkaar verschillen?

Angst, haat en fanatisme, van welke kant die ook komt, vormen het grootste complot tegen het vrije woord, inclusief het denken in «wij» en «zij». Wie naast de ander wil leven en niet tegenover de ander, kan niet in die categorieën denken. Wij, die uit welk land van herkomst dan ook «verhuizen» naar het land van aankomst, nemen niet de wetten van het achtergelaten land mee maar accepteren de wetten van ons nieuwe land. Iedereen is gelijkwaardig, voor iedereen gelden dezelfde wetten.

Begrijpen we de essentie van de democratie nog wel nu we in een omgekeerde wereld lijken te leven en de «eigen rechter» niet meer speelt maar raak steekt? Die vraag drong zich op toen ik in Het Parool las dat er een meerderheid onder de lezers van het Nederlands-Marokkaanse blad Mzine bestaat die Ayaan Hirsi Ali medeverantwoordelijk houdt voor de terreurdaad tegen Theo van Gogh. Die lezers vinden dat er een eind moet komen aan de «stelselmatige belediging», «intimidaties» en «kwetsingen» van islamieten doordat Hirsi Ali het debat steeds weer op scherp zou zetten. Hun eis om meer respect, tolerantie en discussieruimte zetten ze kracht bij door een voorstel dat die ruimte voor respect en discussie opheft en van de democratie een farce maakt: de Ander heeft het gedaan en dus moet Hirsi Ali uit de Tweede Kamer vertrekken. En dat terwijl Hirsi Ali democratisch is gekozen met een overweldigend aantal voorkeurstemmen.

Mzine-redactie, durf eens in uw aangekondigde debatten in uw blad over de vrijheid van meningsuiting een andere, open maar zelfkritische vraag te stellen: hoe vindt u het dat anderen er met uw geloof vandoor gaan en er een smet op werpen? Of scherper geformuleerd: in hoeverre acht u zichzelf medeverantwoordelijk voor de rituele moord op Van Gogh?

God is liefde, islam is liefde. Jawel. Maar de oudtestamentische God der christenen heeft naast de naastenliefde ook het oog om oog en tand om tand gepropageerd en de mensheid met zijn zondvloed genadeloos bestraft. Bijbel, thora, talmoed en koran: iedereen kan uit die verzamelde teksten een uitgekiend citatenboeket plukken. Soera 17 zegt bij voorbeeld: «En jullie mogen niemand doden – wat God verboden heeft – behalve volgens het recht.» Mohammed B. heeft dat recht in eigen hand genomen. In soera 4 staat: «De ongelovigen zijn voor jullie een duidelijke vijand.» Hoe treed je die «vijand» tegemoet, met een begripvol woord of met een getrokken mes?

Wij en zij? Islam, jodendom en christendom zijn varianten op hetzelfde thema, ook hun fundamentalistische uitwassen lijken op elkaar. Bijbel en koran hebben talloze raakvlakken. De koran is een bevestiging van eerdere openbaringen van God aan de mensheid, inclusief het Oude en Nieuwe Testament, Taura en Indjiel. Net als in het christendom wordt de islam, zeker als er over vrouwen wordt geoordeeld, niet alleen als louter liefde gezien maar ook als onderwerping, submission.

V.S. Naipaul heeft het in zijn schokkende reisboek Beyond Belief (1997) over de infanteristen van de islam en de soldaten van Allah. Hij verwoordt zijn reiservaringen in Azië scherp: «Het is een godsdienst die imperiale eisen stelt. De wereldvisie van een bekeerling verandert. Zijn heilige plaatsen liggen in Arabische gebieden; zijn heilige taal is het Arabisch. Zijn gedachten over de geschiedenis worden gewijzigd. Hij wijst zijn eigen geschiedenis af; hij gaat, of hij dat nu aangenaam vindt of niet, deel uitmaken van de Arabische geschiedenis. De bekeerling moet zich afwenden van alles wat van hemzelf is. Dat veroorzaakt een enorme verstoring van de diverse maatschappijvormen (…). De mensen ontwikkelen fantasieën over wie en wat ze zijn; en in de islam van bekeerde landen vindt men ook een element van neurose en nihilisme. Die landen kunnen heel gemakkelijk tot een kookpunt gebracht worden.»

