Arianne Baggerman en Rudolf Dekker, Kind van de toekomst

Het dagboek van Otto

Arianne Baggerman

en Rudolf Dekker

Kind van de toekomst

Wereldbibliotheek, 622 blz., e 27,50

«In den tuin is het tegenswoordig zeer druk met het inzamelen der wintervrugten, vooral daer het van deeze nagt al vrij sterk gevroozen heeft. Zo is de zoomer alreede voorbij. Het heugd mij nog dat ik in de maimaend met vreugd de jonge blaedjes zag uitspruiten en nu zijn dezelve alweder meest allen afgewaaid en verdord. Dit, vind ik, is het afmaelsel van ons leven. Nu zijn wij gezond en over weinig tijd zullen wij allen reeds dood en op de waereld vergeeten zijn.» Dit schrijft de dertienjarige Otto van Eck in zijn dagboek, op 8 november 1793. Zijn zorgelijke ontboezeming werd wél en niet bewaarheid. Otto overleed ruim vier jaar later aan tuberculose, maar de «waereld» is hem niet vergeten, want zijn dagboek bleef bewaard in het familiearchief en werd in 1998 gepubliceerd in de serie Ego documenten van uitgeverij Verloren.

Otto van Eck stamde uit een welgestelde regentenfamilie. In de winter huisde men in Den Haag, ’s zomers op het familielandgoed buiten Delft. Vader Lambert van Eck was politiek actief, overtuigd Patriot en betrokken bij de Bataafse Revolutie in 1795. Onder invloed van de Verlichtingsideeën wa ren Otto’s ouders doordrongen van de maakbaarheid van de samenleving en vast van plan hun kinderen en zeker hun oudste zoon op te voeden tot modelburgers. In pedagogische adviesboeken werd aangeraden om kinderen een dagboek bij te laten houden. Daarin schreef het te modeleren jongmens niet, zoals nu te verwachten van een puber, hoe stom zijn ouders waren, maar vooral hoe stom hij zichzelf vond.

In de 1560 bladzijden die Otje, zoals zijn vader hem wel noemde, tussen zijn elfde en achttiende jaar met frisse tegenzin bijeenpende, schildert hij zichzelf af als «ongezeggelijk, onordentelijk, on ver genoegd, oninschikkelijk» en nog zo wat on-hebbelijkheden. Talloze keren belooft hij beterschap: na «krakeelingen» met zijn zusjes, nadat hij «een grote lompigheid» heeft be gaan, heeft «gelanterfant en door de glazen getureluurt» of er zich onderuit heeft gedraaid om «journaal te maken». Een kinderdagboek werd geschreven om door de ouders gelezen te worden, zodat die direct konden bijsturen zodra hun iets niet beviel. Het werd vooral gezien als middel bij de vorming van het geweten, in de terminologie van moeder van Eck: «het mannetje van binnen». Zeker naarmate hij ouder wordt, is deze dagboekschrijver zich wel degelijk bewust van zijn publiek: «Ik gae wat eten en wens al mijne lezers goede nagt.»

Otto liet echter veel meer na dan een blik op de pedagogische schermutselingen met zijn ouders. De lezer krijgt ook een nauwkeurig verslag van waar een jongeheer van stand uit het einde van de achttiende eeuw mee doende was. Hij had een uitgebreid sociaal leven met bezoekjes en logeerpartijen. Huisleraren gaven hem catechisatie, Latijnse les, piano-, teken- en dansles. Een groot gedeelte van de dag moest er gelezen worden, in aanwezigheid van vader of moeder en hoe de boeken heetten en wat erin stond werd ook vermeld. Vaak gingen die dan weer over kinderen die lazen, een dagboek bijhielden en onmetelijk veel van hun ouders hielden. Maar Otje timmert ook konijnenhokken, koopt zangvogeltjes op de markt, zaait sterrenkers en scharrelt om met zijn geit je: «Mijn hart is zo aan mijn geit verkleefd.» En hij maakt ons deelgenoot van zijn lichamelijke ongemakken en zijn preoccupatie met de dood, van hemzelf en van zijn dierbare familie.

Het is niet verwonderlijk dat de historische wetenschap zich, zeker nu het egodocument zo in de belangstelling staat, meester heeft gemaakt van dit dagboek. Arianne Baggerman en Rudolf Dekker van de Erasmus Universiteit berichten er al zo’n tien jaar over en bezorgden ook de uitgave van het journaal zelf. Onlangs mondde al hun geschiedkundig speur- en denkwerk uit in de omvangrijke publicatie Kind van de toekomst, waarmee de auteurs beogen «de grote geschiedenis te vertellen vanuit het persoonlijke perspectief van een kind en zijn ouders». In steeds wijdere kringen om het dagboek heen cirkelend schetsen ze hoe de gegoede burgerij aan het einde van de achttiende eeuw leefde en dacht. Uiteraard gaat het over opvoeding, onderwijs en levensbeschouwing, maar ook over het belang van de Engelse landschapstuin, over reizen, de stand van de medische wetenschap en de politieke opwinding rondom de Bataafse Republiek.

Het is interessant en soms fascinerend om een kijkje achter de achttiende-eeuwse schermen te kunnen nemen en te zien hoe het vooruitgangsdenken en het geloof in een uitgekiende en toegewijde opvoeding daar opbloeiden. Waar de kringen erg ver uitvloeien en we bijvoorbeeld de vergaderingen van de eerste Nationale Vergadering op de voet moeten volgen, verliest het verhaal zijn focus. De zeggingskracht ligt na melijk toch in wat een kind ooit heeft waargenomen en opgeschreven. Ook al liep hij braaf aan de ouderlijke leiband, toch is Otto zelf af en toe zichtbaar door de kieren van zijn ouwe-mannetjes proza heen: «Een boerewooning (…) dat is al wat ik verlang.»