Sylvain Ephimenco

Het damestoilet van La Sénia

Er zijn beelden die nooit uit je geheugen zullen verdwijnen, zoals dat van een toilet van het vliegveld La Sénia in Algerije. Het was de zomer van 1962 en we zaten met honderden mensen in de hal opeengepakt. Tevergeefs wachtend op een vliegtuig dat niet kwam. Er waren te veel mensen en te weinig toestellen. Hoe krijg je binnen enkele weken een miljoen mensen weg? De paniek was groot. In Oran werd er geschoten en geplunderd, huizen en gebouwen werden in brand gestoken. Enkele van onze buren waren de maanden ervoor door leden van het Algerijnse bevrijdingsfront ontvoerd en voorgoed verdwenen. Iedereen had maar één doel: zo snel mogelijk weg uit deze hel. Richting Frankrijk. Sommigen kozen voor de haven, anderen voor het vliegveld.

We zaten sinds de vorige dag in die bomvolle vertrekhal. Overal op de grond lagen mensen te slapen en te snurken te midden van hun bagage, vogelkooien, kartonnen dozen. Er was niets te eten en alleen kraanwater te drinken. Ik was niet bang en vond dit een groot avontuur. ’s Middags had ik met vriendjes op de landingsbaan heerlijk in de zon gespeeld. Er kwamen toch geen toestellen. De werkeloze vliegtuigtrappen op en af springen en glijden.

’s Avonds was ik doodmoe en viel in slaap op het bedje dat een oom speciaal voor me had gemaakt van zijn jasje. Plots voelde ik mijn darmen opspelen en werd wakker. Het witte neonlicht was ruw. Ik moest heel nodig naar het toilet. Grote boodschap, mama.

Hier begint het. Hier is het beeld geboren dat nooit meer uit mijn geheugen werd gewist.

Stront en bloed. Zwart en rood. Lapjes katoen, opgezwollen maandverband, reepjes papier met bloed, poep en pies besmeurd. Mijn keel is rauw. Mijn ogen zijn vervuild. Ik schreeuw opnieuw. Mama troost me, maar het is al te laat. Ik heb in dat damestoilet van La Sénia die onmogelijke verbinding gadegeslagen: de rode likeur van het leven vermengd met de stinkende afscheiding van de darmen. Ik zie het bloed stollen en verharden in een zee van stront. Niet schreeuwen, niet janken. Het is een Turkse wc, zonder pot om op te zitten. Je moet hurken. Maar ik hoef niet boven die wond vol drek te zitten, te hangen. Ik wil er niet in wegglijden. Had ik het maar geweten. Maar ik wist heus niet wat me te wachten stond.

De rij was lang. In mijn geheugen van zesjarig jongetje stonden tientallen vrouwen, honderd misschien, midden in de nacht voor het toilet te wachten. Ik heb met mama heel lang in die rij gestaan. Ik viel om van vermoeidheid en mijn darmen brandden. De kringen onder de ogen van de vrouwen waren diep en donker. Toen kwamen we aan de beurt. Het toilet was slecht verlicht, maar toch voldoende om het meest afgrijselijke spektakel te kunnen opnemen dat ik ooit had gezien. Veel erger zelfs dan het lijk van die jonge adolescent die voor onze deur was neergeschoten. Bloed is erg, maar bloed met stront kan echt niet. Niemand had me ooit verteld dat vrouwen ongesteld konden zijn. Ik spartelde tegen en heb heel hard geschreeuwd. Het hoefde niet meer, zei mama. Ik mocht het gewoon buiten, op het gras of het cement, doen.

Toen de volgende dag een vliegtuig ons kwam ophalen begonnen mijn darmen weer op te spelen. Geeft niet, zei mama, er is een toilet aan boord en dat is schoon. Heus. Maar daar ging het me niet om. Ik zag toch wel dat niemand in de rij stond voor het toilet in dat vliegtuig. Wat me verontrustte, was dat mijn drollen niet netjes opgevangen konden worden. Dat ze in duizend deeltjes door de lucht zouden blijven zweven. Of zouden ze in de diepe zee vallen en verdwijnen?