De overgrote meerderheid van de uit Azië en Afrika gevluchte of vertrokken moslims is vredelievend. Op zaterdag 6 november demonstreerden honderden Haagse islamieten tegen het terroristische geweld. Dat was een bemoedigend gezicht, al viel het me op dat er zich geen enkele vrouw, gesluierd of niet, tussen de demonstranten bevond. En wie vroeg zich tijdens het demonstreren af waarom Osama bin Laden, de terroristische onthoofders in Irak, de schoolbezetters in Beslan, de verkrachters en moordenaars in Darfur en de Palestijnse zelfmoordenaars zich ook moslim noemen?

De angst onder moslims voor zelfkritiek, en dus de «relativering» en ontsmetting van hun geloof, is reëel. Maar wie daaraan toegeeft, wie zich terugtrekt in een gematigde moskee of wie zich in zijn eigen wijk opsluit of zijn vrouw verbiedt de straat op te gaan, geeft nog meer ruimte aan de fundamentalistische terroristen die de vredelievende islam gijzelen, omsmeden tot een zwaard en de dood verheerlijken. Soera’s 44 en 52 spreken over het paradijs dat volgens de hadith (overleveringen van de profeet) «onder de schaduw der zwaarden» ligt: «Wij geven hun gezellinnen met sprekende grote ogen ten huwelijk.» En de verdoolden zijn «brandhout voor de hel» (soera 72).

Peter Sloterdijk vroeg zich in zijn Sphären-trilogie af of het «decadente», «pornografische» en «drankzuchtige» Westen misschien een parodie vormde op de populaire fundamentalistisch-islamitische hemel met de wachtende 72 maagden. Zeker is dat Mohammed B. de martelaarsdood wilde uitlokken en doorzeefd met kogels de grootogige maagden binnen handbereik dacht te hebben.

Op het levenloze lichaam van Theo van Gogh, over zijn lijk, werd de banvloek tegen de afvallige moslima (kafir) Ayaan Hirsi Ali uitgeschreven, een fatwa die een smet werpt op alle moslims omdat hij hun religie zo als middeleeuws en barbaars voorstelt.

We moeten terug naar 14 februari 1989, omdat Van Gogh helaas niet de eerste kunstenaar is die onder de fatwa viel. Op die dag sprak de Iraanse ayatollah Khomeiny publiekelijk de doodstraf uit over Salman Rushdie omdat zijn roman De duivelsverzen blasfemisch zou zijn. Rushdies godslastering bestond eruit dat hij in De duivelsverzen de middeleeuwse scheldnaam Mahoen voor de profeet Mohammed gebruikte. Bovendien gaf hij de twaalf hoeren in een Indiaas bordeel de namen van Mohammeds vrouwen. Mohammed als pooier die aan veelwijverij doet; Van Gogh was niet de eerste die de profeet zo omschreef. De duivelsverzen waar het in Rushdies satirische roman om gaat, spreken van drie godinnen – al-Laat, al-Oezza en Manaat – die fungeerden als middelaars tussen God en de mensen. Maar de engel Djibriel (Ga briël) beval dat die godinnen verzinsels waren, geen echte openbaringen. Zo’n vooraanstaande rol konden vrouwen in de koran niet vervullen. De zin «Dezen zijn de hoogverheven zwanen, en op hun voorspraak wordt waarachtig gehoopt» moest uit de koran verdwijnen.

Wrang was het dat de anti-Rushdie-demonstranten in India, Pakis tan en Engeland De duivelsverzen niet hadden gelezen en dus niet konden weten dat Rushdie het in zijn roman opnam voor de Aziatische immigranten in Engeland en het conservatieve Thatcher-beleid scherp bekritiseerde. Nog wranger was het dat Khomeiny’s fatwa dood en verderf zaaide: in juli 1991 werd de Japanse vertaler van De duivelsverzen doodgestoken; op 3 september 1992 vond publiekelijk de onthoofding plaats van een Saoedische schrijver die de profeet en de koran zou hebben beledigd; er was een aanslag op de Italiaanse vertaalster; in Iran zijn tussen 1989 en nu honderden kritische schrijvers en journalisten vermoord.

