Denkend aan Nederland

Het debat over de Nederlandse identiteit zit op slot

Het SCP-onderzoek Denkend aan Nederland suggereert dat empirisch onderzoek onder burgers de essentie van de Nederlandse identiteit kan vangen. Maar burgers met een migratieachtergrond werden nauwelijks in het onderzoek betrokken. Hoe staan zij tegenover de Nederlandse afkeer van de islam?

Met het lijvige onderzoeksrapport Denkend aan Nederland ambieert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) tot de kern te komen van datgene wat Nederland tot Nederland maakt. Niet om voor eens en altijd vast stellen wat dé Nederlandse identiteit is, maar om empirisch, dus neutraal en weg van de politieke polarisatie, het burgerperspectief boven water te tillen.

Wat behoort volgens Nederlanders wel en wat niet tot de Nederlandse identiteit? De uitkomst – aan de hand van focusgroepen, interviews en enquêtes - is dat vooral de Nederlandse taal, symbolen en tradities belangrijk zijn.

Maar dergelijk onderzoek, hoe grondig ook aangepakt, is allerminst waardevrij. Met het empirisch vaststellen van het burgerperspectief wordt niet alleen antwoord gegeven op de vraag wat de meerderheid van de Nederlanders vindt dat Nederlands is, maar ook wat en wie er niet bij horen. In één adem door wordt zo de ruimte verkleind voor minderheden met koppelteken-identiteiten die minder passen in het meerderheidsidee om mee te praten over Nederland en hoe Nederland zich in de toekomst ontwikkelt.

Burgers met een migratieachtergrond komen slechts in één van de achttien hoofdstukken expliciet zelf aan het woord. En dan nog enkel jongeren tot 25 jaar uit Zwolle en Rotterdam. Zij zijn in focusgroepen samengebracht met leeftijds- en opleidingsgenoten zonder migratieachtergrond. Die samenvoeging zorgt er bovendien voor dat er weinig ruimte is om vrijuit te spreken over zo iets gevoeligs als wie hoort wel en wie hoort niet tot Nederland en waarom.

In een pluralistisch land als Nederland bestaat er gezonde strijd over wat een nationale identiteit precies is en zou moeten zijn. Daarmee is de nationale identiteit per definitie een politiek onderwerp. Het rapport negeert die politieke dimensie niet alleen, het wekt, door van de nationale identiteit een apolitieke kwestie te maken, de suggestie dat er - om weg te komen uit het huidige gepolariseerde debat over Zwarte Piet en islam - behoefte is aan empirische vaststelling van wat de burgers vinden van de Nederlandse identiteit.

In die ontkenning van het politieke ligt de sleutel van het probleem van Denkend aan Nederland. Het suggereert dat het meten van het burgerperspectief ons objectief dichter bij de essentie brengt van de Nederlandse identiteit (dat is in feite een politieke uitspraak). Tegelijk biedt het rapport nauwelijks ruimte aan minderheidsstandpunten die juist in dit debat zo belangrijk zijn. Nederland verkleurt in rap tempo, maar in dit onderzoek lijkt – bewust of onbewust - de aansluiting te zijn opgeofferd met tweede en derde generaties migranten in den brede.

Minderheden hebben als geen ander te maken met effecten van de uitsluitingsmechanismen van de nationale identiteit. Voor hen hebben discussies over de nationale identiteit altijd politieke consequenties. Het gaat voor een groot deel over de vraag of zij er wel of niet bij horen. En het antwoord is meestal, ook in dit rapport, dat dit niet het geval is. De Nederlandse bevolking blijkt - niet onverwachts want de burgermonitor van het SCP laat dit al een aantal jaren zien - onderdelen van het islamitische geloof als weinig typerend voor Nederland te beschouwen. Daarnaast blijkt de islam als een van de meest bedreigende factor voor de Nederlandse identiteit te worden gezien. Het is deze combinatie die de discussie voor moslims bij uitstek zo politiek maakt. Ongeveer een op de tien respondenten, aldus Denkend aan Nederland, ziet mensen met een migratieachtergrond en moslims in het bijzonder graag uit Nederland verdwijnen.

Wat wordt hier feitelijk gezegd, behalve dat er in Nederland een grote afkeer tegen migranten en de islam bestaat? Er wordt tenminste de suggestie gewekt dat islam niet bij de Nederlandse identiteit hoort omdat de overgrote meerderheid van de Nederlanders dat vindt. Daarmee is niet gezegd dat het rapport geen accuraat beeld schetst van wat Nederlanders over het algemeen denken dat Nederland is of hoort te zijn. Wel dat er te weinig moeite is gedaan om het tegengeluid in kaart te brengen.

Het SCP heeft zelf al eerder laten zien dat dat stukken beter kan. Het rapport Werelden van Verschil uit 2015 is een sprekend voorbeeld van hoe je met kwantitatieve en kwalitatieve methoden jongeren met een Turkse en Marokkaanse achtergrond uitgebreid aan het woord kunt laten over hun verbondenheid met Nederland. Wij hebben in de afgelopen jaren hetzelfde gedaan in een reeks onderzoeksartikelen in De Groene Amsterdammer.

In een verscheidenheid aan situaties – op de werkvloer, de universiteit, in een bij uitstek pluriforme wijk als Nieuw-West in Amsterdam - hebben we in beeld gebracht hoe met name succesvolle, hoogopgeleide professionals van Turkse en Marokkaanse afkomst de ruimte opeisen om zelf te bepalen wie ze zijn en tegelijkertijd een sterke verbondenheid voelen met Nederland en wat Nederlands is. Hoe ze balanceren tussen verschillende werelden en identiteiten, met steeds dezelfde kern: ze zijn geen Turk of Marokkaan maar Turkse Nederlanders en Marokkaanse Nederlanders. Het is een ontwikkeling die in het politieke en maatschappelijke debat nog weinig aandacht krijgt en in academisch onderzoek veelal onderbelicht blijft, maar die ontegenzeggelijk effect zal hebben op hoe er op middellange en langere termijn in Nederland wordt nagedacht over wat typisch Nederlands is.

Door burgers op de manier zoals in Denkend aan Nederland te vragen naar wat zij vinden dat Nederland is, loopt het SCP bewust het risico het debat over de Nederlandse identiteit op slot te zetten. Het rapport is daarmee niet alleen een gemiste kans, maar vormt ook een obstakel voor de ontwikkeling van een gezond debat over de toekomst van het pluriforme Nederland dat het in werkelijkheid is.


Froukje Santing en Floris Vermeulen waren op grond van hun onderzoeksartikelen in De Groene Amsterdammer aanvankelijk door het SCP aangezocht om in Denken aan Nederland mee te schrijven aan het hoofdstuk over migranten. Die samenwerking liep stuk omdat er met de redactie van het rapport geen overeenstemming gevonden kon worden over de opzet en insteek van het hoofdstuk.