De etnografie van topvoetballers

Het contact met de wereld verloren

Hoe ziet het leven eruit van de sterren die ook tijdens het komende EK voetbal, vanaf 11 juni, weer die bovenmenselijke prestatie leveren? Hoe gaan ze om met hun gigantische salarissen? Met de aandacht? Buiten het veld hoor je immers zelden iets van ze.

Romelu Lukaku tijdens een wedstrijd tussen FC Internazionale en SS Lazio in het Stadio Giuseppe Meazza. Milaan, september 2019 © Marco Luzzani / Getty Images

Wie zijn die jonge mannen uit heel Europa die vanaf 11 juni het EK voetbal gaan spelen? Ik ben de zoon van een antropoloog, ik interview al bijna dertig jaar voetballers, en dit is mijn poging om een etnografie van hun beroepsgroep te schrijven. Vergeet even dat het ‘iconen’ zijn. Ik heb geprobeerd om deze mannen te observeren alsof ze een stam waren op een eiland in de Stille Oceaan. Hoe leven ze, hoe gaan ze om met geld en aandacht, en hoe zien zij de wereld?

De meeste topvoetballers groeien tegenwoordig buiten de maatschappij op. Al als pubers worden ze opgenomen in de jeugdopleidingen van profclubs. Dat maakt hen fundamenteel anders dan toppers uit vroegere generaties. Waar Diego Maradona onmiskenbaar voortkwam uit de samenzweerderige, perónistische Argentijnse onderklasse, en Johan Cruijff uit het calvinisme en de Nederlandse naoorlogse babyboom, is Lionel Messi het product van een gezin en de voetbalacademie van FC Barcelona. Voor een speler uit een moeilijk gezin als Memphis Depay was de opleiding van PSV Eindhoven waarschijnlijk zelfs de meest stabiele factor in zijn opvoeding.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch auteur Simon Kuper over het bijzondere leven van topvoetballers. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Veel voetballers uit arme of kleine landen – denk aan Belgen als Eden Hazard en Romelu Lukaku, of de Nederlandse internationals Tim Krul en Nathan Aké – emigreren als tieners en worden kosmopolieten. Als volwassen profs voelen ze zich beter thuis in vip-lounges van luchthavens dan in de straten van het land waarvan ze het elftalshirt dragen. Zelfs spelers die thuisblijven groeien vaak op tussen buitenlandse teamgenoten en coaches: de Fransman Kylian Mbappé, fullprof sinds zijn zestiende, spreekt vloeiend Spaans en Engels.

Voetbalopleidingen worden steeds professioneler, en velen hebben leraren in dienst die jeugdspelers individueel bijles geven. Bij sommige clubs mag je alleen wedstrijden spelen als je voldoendes haalt op school. De helft van de jongens in de Barcelona-opleiding gaat later dan ook naar de universiteit. Dertien van de 24 spelers van de Duitse selectie die in 2014 wereldkampioen werd, hadden hun Abitur of Fachabitur gehaald – dat is 55 procent, een iets hogere proportie dan voor de Duitse bevolking als geheel. Middenvelder Joshua Kimmich scoorde in zijn ‘Abi’ zelfs een topgemiddelde van 1,7. Geen wonder dat Kimmich het in mei aandurfde om zijn zaakwaarnemer te lozen en zijn eigen zaken te gaan behartigen. Dat kan het begin zijn van een nieuwe trend naar autonomie: ook Mbappé heeft geen zaakwaarnemer in dienst, maar alleen een advocatenbureau. Deze generatie Europese voetballers is de best opgeleide van de geschiedenis en dat heeft consequenties voor hun leven en werk.

Ondanks hun hoge opleidingen en overvloedige vrije tijd krijgen moderne voetballers continu te horen dat ze alleen aan voetbal moeten denken. Hoge salarissen stimuleren monomanie en infantilisering. Vanaf de puberteit wordt de speler door zijn entourage, gezin en club afgeschermd zodat hij zich op zijn werk kan concentreren. Financiële adviseurs – die vaak meer worden geselecteerd op charme of familieconnecties dan op hun vaardigheden – bekommeren zich om het binnenstromende geld. Vraag een voetballer waar en hoe hij belastingen betaalt, en hij heeft meestal oprecht geen idee.