Theo van Gogh – het is goed daarop te wijzen – is de zoveelste kunstenaar die het woord wordt ontnomen, wiens stembanden door een fatwa-aanhanger zijn doorgesneden.

In oktober 1993 – toen de Noorse Rushdie-uitgever in de rug werd gestoken en Rushdie zelf al vier jaar lang zeer zwaar beveiligd was, zoals nu Ayaan Hirsi Ali en anderen – werd ik door een Indië-veteraan aangeklaagd. In een interview naar aanleiding van mijn roman De laatste tyfoon zou ik de Nederlandse soldaten die tussen 1945 en 1950 in Indonesië hadden gevochten ten onrechte met SS’ers hebben vergeleken. De Staat der Nederlanden, die nu bij monde van premier Balkenende pal staat voor het vrije woord, nam de particuliere aanklacht over en zette zijn strafproces tegen mij tot en met het hoger beroep door. Ik werd vrijgesproken. Een schrijver die geen scherpe vergelijkingen mag maken om het openbare debat te prikkelen kan net zo goed de bijl in zijn computer zetten, zoals Martin van Amerongen het in dit blad formuleerde. Theo van Gogh was de eerste die mij opbelde toen de kranten meldden dat ik vervolgd zou worden. Hij nodigde me meteen uit voor Een prettig gesprek op de Amsterdamse tv-zender AT5. Tijdens het vraaggesprek bleek hij uitstekend op de hoogte te zijn van het Hollandse kolonialisme en hoe dat in mijn roman gestalte kreeg. Aan het eind van het gesprek, dat een zeer persoonlijke wending nam (vaders en zonen), gaf hij mij een cactus met donshaar, «om je niet nog meer te beschadigen». Hij wist dat ik zou worden vrijgesproken omdat hijzelf donders goed wist hoe ver hij kon gaan. Na het rooms-katholieken-proces van Hermans, na het God-als-ezel-proces van Reve en na het antisemitisme-proces van Leon de Winter tegen Van Gogh is het vrijwel uitgesloten dat een schrijver om wat hij schrijft nog voor het gerecht wordt gedaagd. Alleen wie zich boven de wet verheven voelt en het recht in eigen hand neemt, verklaart het vrije woord de oorlog. Dat complot tegen de vrijheid van meningsuiting moet opgespoord en opgerold worden.

Het is een navrant toeval dat niet alleen Albert Camus’ De mens in opstand recentelijk opnieuw vertaald is maar dat er ook een onbekende toespraak van Camus is opgedoken. Op 5 oktober 1954 sprak hij in de Remonstrantse Kerk in Den Haag woorden die vijftig jaar later aan actualiteit niets hebben ingeboet: «Creëren is vandaag de dag een gevaarlijke bezigheid. Iedere publicatie is een daad en deze daad stelt zich bloot aan de driften van een eeuw die geen vergeving kent. Het gaat er niet om te weten of dit wel of niet schadelijk is voor de kunst. Voor eenieder die niet kan leven zonder kunst en wat ze beduidt, geldt de vraag hoe kunst in een wereld die haar bedreigt, kan voortbestaan en hoe te midden van de politie van zoveel ideologieën (wat een kerken, wat een eenzaamheid!) die zonderlinge vrijheid van de schepping mogelijk blijft.»

We leven weer in een absurde wereld. De kernvragen van De mens in opstand luiden: hoe te leven in deze tijd; is moord in naam van revolutie en moraal te rechtvaardigen? Kunst is niets zonder de werkelijkheid, maar zonder de kunst stelt de werkelijkheid ook niets voor, aldus Camus in zijn Haagse lezing. Daar kan ik aan toevoegen dat zonder bewogen, opstandige en provocerende kunstenaars de werkelijkheid weinig meer te bieden heeft.