Snijden in de kunst

Het culturele drama

Richard Wagner werd door koning Ludwig II voor het leven financieel ondersteund. Van die generositeit zouden hedendaagse politici iets kunnen leren. Op de volgende pagina’s twee visies op de naderende bezuinigingen.

SOMS ZOU JE de kunst tegen haar pleitbezorgers willen beschermen. Tussen alle al te menselijke Pavlov-hyperbolen over de dreigende opheffing van het Muziekcentrum van de Omroep troffen me twee reacties. De eerste kwam van de directeur van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties: ‘Dit kabinet miskent de betekenis van kunst en cultuur. Het doet alsof het franje is. Maar kunst maakt intelligent, verbindt en draagt bij aan de economie.’ De tweede was de brandbrief waarmee een groep politici, kunstprominenten, wetenschappers en cultureel betrokken CEO’s het sloperskabinet-in-spe tot rede hoopte te brengen. Kunst, schreven ze, is 'een breed erkende groeidiamant’: 'Iedereen weet of kan weten dat kunst en cultuur een enorme economische impact hebben.’
Twee tegenstemmen, zelfde strekking: kunst rendeert. Zelfs als het waar is, en dat is het soms, blijft het een onbedoeld onterend argument. Het spreekt dezelfde taal als de bezuinigers. Het weegt kunst in termen van kosten en baten. Het enige verschil is dat de beschavingsmaat de weegschaal naar de voordeelkant laat doorslaan: kunst is géén bodemloze put, het is win-win, nuttig en aangenaam. Alleen, daar gaat het helemaal niet om. Het Muziekcentrum van de Omroep is geen bank.
Maar waar ging het ook al weer wél om, in de kunsten? Weten 'we’ het nog, en wie zijn of waren 'we’ ook weer? Is het nog mogelijk het bestaansrecht van een Radio Filharmonisch Orkest, een Radio Kamer Filharmonie, een Metropole Orkest en een Groot Omroepkoor te bepleiten zonder te vervallen in de feodale hoogmoed van een wereldbeeld dat het verdriet in de verpieterde DSB-huishoudens en verpleeghuizen negeert? Kan, nu over de schrikbarende consequenties van deze saneringsdaad het allernoodzakelijkste is gezegd, de meer algemene vraag worden gesteld of de kunstsector zich in tijd van diepe crisis überhaupt laat verdedigen met andere munitie dan bedrijfskunde?
O, de argumenten stonden zwart op wit. Min of meer. In de verkiezingsprogramma’s, zelfs die ter rechterzijde, leek de kunst er best te mogen zijn. Uiteraard niet bij de gedoogpartner, die de subsidies voor musea, bibliotheken en 'ons erfgoed’ van trapgevels en molens bij de gratie Gods 'in ere’ wenst te houden, maar alle overige kunstsubsidies offert aan het rechtsgevoel van 'de gewone man en vrouw’. Tot op zekere hoogte wel bij de coalitiepartners CDA en VVD. Ook bij de christen-democraten veel troosteloos ongelovig gehamer op het belang van cultuur en haar betekenis voor de versterking van de economie, maar tenminste nog enig besef van de niet-materiële aspecten, lachwekkend maar vast goed bedoeld: 'Kennisnemen van elkaars cultuuruitingen kan groepen mensen dichter bij elkaar brengen.’ En natuurlijk laten kunstenaars 'ons op een andere, verrijkende manier tegen de samenleving aankijken’. De VVD haakt opgewekt retorisch aan: 'Kunst en cultuur dragen bij aan een vrije, tolerante en dynamische Nederlandse samenleving. De VVD wil dat de goede naam van Nederland in de wereld op het gebied van kunst, architectuur, design, (klassieke) muziek en cultuur verder en beter wordt uitgedragen.’
Maar de toon bereidt met valse lof de mitsen en de maren voor. Ook de VVD wil 'cultuur’ teruggeven aan 'de burger’. In het VVD-verkiezingsprogramma staat het zo: 'De cultuursector zit echter in de houdgreep van de overheid. De staat betaalt en bepaalt. Een terugtredende, krachtige en kleine overheid kan in de visie van de VVD weer orde op zaken stellen en de directe relatie herstellen tussen de mensen die cultuur maken en zij die ervan genieten.’ Met andere woorden: bevrijd de kunsten door ze uit te leveren aan de wet van vraag en aanbod.
Het geniep van dit beleidsproza steekt in de details. Zuivere demagogie is de impliciet geformuleerde vaststelling dat de 'directe relatie’ tussen makers en consumenten is weggevallen. Dat kan niets anders betekenen dan dat op veel kunst niemand zit te wachten, en dat de 'moderne en geëmancipeerde samenleving’ het doodgeknuffelde artiestenvolk maar eens op eigen kracht die les moest leren lezen. De PVV-boosheid druipt van de regels.
Wie is 'de burger’? Niet het loslopende individu, daar kan de politiek geen staat op maken. De gemeenschap? Die is diffuus. Bedoeld wordt: de moral majority die in de beoogde cultuuromslag het verschil moet maken, en met uitgekookt gestook tegen 'de elite’, Wilders’ knapste verzinsel, tot pressie-apparaat wordt gemobiliseerd. Henk en Ingrid. Die willen genieten, en komen in het cultuurlandschap blijkbaar niet aan hun gerief. Nu mogen zij namens PVV en VVD de lakens uitdelen onder de bezielende leiding van een staatssecretaris die net als zij Tom Clancy en Dan Brown leest. Wat willen zij?
Vast veel, maar kunst is er niet bij. De kijkcijfers maken a priori veel duidelijk over de culturele preferenties van 'de burger’. Het Nederlandse volk kijkt met miljoenen tegelijk naar Benidorm Bastards, Boer zoekt vrouw, Van Duin op z'n best, Holland’s Got Talent, Memories, De Rijdende Rechter en Oh oh Cherso. Ter vergelijking: NTR Podium werd op 3 oktober gezien door 53.000 mensen, minder dan de helft van de respectabele, maar naar de maatstaven van de markt even schamele 109.000 kijkers voor het cultuurmagazine Kunststof TV.
Nu opletten: dat is niet omdat het elitaire programma’s zijn. Cultuurmedia en cultuursector doen nu juist verpletterend suïcidaal hun best dat stigma van zich af te werpen. Ze hielpen een klimaat te creëren dat waarden weerloos maakte. Het 'volk’ wordt van kwaliteitscourant tot orkestsector, van Selexyz-boekhandel tot Rijksmuseum op zijn wenken bediend met Marco Borsato, Ali B, tweederangsliteratuur en het pistool van Volkert van der G. Radio 4 infantiliseert ongestraft in hoog tempo. Symfonieorkesten trekken nederig educatief de wijken in om de kansarmen te vervelen met een leuk en leerzaam mopje Bernstein. Cultuur, en daar zijn de media helaas medeverantwoordelijk voor, is zo gewoon gemaakt dat het steeds moeilijker wordt er het bijzondere van in te zien. Onder politieke druk, die niet alleen van rechts kwam, heeft de kunstsector zichzelf op het offerblok gelegd. Een van links tot nieuw-rechts tot despotengenootschap gestigmatiseerde 'heersende klasse’ durft het woord 'normvervaging’ niet eens meer in de mond te nemen. De tijd waarin de Vara het arbeiderspubliek met een Matinee op de vrije zaterdag in de vaart der volkeren dacht op te kunnen stoten ligt ver achter ons. Van de klassieke verheffingsidealen is niets over.