Zelfs hoogbegaafde spelers die dit niveau van concentratie niet langdurig kunnen opbrengen, haken af. Het beste voorbeeld is de Italiaan Mario Balotelli: een ster met Italië op het EK 2012, die nu voor het nietige Monza speelt en voor dit toernooi niet eens voor zijn nationale selectie in aanmerking kwam, ook al is hij pas dertig. Zijn Nederlands-Italiaanse zaakwaarnemer, Mino Raiola, vertelde mij dat Balotelli soms niet presteerde omdat hij weer eens verliefd was geworden: ‘Balotelli heeft er – bewust of onbewust – voor gekozen om voetbal niet tot het middelpunt van zijn leven te maken. En dus waren er altijd randzaken die zijn prestaties beïnvloedden.’ Volgens Raiola hadden zijn succesvolste spelers – Zlatan Ibrahimovic, Paul Pogba en Pavel Nedvĕd – daar geen last van.

Ik legde aan Raiola voor dat veel getalenteerde spelers misschien de absolute top niet wilden bereiken. Waarom zouden ze? Ze konden ook bij iets mindere clubs miljoenen verdienen, zonder zichzelf een onmenselijke druk op te leggen.

‘Nou, dat klopt’, antwoordde Raiola. ‘Daarom stel ik spelers de laatste tijd vaak een belangrijke vraag: “Waarom voetbal je? Wat is je drive?”’

Wat zeiden ze dan?

‘Nou, de meesten hebben daar nog niet over nagedacht. Die stuur ik naar huis met de woorden: “Denk daar maar eens over na.”’

Van succesvolle voetballers hoor je buiten het veld zelden iets. In tegenstelling tot popsterren of YouTubers kennen ze weinig financiële prikkels om controversiële personal brands in de markt te zetten. Ze krijgen mediatraining waarin hen geleerd wordt om niets te zeggen: ‘Deze nederlaag is zuur, maar we moeten verder, volgende week is weer een wedstrijd.’ Daardoor klinken ze vaak dom zelfs als ze het niet zijn.

De psychologische eisen aan de top zijn bijna onmenselijk. Voor elke wedstrijd op dit EK zal er in kleedkamertoiletten worden overgegeven. Sommige spelers krijgen diarree van de stress; soms kan het team pas het veld op als de getroffen speler klaar is. Er zijn maar weinig beroepen waarin jonge twintigers regelmatig afgeslacht worden in de internationale media.

‘Ik stel spelers de laatste tijd vaak een belangrijke vraag: Waarom voetbal je? Wat is je drive? Nou, de meesten hebben daar nog niet over nagedacht’

Voetballers weten vaak precies wat voor cijfers ze na een wedstrijd van websites en kranten hebben gekregen. Volgens de voormalige Engelse spits Gary Lineker, nu tv-presentator bij de bbc, kijken alle spelers naar die cijfers ‘zelfs als ze zeggen dat ze het niet doen’.

Veel spelers volgen wat er op sociale media over hen wordt gezegd. Een nare tweet kan iemands dag verpesten, of hem zelfs met een complex opzadelen. Granit Xhaka, middenvelder van Arsenal en aanvoerder van Zwitserland, ziet op sociale media berichten voorbijkomen als: ‘Ik hoop dat je dochter kanker krijgt.’ Volgens een Engels onderzoek ontving de Zwitser met Kosovaarse roots in december 2020 alleen al op Twitter 1374 beledigende, racistische of bedreigende berichten.

