Het dagelijkse werk van de shoah

IN HET BOEKENVAK ben ik te weinig thuis om te kunnen controleren of een cynische Amerikaanse uitgever gelijk had, toen hij opmerkte: ‘There is no business like Shoah-business.’ Niet te ontkennen valt echter dat boeken over de moord op de joden nog altijd veel aftrek vinden. Ze worden immers aan de lopende band gepubliceerd.

Twee jaar geleden verscheen een boek dat niet alleen een enorme bestseller werd, maar dat tevens pretendeerde met een volkomen nieuwe, radicaal andere visie op de shoah te komen. Niet geremd door enige vorm van bescheidenheid veegde Daniel Goldhagen in Hitlers gewillige beulen alle tot dan toe naar voren gebrachte verklaringen van tafel. Volgens hem had iedereen proberen te verklaren hoe het toch in godsnaam mogelijk was geweest dat zo veel mensen hadden meegewerkt aan een misdaad van zo'n ongekende omvang.
Deze door hem ‘conventioneel’ genoemde verklaringen deugden volgens Goldhagen niet. Ze gingen er immers van uit dat de daders, op een kleine minderheid van psychopaten en fanatieke nazi’s na, een natuurlijke weerzin hadden moeten overwinnen alvorens mee te doen aan razzia’s, deportaties, massa-executies, martelingen, vergassingen et cetera. Onzin, aldus Goldhagen. De meeste Duitsers deden dit 'werk’ graag, waren enthousiast en namen veelvuldig het initiatief tot een wrede behandeling van joden. De oorzaak van deze infernale geestdrift moest volgens Goldhagen gezocht worden in het bestaan van een specifiek Duits 'eliminatie-antisemitisme’.
Goldhagens boek ontketende een storm van protest. De kritiek was doorgaans vernietigend. Goldhagen zou niets nieuws te berde hebben gebracht, het boek was een terugval in de Kollektivschuldthese, wetenschappelijk zou het niet deugen en een monocausale verklaring van de shoah geven.
WAT DE MEESTE critici over het hoofd zagen, of niet wilden zien, is dat het Goldhagen niet te doen was om te verklaren hoe het zo ver had kunnen komen. Zijn boek houdt zich niet bezig met de oorzaken van het aan de macht komen van Hitler, of met de complexe factoren die een rol speelden bij de aanloop tot de genocide. Het ging Goldhagen slechts om één ding: wat was de drijfveer achter de moord op de joden, welke motieven hadden de daders?
Volgens Goldhagen ontstond de shoah in Duitsland omdat alleen daar de drie noodzakelijke voorwaarden voor een dergelijke genocide gelijktijdig aanwezig waren. In de eerste plaats grepen daar de meest fanatieke antisemieten uit de geschiedenis de macht en besloten zij hun moordzuchtige plannen tot kernonderdeel van het overheidsbeleid te maken. Ten tweede werden hun opvattingen in hoofdlijnen gedeeld door de overgrote meerderheid van de bevolking. Tot slot was alleen Duitsland in de 'geomilitaire’ positie om een volkerenmoord van een dergelijke omvang te begaan. Als een van deze factoren zich niet zou hebben voorgedaan, dan zou volgens Goldhagen de shoah niet hebben plaatsgevonden. Aangezien er over de eerste en laatste voorwaarde geen noemenswaardige meningsverschillen bestaan, wilde Goldhagen aantonen dat ook aan de tweede voorwaarde werd voldaan.
Volgens de meeste critici heeft Goldhagen het bestaan van een min of meer algemeen aanvaard 'eliminatie-antisemitisme’ niet bewezen. Je zou je echter kunnen afvragen: wil men het wel bewezen zien? Nu is het voor historici en sociale wetenschappers altijd problematisch om iets te 'bewijzen’. Toch is het zinvol om te kijken of Goldhagen zich heeft gehouden aan de regels voor wetenschappelijk onderzoek die voor de niet-exacte wetenschappen gelden.