IN EEN LAND waarin de kunstenaar dankzij een kabinet weer openlijk voor uitvreter mag worden uitgemaakt, denk ik aan Wagner. In 1864 brengt een afgezant van het Beierse hof de berooide en ontluisterde componist een heuglijke boodschap. Koning Ludwig II heeft besloten Wagner voor het leven financieel te ondersteunen. Behalve een profiteur en een intrigant is Wagner, helaas voor de moraal, een onvoorstelbaar genie met de onmogelijke dromen die in eerste aanleg slechts vrijwel onuitvoerbare meesterwerken opleveren. Maar hij kreeg zonder voorbehoud het krediet waarvan pas latere generaties ten volle zouden profiteren. Zonder Ludwig II was Wagners Ring des Nibelungen nooit tot stand gekomen, het Festspielhaus in Bayreuth wellicht nooit voltooid. Deze koning was gek en waarschijnlijk onmuzikaal, maar hij begreep het genie van zijn afgod, en stelde een culturele daad zonder weerga. Van zijn letterlijk mateloze generositeit zouden politici iets kunnen leren. Die getuigt van een vertrouwen dat verdwenen is. Het cultuurbeleid van nu gaat over publieksbereik en percentages eigen inkomsten. Het wordt door argwaan geregeerd. Het is gedoogbeleid, en zelfs dat niet meer.
Hoeveel Wagners zijn er? Moeilijk te zeggen. Nooit veel. Hoeveel Ludwigs, de gulle gevers die volgens het VVD-model de bezuinigingsgaten in de staatssubsidies moeten vullen? Nog minder. Intussen werkt in Nederland een aantal componisten met uitzonderlijke capaciteiten, kunstenaars wier muziek mensenlevens kan veranderen, maar die zonder overheidssteun voor hun werk en een uitvoerend apparaat van gekwalificeerde ensembles en orkesten aan de heidenen zijn overgeleverd. De vraag of er een Wagner tussen zit, mag pas worden gesteld als we hem kunnen beantwoorden, wat met het waarlijk ongehoorde helaas nooit zonder slag of stoot gaat. Tot zolang moet de aspirant-grootheid in staat worden gesteld zich naar vermogen te ontplooien, opdat we geen kans op nieuwe grensverleggende ervaringen verloren laten gaan. En we, verklap ik nu, zijn de mensen die de moeite namen te begrijpen wat we hoorden en niet anders konden dan erkennen dat het echt wat voorstelt. Niet een 'elite’; de groep verkenners die de troepen voorging. Het is aan die voorhoede tegen de keer een culturele, morele en historische opdracht te volbrengen die per definitie te veel geld kost, te weinig opbrengt en op een maatschappelijk onaanvaardbare manier ten goede komt aan een redelijkerwijs altijd te kleine groep van relatief bevoorrechten.
Tot die voorhoede horen de orkesten van het Muziekcentrum van de Omroep. Het Radio Filharmonisch Orkest (RFO) is een van de beste Nederlandse orkesten. Het heeft door tientallen jaren hard werken een ensemblecultuur bereikt die het onder leiding van eersteklas dirigenten in staat stelt onvergetelijke en ongekende muziek onvergelijkbaar tot klinken te brengen. Maar het kan die verworvenheid alleen verdedigen met maatschappelijk onverkoopbare argumenten: schoonheid, vervoering, verrijking, uniciteit.