Topvoetballers hebben net als iedereen prestatieangst. Het verschil tussen hen en normale mensen is dat zij die angst als motivatie weten te gebruiken. Hun even begaafde leeftijdgenoten die niet met angst konden omgaan, of daar simpelweg geen zin meer in hadden, werden al in een eerder traject uitgeselecteerd, bijvoorbeeld bij hun debuut in Oranje onder-17. De Amerikaanse pianist Charles Rosen zei het goed: ‘Dat is het verschil tussen de amateur en de professional: ze hebben beiden plankenkoorts, maar de amateur toont het en de professional verbergt het.’

Voetballers die het tot een EK schoppen hebben al sinds hun prilste jeugd hun concurrenten zien afhaken. Ze voelen zich de winnaars van een onophoudelijke meritocratie. Niemand krijgt een uitnodiging voor het Nederlands elftal (en zelfs niet voor Noord-Macedonië) op basis van nepotisme of waar hij op school heeft gezeten. De Nederlandse bondscoach Frank de Boer selecteerde niet eens de vriend van zijn eigen dochter, Calvin Stengs, hoewel de keuze voor de aanvaller voetbaltechnisch best te verdedigen was geweest.

Als je voor Oranje speelt, dan geven je teamgenoten bijna niets om je huidskleur of je club of je seksualiteit of misschien zelfs je sociale vaardigheden, als je maar het vereiste prestatieniveau haalt. Lilian Thuram, recordinternational van Frankrijk, die na zijn carrière een antiracisme-activist is geworden, zegt: ‘Echt, ik ben in het voetbal nog nooit een racist tegengekomen. Misschien waren ze er wel, maar ik heb ze niet gezien. Weet je waarom? Omdat mensen die racist zijn de Ander meestal niet kennen. In het voetbal delen we dingen. En in het voetbal is het moeilijker om te discrimineren, omdat we op heel specifieke prestaties worden beoordeeld.’

Kylian Mbappé geeft een interview na de Champions League-wedstrijd tegen FC Barcelona met zijn club Paris Saint-Germain. Barcelona, Camp Nou, 16 februari © Alex Caparros / Getty Images

Iemand die denkt een meritocratisch succes te zijn, zal bijna onvermijdelijk tot arrogantie en minachting neigen. De beste voetballers hebben vaak een grote mond, omdat ze het spel beter interpreteren dan de coach. En als ze naar gewone mensen kijken, dan zien ze mismaakte dikkerds die decennialang saai en matig werk doen, in beroepen met amper kwaliteitscontroles.

Topsporters begrijpen niet hoe we onze spanningsloze levens tolereren. Het hoogtepunt van veel burgerloopbanen is een promotie, een compliment van de baas, een uitstapje met collega’s naar zee, of zelfs het moment van pensioen. Geen wonder dat succesvolle voetballers zo lang mogelijk blijven doorgaan, om vervolgens op zoek te gaan naar nieuwe adrenaline-kicks: denk aan de overambitieuze zakelijke investeringen van Johan Cruijff, of het cocaïne- en alcoholgebruik van Diego Maradona.

De basisillusie van de topsport is dat de wedstrijd belangrijker is dan leven en dood. Een overwinning in de knock-outfase van een groot toernooi zorgt voor een kick die in het gewone leven niet bestaat. Hetzelfde geldt, pervers genoeg, voor verliezen. Je zit met al je ploeggenoten in de kleedkamer, je bent te moe om een fles water aan je mond te zetten, mentaal gebroken, en die gedeelde intense emotie zul je na je voetbalcarrière nooit meer meemaken.

De meeste voetballers die ik heb geïnterviewd waren vriendelijk en beschaafd, met uitschieters naar boven als de oerlieve Johnny Rep en de geboren psycholoog Frank Rijkaard, en naar beneden als de Franse spits Nicolas Anelka, die aan een persoonlijkheidsstoornis leek te lijden. Maar in ontmoetingen met normale mensen kunnen voetballers hun minachting niet altijd onderdrukken.