In het laatst verschenen nummer van Theoretische Geschiedenis (nr. 3, 1997) onderzoekt Ben Schreurs Hitlers gewillige beulen op zijn wetenschappelijke merites. Hij analyseert Goldhagens hypothesen en hoe deze door de auteur zijn getoetst met behulp van feitenmateriaal. Schreurs verwijt de critici dat ze geen van allen rekening hebben gehouden met de 'argumentatieve, wetenschapstheoretische en methodologische opbouw van dat boek en met de “logica” van de vraagstelling’. Volgens Schreurs is Goldhagens boek wel degelijk wetenschappelijk 'ontvankelijk’. Daar de meeste critici historici waren, ligt het ook voor de hand dat ze geen oog hadden voor Goldhagens sociaal-wetenschappelijke benadering. Hoewel nog veel onderzoek nodig is, biedt Hitlers gewillige beulen een belangrijk aangrijpingspunt voor een meer gedifferentieerde, niet uitsluitend historische aanpak van de shoah.
HET ARTIKEL van Schreurs komt overtuigend over en is een verademing na alle, soms zeer unfaire kritiek op Goldhagen. De achilleshiel van het artikel, én van Goldhagen, zit echter in een, door Schreurs zelf aangegeven, beperking: er is alleen gekeken naar de methodologische 'zuiverheid’ van het onderzoek. Schreurs heeft niet onderzocht in hoeverre Goldhagens gebruik van de bronnen juist is geweest. Wie dat wel hebben gedaan zijn Norman Finkelstein en Ruth Bettina Birn, in het onlangs verschenen - en reeds vertaalde - boekje A Nation on Trial: The Goldhagen Thesis and Historical Truth.
Voor een deel behoort de kritiek van Finkelstein en Birn tot het soort dat door Schreurs vrij overtuigend is gewraakt en waartegen Goldhagen zich al heeft verweerd. Zo vindt Finkelstein de feiten die Goldhagen aanvoert voor zijn stelling dat er in Duitsland een wijd verbreid 'eliminatie-antisemitisme’ bestond niet overtuigend. Uitlatingen van superioriteitsgevoelens, racisme en zelfs bloeddorstige wraakgevoelens zijn in de Verenigde Staten ook voldoende te vinden, zonder dat je nu onmiddellijk kunt beweren dat de meerderheid van de blanke bevolking stiekem hoopt op de uitroeiing van zwarte landgenoten.
Finkelstein suggereert dat je met Goldhagens wijze van redeneren zou mogen verwachten dat er in de VS een genocide op de zwarten mogelijk is. Dat is natuurlijk grote onzin, want aan de andere voorwaarden voor zo'n volkenmoord wordt immers niet voldaan. Bovendien, Goldhagen beweert helemaal niet dat het 'eliminatie-antisemitisme’ dé oorzaak van de shoah was.
Ook slaat Finkelstein de plank mis als hij tracht aan te tonen dat het met de geestdrift van de moordenaars niet zo'n vaart liep door te citeren uit redevoeringen van Himmler. Deze had immers benadrukt dat de Endlösung der Judenfrage een heel moeilijke, ernstige en zware taak was. Het was niet prettig, maar het kon niet anders. Je kunt dit natuurlijk zien als de altijd aanwezige spanning tussen theorie en praktijk. Wat volgens de officiële leer een verheven werk was, bleek in de praktijk te zorgen voor nogal wat 'arbeidsvreugde’, althans als we Goldhagen mogen geloven.
En dáár draait het natuurlijk om: hoe betrouwbaar is Goldhagen? Op dit punt tonen zowel Finkelstein als Birn aan dat Goldhagen zo selectief te werk gaat dat je eigenlijk kunt zeggen dat hij sjoemelt met de feiten. Finkelstein toont aan dat Goldhagen nogal dubieus citeert uit de secundaire literatuur. Nog ernstiger springt hij om met het moeilijker te controleren bronnenmateriaal. Birn laat zien dat Goldhagen doelbewust datgene wegmoffelt wat hem niet uitkomt. Zo beweert hij telkens dat joden veel wreder en genadelozer werden behandeld dan andere gevangenen. Hij citeert bijvoorbeeld uit een ooggetuigeverslag waarin wordt beschreven dat een jood werd doodgeslagen. Dat verderop in hetzelfde verslag uitvoerig werd beschreven hoe een niet-joods meisje op beestachtige wijze werd verkracht en vermoord, vertelt Goldhagen ons echter niet. Hij wil zo graag aantonen dat, als gevolg van het 'eliminatie-antisemitisme’, de joden vele malen slechter werden behandeld dan andere groepen, dat hij het lot van de overige nazi-slachtoffers veel te rooskleurig voorstelt.