HET IS PIJNLIJK om te zien hoe een debat dat over culturele waarden hoort te gaan wordt getrivialiseerd tot welles-nietes over de taakstelling van de radio-ensembles. In de Volkskrant uitte Jan-Willem Loot, oud-directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest, scherpe kritiek op het artistiek beleid van het RFO. Hij vond dat het zich met Mahler- en Bruckner-programma’s te veel op het territorium van de reguliere symfonieorkesten begaf, waar het juist de taak heeft 'aanvullend’ te programmeren. Hoewel die constatering niet geheel onjuist is - maar dirigenten hebben nu eenmaal ook persoonlijke ambities, radio-orkesten houden ook van Bruckner - reageerde chef-dirigent Jaap van Zweden, die zijn RFO-chefschap eerder met de leiding van de Radio Kamer Filharmonie combineerde, evenmin onterecht als door een wesp gestoken. Vijf jaar lang dirigeerde hij met muziek van Tristan Keuris, Hans Kox, Hans Henkemans, Robin de Raaff, Peter Jan Wagemans, Klas Torstensson, Lex van Delden, Michel van der Aa, Otto Ketting, Hendrik Andriessen, Henk Badings, Ton de Leeuw en Rudolf Escher een zee aan relevante Nederlandse composities, vaak premières. De omroeporkesten brachten Schönberg, Berg en Webern, Salonen, Carter, Berio, Dallapiccola, Rihm, Nono, Adams, Chin, Hendrickx, MacMillan, Raskatov en Pärt, onbekende muziek van Barber en Sibelius. Zo erg is het dus, dat een Nederlandse dirigent van dit kaliber zich met de uitvoeringsstatistieken bij de hand als een schooljongen moet verdedigen.
Helaas staat nergens geschreven dat kunst even kwetsbaar is als de maatschappelijk kwetsbaren voor wie de samenleving eveneens een vangnet heeft uitgeworpen, omdat ze het op eigen kracht niet redden. Dat zou niemand durven schrijven. Het zou de kunstenaar in dezelfde positie brengen als uitkeringsgerechtigden en arbeidsongeschikten - niet per definitie losers, zeker niet in deze tijd, wel verliezers. Toch zijn kunstenaars dat ook. Ze hadden rechter kunnen worden, zeepverkoper of politicus. Het punt is dat er componisten, schrijvers, schilders en musici zijn die kunnen wat niemand anders kan, en dat ze namens de cultuur die we de onze noemden genereuze bescherming verdienen als ze goed genoeg zijn.
De ironie is dat ze in het win or die-klimaat van nu dankzij dat privilege met de mond vol tanden staan. Met welke argumenten ze zich ook verweren, het populistenstemvee int alleen de graai uit de subsidieruif. En dan doet zelfs succes er niet meer toe. Waar uitzonderlijkheid voortdurend als argument is gebruikt om bestuurders in de publieke sector ver boven de Balkenende-norm te belonen, wordt de door een groot publiek erkende en gevoelde uitzonderlijkheid van de radio-orkesten en hun deels unieke repertoire met neerbuigende rekenzucht en boerse rancune van tafel geveegd.