Veel voetballers gaan de buitenwereld zien als een stel slecht ruikende figuren die bij de hekken van de trainingsveld staan te gluren, aan hun lijf gaan hangen, of beledigingen naar hen schreeuwen. Als een voetballer met zijn vrouw en kinderen in een restaurant zit, moet hij soms wel vijftien keer voor een selfie poseren, zodat hij niet eens met zijn gezin kan praten of een hap nemen. Ik heb net een boek over FC Barcelona geschreven, en een van de vele psychologen die voor de club werken vertelde me dat voetballers het risico lopen door roem ‘ontmenselijkt’ te worden. Ze zei: ‘Mensen zien de speler als superman. Als je contact verliest met de realiteit, dan werkt niets meer.’ Dat ligt echter niet alleen aan de spelers. Het zijn vooral de fans die hen ontmenselijken.

Een ster als Mbappé – die er merkwaardig genoeg in is geslaagd een verstandige, nadenkende jonge man te worden – leeft als een luxe-gevangene. ‘Een fan geeft je enorme liefde’, vertelde hij mij in april. ‘Maar soms is het een overmaat aan liefde, en respecteert hij misschien niet je intimiteit. Het is onmogelijk om op een normaal leven te hopen, maar een klein beetje respect voor je privéleven is niet te veel gevraagd, denk ik.’ Zodra Mbappé op straat wordt gesignaleerd, wordt hij door mensenmassa’s omgeven. ‘Je hebt een hele organisatie nodig om uit te gaan’, zei hij. Hij heeft ooit verzucht dat als zijn toe-komstige kinderen hem straks naar zijn jeugd-avonturen vragen zijn antwoord zal zijn: ‘Ik had er geen.’

Het ergste dat voetballers in de 21ste eeuw is overkomen, is waarschijnlijk de smartphonecamera. Spelers leven voortdurend in angst dat iemand een indiscrete foto of video maakt, of een gesprek in een restaurant op de sociale media zet. Daarom moeten mensen die met hen uit mogen gaan soms hun telefoon inleveren. Sommige voetballers zitten in een nachtclub in een privézone met uitzicht op de dansvloer, en gaan met een bewaker van de club naar de wc.

Geld is niet in de eerste plaats een betaalmiddel. Als je tien miljoen euro verdient maar niet naar buiten kunt, kun je sowieso niet veel opmaken

Beroemde spelers beperken hun sociale kring vaak tot familieleden, jeugdvrienden en een select groepje ploeggenoten, omdat ze leren dat bijna iedereen die ze ontmoeten iets van hen wil. Mensen maken graag neerbuigende grapjes over een celebrity-stel als de voormalige Nederlandse middenvelder Wesley Sneijder en de tv-persoonlijkheid Yolanthe Cabau van Kasbergen, zeker als ze uiteindelijk uit elkaar gaan, maar het kan voor beroemdheden makkelijker zijn om begrip te vinden bij iemand die dezelfde gouden kooi bewoont.

Al die angst en achterdocht zijn terecht. Voetballers worden inderdaad omringd door mensen die hen proberen te gebruiken, voor het geld of om iets van hun roem te lenen. Geen wonder dat voetballers op hun beurt vaak anderen gebruiken, als seksobject of als onbetaalde slippendragers voor bijna alle klusjes. Als een topvoetballer een vliegticket of een nieuwe telefoon nodig heeft, wordt het door iemand anders geregeld. Hij zal zelden zijn eigen rommel opruimen.

Een voormalige zaakwaarnemer vertelde me dat voetballers alles uitbesteden aan loopjongens, behalve voetbal, seks en soms shoppen. Volgens hem ontbreekt het de meesten van hen aan empathie, omdat ze zijn opgegroeid in een competitieve, achterdochtige mannenwereld, waar iedereen die niet aan de kwaliteitsnormen voldoet wordt weggestuurd.