HOE HET 'eliminatie-antisemitisme’ is ontstaan en hoe het er nu precies uitzag, daarop geeft Goldhagen geen duidelijk antwoord. Zijn visie lijkt een beetje op de these van de Duitse Sonderweg. Nogal wat historici hebben beweerd dat ergens in het verleden Duitsland een andere afslag heeft genomen dan de rest van de westerse beschaving. Volgens Finkelstein is Goldhagen veel te 'onhistorisch’ om met deze wetenschappers te worden vergeleken. Hij geeft namelijk niet aan wanneer en hoe het fout is gegaan.
Overigens is die these van de Sonderweg zeer omstreden. Volgens de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman, wiens Modernity and the Holocaust (1989) onlangs in vertaling verscheen, is het onjuist om in de moord op de joden een specifiek Duits verschijnsel te zien. Het ging hierbij niet om een terugval in barbarij, wat Goldhagen toch min of meer suggereert, maar om een volstrekt modern fenomeen dat plaatsvond in een samenleving die zich bevond op het hoogtepunt van haar beschaving. Volgens Bauman is het kenmerk van de moderne samenleving dat het sociale, economische en politieke leven in toenemende mate beheerst wordt. Dit gebeurt door verzakelijking, specialisering en bureaucratisering, waarbij technische middelen en wetenschappelijke inzichten worden ingezet. Niet alleen de techniek van de vernietiging, maar ook de organisatie en zelfs de racistische ideologie waren verschijnselen die alleen denkbaar zijn in een moderne samenleving. Het Reichssicherheitshauptamt, waar de genocide tot in de puntjes werd gepland, was een schoolvoorbeeld van modern management. Het moderne aspect van het racisme was dat het niet langer uitging van de traditionele xenofobie, maar gebaseerd was op een volledig abstracte notie van 'ras’.
Het verontrustende aan het boek van Bauman is dat veel van de mechanismen die in de shoah zichtbaar zijn ook in onze samenleving een duidelijke rol spelen. Een voorbeeld daarvan is wat hij noemt 'de maatschappelijke productie van morele onzichtbaarheid’. Hiermee doelt Bauman op het mechanisme dat mensen met een 'rein’ geweten kunnen meewerken aan iets vreselijks, omdat de morele consequenties van daden 'onzichtbaar’ zijn. De meeste deelnemers aan de genocide op de joden hebben immers geen mensen doodgeschoten of gaskamers bediend, maar waren ambtenaren die memo’s schreven, managers die zorgden voor de logistiek, eenvoudige beambten die verantwoordelijk waren voor de vlekkeloze transporten en pünktliche administratie. De consequenties van hun daden zagen ze pas na de oorlog.
Bauman wijst erop dat deze 'morele blindheid’ nog altijd veel voorkomt, en noemt als voorbeeld de arbeiders in een wapenfabriek die blij zijn dat hun fabriek open blijft dankzij nieuwe orders, terwijl ze tegelijkertijd oprecht treuren over de wijze waarop de Ethiopiërs en Eritreërs elkaar afslachten.
Baumans boek is niet alleen verontrustend maar ook stimulerend. Net als de politicoloog Goldhagen laat Bauman zien dat het zinvol is om de geschiedenis ook vanuit sociaal-wetenschappelijke invalshoek te benaderen. Waar Goldhagen echter nogal slordig omgaat met de historische feiten neemt Bauman erg veel afstand van die feiten. Zijn verhaal blijft zodoende vrij theoretisch, geeft inzicht in structuren en mechanismen, maar biedt ons geen beeld van de historische werkelijkheid. Blijkbaar blijft er altijd een historicus nodig om het verhaal te vertellen.
