Het conflict tussen looneisen en tijdseisen

‘Bouw- en Houtbond FNV stelt looneis van 3,5 procent’, meldde de Volkskrant dinsdag 1 november. Een verrassend bericht. Want daarmee werd de FNV-eis - de loonruimte van 3,5 procent wordt verdeeld in koopkrachtbehoud (2,25 procent) en de rest voor werk - weggehoond. Van werk maken komt, zo vond het boze bondsparlement van de Bouwbond, ondanks de loonmatiging al jaren niks terecht en daarom willen we gewoon de volle mep.

Maar niet alleen de FNV'ers vielen van hun geloof. Een paar dagen later opende NRC Handelsblad met een zo mogelijk nog verrassender kop: ‘Werkgevers kiezen voor korter werken.’ De krant had de hand weten te leggen op een notitie van de Algemene Werkgevers Vereniging (AWV), de grootste werkgeversvereniging in den lande. En daarin stond het echt: 'Het is tijd voor een nieuw compromis tussen een kortere arbeidsduur en meer flexibiliteit.’
Wat is er aan de hand? Hebben de bouwvakkers de werkgevers verkeerd beoordeeld? Zijn de werkgevers zich plotsklaps doodgeschrokken van een stelletje dolgedraaide bouwvakkers? De uitspraak van de Bouwbonders zat de FNV niet lekker, zeker niet omdat de bouw-CAO de eerste is waarover wordt onderhandeld. Komt daar een poencontract uit de bus, dan wordt het voor de anderen heel moeilijk daar niet in mee te gaan. Vooral de Industriebond voelt die dreiging. Niet voor niets liet CAO- coordinator Henk Krul een maand geleden al weten dat de bond nog een jaar zou proberen de werkgevers via loonmatiging tot afspraken over werk te verleiden. Maar als dat niets opleverde, zou er volgend jaar een looneis van vier procent volgen. Het uitstel van executie dat Krul hiermee probeerde te bereiken, leek door de eis van de Bouwbond in een klap weg te zijn. Hem restte nog een mogelijkheid: laten zien dat de werkgevers tot iets bereid zijn. En zo belandde de AWV- notitie via de burelen van de Industriebond in de kolommen van NRC Handelsblad.
Zijn de werkgevers nu voorvechters van arbeidstijdverkorting geworden? Dat lijkt wat overdreven. Werkgevers hebben in de eerste plaats behoefte aan verdere flexibilisering. De industrie wil dat omdat er steeds meer geld wordt geinvesteerd in dure geautomatiseerde systemen, die dan ook eigenlijk 24 uur per etmaal produktief moeten zijn. En de dienstverlenende bedrijven wensen open te zijn op tijden die de klant wenst. Tegelijk wil men af van allerlei toeslagen voor werktijden die buiten de 'normale’ werkdagen van maandag tot en met vrijdag van acht tot zes vallen. Want dat is de essentie van de 24-uurs-economie: alle werktijden zijn gelijk, en weg met werktijden die gelijker zijn dan andere. Ziedaar de inzet van de discussies over de winkelsluitingswet en de zaterdag en zondag als 'normale’ werkdagen. De werkgevers begrijpen dat zij dat alleen voor elkaar krijgen als zij bereid zijn te praten over verdere arbeidstijdverkorting. En zo komt een nieuwe ruil in zicht.
In de kern gaat het om een discussie over macht: Wie kan de ander zijn flexibiliteit dicteren? De werkgevers zullen hun grotere flexibiliteit ongetwijfeld voor een flink deel kunnen realiseren. Maar de werknemers? Zijn de bonden in staat de gedifferentieerde wensen van hun leden om te zetten in eisen? Want net als centrale looneisen zijn ook centrale tijdseisen uit de tijd.