De stijgende salarissen in het voetbal de laatste dertig jaar hebben het leven van voetballers ingewikkelder gemaakt. Voor spelers is geld niet in de eerste plaats een betaalmiddel. Als je tien miljoen euro verdient maar niet naar buiten kunt, kun je sowieso niet veel opmaken. Geld vertegenwoordigt binnen een voetbalteam eerder iets immaterieels: het is de belangrijkste maatstaf voor status. Daarom vroeg Wesley Sneijder bij een trainingskamp van Oranje ooit aan de toenmalige Vitesse Arnhem-keeper Piet Velthuizen hoeveel hij eigenlijk verdiende. ‘Vierhonderdduizend euro’, antwoordde Velthuizen trots. Voor een jonge doelman van een Nederlandse provincieclub was dat veel geld/status. Waarop Sneijder voorrekende dat hij bij Inter Milan het tienvoudige verdiende. Cruijff legde het al in 1997 uit: ‘De graad van waardering wordt in geld uitgedrukt. Het gaat dus niet om het bedrag dat je verdient, maar om de hiërarchische positie die je inneemt.’ Als clubs de spelers in pepernoten zouden uitbetalen, zouden de meeste voetballers daar waarschijnlijk vrede mee hebben, zolang de ene speler maar meer pepernoten kreeg dan de andere.

Mannelijke topvoetballers verdienen genoeg om een hele entourage te onderhouden. Als jonge spelers bij een buitenlandse club tekenen, huren ze vaak een villa waar ze een huishouden opzetten met hun zaakwaarnemer, hun fysiotherapeut, hun vriendin van dat moment, wat oudere familieleden, een paar onduidelijke aanhangers, en vrienden van vroeger die financieel afhankelijk van de speler zijn geworden. Antropologisch beschouwd is dit een nieuwe gezinsvorm.

Na zijn huwelijk begint een voetballer aan een andere levensfase: van gele Ferrari naar zwarte Range Rover. Maar huwelijken tussen voetballers en gewone mensen balanceren op een soms ondraaglijke mate van ongelijkheid. Een voormalige bankier uit Barcelona vertelde dat een zaakwaarnemer drie bankrekeningen had geopend voor een nieuwe aankoop van Barça: een gezamenlijke rekening van de speler en zijn vrouw, een tweede rekening voor de vaste lasten en een derde rekening waar zijn vrouw niets van wist.

Vrouwelijke voetballers leven anders. Lieke Martens, die in 2017 het EK met Nederland won en tot fifa-voetbalster van het jaar werd gekozen, speelt ook bij FC Barcelona. In mei won haar ploeg de Europese Champions League voor vrouwen. Maar zij moet het in Catalonië doen met een beperkt aantal familiebezoeken per jaar, en kan geen villa betalen waar iedereen kan logeren. Martens vertelde: ‘Mannelijke voetballers nemen hun hele gezin mee, kunnen iedereen meenemen die ze willen, kunnen hun eigen huisje creëren. Zo werkt het nog niet bij het vrouwenvoetbal. Ik krijg af en toe nog steeds wel last van heimwee.’ De beste mannelijke voetballers verdienen momenteel ongeveer vijftig keer meer dan de beste vrouwen. Maar dat verschil zal krimpen. Als de status van vrouwelijk talent stijgt, krijgen de vrouwen straks ook ongetwijfeld sterallures.

Veel voetballers hebben zichzelf omringd met werknemers die een barrière tussen hen en hun club vormen. Vandaag de dag staat een belangrijke speler aan het hoofd van een klein bedrijf, dat kan bestaan uit zijn zaakwaarnemer, zijn sociale-mediamanager, zijn persoonlijke fysiotherapeut en zijn stylist. Hij betaalt hen allemaal uit eigen zak.

De relatie tussen spelers en hun clubs is daarmee steeds afstandelijker geworden. Vroeger dacht ik dat topvoetballers leken op hooggekwalificeerde werknemers in andere bedrijfstakken – dat ze net zo’n onsentimentele relatie met hun werkgevers onderhielden als de meeste chirurgen, bankiers of hoogleraren. Voetballers, dacht ik, wilden werken voor een organisatie waar ze verzekerd waren van beroepsmatige bevrediging, een hoog inkomen en erkenning. Als dat niet kon bij hun huidige club, dan vertrokken ze gewoon naar een volgende. Ze dachten niet zoals supporters. Ze hadden geen gevoel bij het clubembleem, hun trainer of hun ploeggenoten.