WAT NOG ALTIJD ontbreekt is een geschiedenis van de shoah waarin de politieke achtergronden in verband worden gebracht met sociale factoren, terwijl ook aan facetten van het dagelijks leven aandacht wordt besteed. Deze poging wordt nu ondernomen door de gerenommeerde historicus Saul Friedländer, die al meer dan 35 jaar onderzoek naar de moord op de joden verricht. Onlangs verscheen het eerste boek van zijn driedelige Nazi Germany and the Jews, dat de jaren 1933-1939 behandelt.
Dit prachtig geschreven, uiterst erudiete werk is een verademing na het pedante geschreeuw van Goldhagen en de abstracties van Bauman. Hoewel hij nergens de grote lijn uit het oog verliest, heeft Friedländer een scherp oog voor het treffende detail en de verhelderende anekdote. Bovendien wordt uit zijn chronologisch opgebouwde verhaal duidelijk met welke problemen de nazi’s werden geconfronteerd toen ze na de Machtübernahme hun antisemitisme in de praktijk wilden brengen. Anders dan Goldhagen beweert, waren er in de Duitse samenleving nogal wat weerstanden tegen de anti-joodse politiek. Het begrip 'eliminatie-antisemitisme’ is volgens Friedländer dan ook niet bruikbaar, al zal hij pas in deel 2 uitgebreid met Goldhagen in debat gaan.
Friedländer toont aan dat het Duitse antisemitisme heel wat gedifferentieerder was dan Goldhagen ons wil doen geloven. Naast allerlei oude, vooral christelijke vormen van antisemitisme en min of meer 'normale’ vooroordelen jegens 'vreemdelingen’ die elders in Europa ook voorkwamen, ontstond er in Duitsland een specifieke en uitgewerkte antisemitische ideologie. Deze racistische variant van het antisemitisme bestond weer uit twee verschillende stromingen.
Enerzijds was er de biologische variant, waarbij antisemieten en eugenetici 'wetenschappelijk’ trachtten aan te tonen dat joden 'anders’ waren. Anderzijds was er de mystieke vorm van antisemitisme, waarbij de mythe van 'ras’ en 'bloed’ een grote rol speelde, en die gemengd werd met de religieuze verheerlijking van een 'Germaans’ of 'Arisch’ christendom. Uit deze kringen, die Friedländer vooral lokaliseert rond Wagner en diens schoonzoon Houston Steward Chamberlain, ontstond dat wat hij karakteriseert als 'verlossingsantisemitisme’.
Het is deze ideologie die door Hitler werd omarmd en die door een kleine maar fanatieke groep radicalen binnen de NSDAP werd gedeeld. Friedländer laat zien hoe in de loop van de jaren dertig deze rationeel opererende fanatici greep kregen op het staatsapparaat, en hoe de economische, politieke en sociale verhoudingen zich zodanig wijzigden dat Hitler zijn hartstochtelijke jodenhaat kon omzetten in beleid.
GESCHIEDENIS is voor alles een verhaal dat steeds opnieuw verteld moet worden. Op dit moment lijkt Friedländer de meest aangewezen persoon om het ontstellende verhaal van de shoah te vertellen. Er wordt, onder andere onder invloed van postmoderne filosofen, nogal eens beweerd dat dit eigenlijk onmogelijk is. Het 'onzegbare’ is immers niet te beschrijven. Filosofen en theologen zoeken daarom nogal eens hun heil in even omineuze als vage begrippen, zoals George Steiner met zijn aanduiding van de shoah als een 'ontologische misdaad’, of 'het tremendum’ van Arthur Cohen.
In een essay in Times Literary Supplement (6 maart 1998) maakt Michael Bernstein zich nogal kwaad om deze pogingen de moord op de joden een quasi-religieuze betekenis toe te kennen. Niet alleen dreigen andere genocides en massamoorden hierdoor gebagatelliseerd te worden, als we de moord op de joden uitsluitend zien als een apocalyptische ramp en niet als een concrete historische gebeurtenis, wordt de kans op herhaling steeds groter.