Het decennium van de fatwa

Salman Rushdie kan opgelucht ademhalen: het is volbracht. De fatwa die de Iraanse ayatollah Khomeini tegen hem uitvaardigde is opgeheven. De opgejaagde schrijver van ‘De duivelsverzen’ hoeft niet langer onder te duiken. Vervolgde schrijvers zullen het voortaan zonder boegbeeld moeten stellen.

HET WAS EEN mooie, wezenloze middag in het bolwerk van de vrije meningsuiting. Er lagen nog wat van die driehoekige sandwiches waar ze in Engeland het patent op hebben: obscuur belegd maar goed als bodem voor de alcohol. Door het raam zagen we hoe de laatste vier cameraploegen hun reportage afrondden met beelden van het gebouw of een slotwoord van de verslaggever. Binnen probeerde het personeel van Article XIX te doen alsof het nu weer tijd was voor business as usual. Ze kropen achter hun bureaus, achter de dossiers vol censuur en martelingen, maar daar ging alweer de telefoon. Televisiejournaals uit Tokyo, weekbladen uit Montreal, allemaal met dezelfde vraag: of ze Salman Rushdie aan de lijn konden krijgen. Die stond zelf met dat onaangedane gezicht, alsof het gerinkel niet hem aanging maar een ander, te praten met een Iraanse professor wiens bejaarde vader onlangs nog door de politie aan zijn voeten door het stof van zijn geboortedorp was gesleurd. Deze professor, al jaren balling in Parijs, had gedurende het decennium van de fatwa talloze malen het recht van Rushdie verdedigd in talkshows en tijdschriften, zonder hem zelf ooit te willen ontmoeten - hij wilde er niet van worden verdacht uit persoonlijke vriendschap te handelen. Nu stonden ze losjes, op receptietoon, te praten over de eerste beroemde fatwa, in de veertiende eeuw uitgesproken over een vroege afvallige.
Het decennium van de fatwa. Plotseling mogen we het zo gaan noemen. Vlak voor de tiende verjaardag van het doodvonnis, uitgesproken door ayatollah Khomeini op 14 februari 1989, heeft de Iraanse regering formeel en zwart op wit afstand genomen van elke poging om Rushdie en de zijnen te doden. Ik nam nog een sandwich. Als secretaris van het Rushdie Defence Committee Nederland, opgericht in 1993, was ik met chef de bureau Tiziano Perez onmiddellijk naar Londen afgereisd om dit mee te maken. Rondom ons zaten de Scandinaviërs en de Engelsen met wie we de afgelopen jaren grimmig op de deuren van de ministeries hebben gebonsd. Altijd met dezelfde mededeling: geen handel met Iran voordat de fatwa van tafel is. En steeds vanuit hetzelfde principe: een schrijver moet veilig over straat kunnen, al nemen er nog zo veel mensen aanstoot aan zijn werk.
Ik keek om me heen: een kring van onopvallende, aardige mensen. Noeste Denen, een kalme Zweed met hoge principes, twee vervaarlijke Engelse dames. De glamourzoekers zijn al een tijdje geleden afgehaakt. Daarvoor zat er te weinig schot in de zaak. Na de zoveelste brief op poten naar de minister van Buitenlandse Zaken, na de zoveelste conferentie tot beter begrip tussen oost en west, na al het turen naar de schaarse signalen uit Iran kon niemand zich meer voorstellen dat we hier op een dag met wijn en champagne bij elkaar zouden zitten. Rushdie zelf ook niet, zei hij, terwijl hij in onze kring kwam staan. ‘And yet’, met die eeuwige hint van ironie in zijn stem, 'I always knew we had to win this thing. We simply had to. Because the alternative would be to lose.’
HET VOELT ALS een overwinning. Ook al weten we dat de timing en de motieven achter de overeenkomst tussen Iran en Engeland niets met ons werk te maken hebben. Beide landen hadden er belang bij dit obstakel uit de weg te ruimen, om eindelijk oliezaken te kunnen doen. En zowel de geestelijke als de politieke leiders in Iran zijn het er waarschijnlijk over eens dat westers krediet geen kwaad kan aan de vooravond van een oorlog met de Taliban. De fatwa is niet van tafel omdat Cook en Kharrazi opeens last kregen van mensenrechten. Maar van tafel is hij. Dat heeft Rushdie de media vanmiddag duidelijk gemaakt, en de media op hun beurt maken het waar.
Waarmee Rushdie opnieuw bewijst als geen andere schrijver het samenspel van politiek en media te hebben leren kennen. De afgelopen vijf jaar heeft hij zijn zaak, dwars tegen de publieke vermoeidheid en de handelsbelangen in, altijd op de voorpagina’s en de onderhandelingsagenda’s weten te houden. Hij deed dat met humor en stijlvolle woede, consequent de drie hoofdzaken herhalend. Dat het niet om hem ging, maar om het principe. Dat de verdediging van dit principe door democratische regeringen geen gunst is, maar een plicht. En dat de islam in wezen geen godsdienst is van boekverbranders. Hij wist hetzelfde elke keer anders te zeggen, welsprekend, geestig, oneerbiedig.
En dat hoeft hij nu niet meer te doen. Niet meer voor zichzelf, tenminste. Zijn zaak is gesloten. En daarmee gaat er ook iets verloren. Want in het decennium van de fatwa was het nooit moeilijk om aan iemand uit te leggen wat censuur is, en waarom vrijheid van meningsuiting van levensbelang is. Zoals het daarvoor, in de decennia van De Muur, ook niet moeilijk was. Rushdie, Solzjenitsyn, het waren voorbeelden die iedereen kende. Dat is nu voorbij. De andere Rushdies zijn lang niet zo beroemd, en hun Engels flonkert niet zo elegant.
ER SCHOOF EEN jonge Aziatische vrouw aan tafel. Wij keken op van onze glazen wijn. Ze stelde zich voor: de advocate van Taslima Nasrin, tegen wie op dezelfde dag een arrestatiebevel was uitgevaardigd, vlak na haar terugkeer in Bangladesh. De advocate vroeg, nee eiste onze aandacht. Het was voor het eerst dat ik Rushdie naar woorden zag zoeken. Hij had geen antwoord klaar. Zelf net vrij, even toegevend aan de ontspanning, even van de barricade af. Hij wist niet veel meer te doen dan ernstig te knikken. Wij allemaal niet.
Misschien was dat moment een voorbode van een moeilijke, naamloze tijd voor de vervolgde schrijvers die nu zonder boegbeeld zitten. Misschien gaan we hem nog missen, de fatwa. Maar voorlopig heeft de verbeelding alweer een aanslag overleefd.