Inmiddels geloof ik dat de relatie nóg zakelijker is dan dat: topvoetballers van nu zijn een soort huurlingen. Ze komen bij een bepaalde club of nationaal elftal bij elkaar om aan een kortlopend project als een EK te werken, zoals acteurs die een film maken. Ze verlenen zo’n drie uur per dag hun diensten aan het team, terwijl ze ook nog werken voor hun sponsoren, liefdadigheidsinstellingen en misschien ook wel hun personal brand.

Soms kunnen de werkgevers van een speler hem slechts moeizaam te spreken krijgen. Jorge Valdano klaagde in 2010, toen hij technisch directeur van Real Madrid was: ‘Vijfentwintig jaar geleden was het contact tussen de club en de speler heel direct. Het was allemaal veel eenvoudiger. Een voetballer was een werknemer van de club, met rechten maar vooral verplichtingen. Vandaag de dag zijn er een heleboel lagen tussen de club en de speler. Soms heb je nog altijd te maken met de speler zelf. Maar andere keren is het de vader van de speler, de zaakwaarnemer van de speler, het hoofd communicatie van de speler, de vriendin van de speler.’

Een coach moet tegenwoordig spelers overtuigen, niet bevelen. De ‘generaals’ op de bank van het type Ernst Happel of Rinus Michels zijn uitgestorven. Een macho-trainer die de wil van zijn spelers probeert te breken, of hen tracht te ‘motiveren’, zal in het huidige voetbal de strijd bijna altijd verliezen en op straat belanden. Moderne coaches hebben de fantasie laten varen dat ze hun mobiele, multinationale, superrijke, bijna onvervangbare spelers kunnen domineren. De meeste voetballers hebben bovendien grote ego’s, machtige zaakwaarnemers en journalistieke waakhonden. In een sector die op talent drijft, is dominantie door het talent onvermijdelijk.

De stijgende macht en het opleidingsniveau van de spelers verklaart ook het nooit eerder vertoonde politiek activisme van deze generatie voetballers. De laatste tijd hebben velen het gebod van monomanie van zich afgeworpen. Tijdens de Black Lives Matter-protesten van 2020 knielden teams in Europa maandenlang voor de aftrap. Manchester City en Chelsea deden het nog voor de aftrap van de Champions League-finale in mei. Ook het van oudsher angstvallig apolitieke Oranje heeft in november 2019 met Georginio Wijnaldum en Frenkie de Jong voorop een collectief statement tegen racisme afgelegd.

Voetballers in Engeland, geleid door de Engelse international en Liverpool-aanvoerder Jordan Henderson, deden tijdens de pandemie tevens grote donaties aan de Britse National Health Service. De jonge Engelse spits Marcus Rashford, die heel goed weet hoe het is om als kind niet genoeg te eten te krijgen, startte een succesvolle campagne om de Britse regering te overtuigen arme kinderen in de zomervakantie gratis schoolmaaltijden aan te bieden.

Dit sociaal activisme staat op gespannen voet met het multimiljonairsbestaan. Slimmere voetballers zijn zich heel goed bewust van de tegenstelling. Trots als ze zijn op hun salarissen lopen velen tegelijkertijd met schuldgevoelens rond. Dat geldt vooral voor voetballers als Maradona en de Braziliaan Romário (nu een linkse senator in het nationale parlement) die in krottenwijken zijn opgegroeid en zichzelf als politieke radicalen beschouwden.

Dergelijke schuldgevoelens kunnen soms zelfdestructief gedrag aanwakkeren. Veel voetballers proberen bijna op goed geluk hun rijkdom te herverdelen. Ferran Soriano, tegenwoordig algemeen directeur van Manchester City, schrijft: ‘Ik heb voetballers honderdduizenden zien uitgeven aan auto’s die ze niet kunnen gebruiken, maar ik heb ze ook vijfhonderd euro aan een bedelaar zien geven.’ Hier spreekt een verlangen uit om hun verloren contact met de maatschappij te herstellen.