De emotionalisering van het strafrecht #2

Het delict als deuk in de samenleving

Rechters straffen langer en in de vonnissen wordt vaker gesproken over de ‘geschokte rechtsorde’. Hoeveel invloed hebben de media en de opgewonden burger op de rechtspraak? ‘Wij trekken een grens, een pedo is géén mens!’

Marcel Peters – ringetje in zijn oor – en zijn vrouw – tatoeages op de arm – zitten met hun zoon bij late-night-talkshow Pauw aan tafel, 26 april 2016. Hun dochter Mariska (21) is een jaar eerder verkracht en gewurgd, door de broer van Marcel Peters, Johan, tbs-cliënt wegens misbruik van zijn eigen dochter.

‘Jullie zeiden: “Ik ben zenuwachtig, heb er geen zin in.” Maar we moeten er toch over praten, omdat het belangrijk voor jullie is om dit verhaal op tafel te krijgen.’
‘Bij de herdenkingsdienst droeg uw broer ook de kist mee.’
‘Ja precies.’
‘Drie lamgeslagen mensen. Je zou toch denken dat die tbs-kliniek een beetje zou opletten.’
‘Ja precies. Nou absoluut niet. We nemen die tbs-kliniek kwalijk dat-ie elke avond gewoon naar buiten kon, in verband met drugs.’ ‘Zij hadden ons nodig om hem weer in de maatschappij te krijgen. Toen wij hun nodig hadden, waren zij nergens te vinden.’
‘Zij zeiden dat het goed was voor de resocialisatie?’
‘Ja precies.’
‘En daarmee hebben jullie een monster binnengehaald.’
‘Dat kun je wel zeggen.’
‘De uitspraak is op 4 mei. Is er iets waar jullie gelukkig mee zouden zijn?’
‘Ja, levenslang.’ ‘Ja, levenslang. Dat hebben wij ook.’
‘Het is een verdrietig verhaal, een verdrietig familieverhaal. Ik dank jullie. Hou je goed.’

Het Openbaar Ministerie (OM) had vijftien jaar plus tbs geëist. De rechtbank in Arnhem gaf de verdachte, als zijnde verminderd toerekeningsvatbaar, twintig jaar plus tbs. ‘Hiermee rekening houdend en het feit dat de man een gevaar is voor de samenleving, oordeelt de rechtbank dat oplegging van een nieuwe tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is voor de veiligheid. Dit ondanks de nog lopende tbs. De duur van de nu opgelegde tbs is niet beperkt.’ De man werd ook bevolen een schadevergoeding te betalen aan de ouders, voor de kosten van de grafrechten en het toekomstig onderhoud van haar graf.

Medium 17 04 21 emotio ii 1

Nabestaanden worden bijna gesommeerd naar de tv-studio te komen om te vertellen hoe geschokt zij zijn en wat ze de passende straf vinden. Naast dit samengevatte gesprek is er in Pauw niemand anders om commentaar te geven. Niet de directeur van de tbs-kliniek, niemand van Reclassering Nederland, niet de advocaat van de verdachte, geen persofficier van het OM die de eis komt toelichten, geen persrechter, geen criminoloog. Zelfs geen Peter R. de Vries.

De belangrijkste vraag is misschien wel of de rechtbank een zwaardere straf heeft opgelegd dan het OM eiste vanwege deze tv-uitzending over deze zaak die, aldus het vonnis, ook schokkend was door het ‘hulpgedrag’ van de dader: hij had geholpen bij het zoeken en had voorop meegelopen in de stille tocht.

In een strafzaak waarbij drie rechters optreden is het beraad over het vonnis geheim – ‘het geheim van de raadkamer’ – al is er wel enig onderzoek op basis van observatie naar de manier waarop rechters tot hun oordeel komen. Dat gebeurt via een ‘sprongetje’. Martien Diemer, tot 2016 strafrechter op de Amsterdamse Parnassusweg, zegt: ‘Ik begon altijd met de vraag: “Hoe staan wij hier in?” Om erachter te komen wat, los van alle juridische argumenten, aan emotionele reacties naar boven zou komen. Want u en ik weten: de ratio wordt regelmatig benut om reeds bij de spreker vaststaande overtuigingen van een basis te voorzien. En dan zegt er een: “Dit is toch wel héél erg.” Kennisneming van de rechterlijke emotie in de raadkamer heeft als enige functie om elkaar wat te bewaken bij het aanwenden van juridische argumentatie.’

Daarna krijgt meestal de griffier de opdracht op basis van steekwoorden het vonnis en de motivering te formuleren, en – zeggen andere rechters – het toetsenbord en de onderliggende formuleringen zijn geduldig. Over de rol van ‘de media’ zegt Diemer: ‘Soms volgt een lagere straf door de vele media-aandacht. Soms volgt een hogere straf door alle publiciteit. Dan concludeert men dat de rechtsorde geschokt is.’

De relatie tussen het (straf)recht en het rechtsbewustzijn onder de burgers is even essentieel als veranderlijk. Behalve de dader, de daad en de schuld heeft vaak ook ‘de samenleving’ op de achtergrond meegespeeld om de dader te straffen. Naast de specifieke preventie – van de straat halen, die dader – had de straf dus ook als doel generieke preventie: ‘Doe dit niet na, mensen!’ De afgelopen jaren viel steeds vaker in vonnissen, die soms het Journaal haalden, de term ‘geschokte rechtsorde’ te beluisteren. Van de door rechtspraak.nl digitaal toegankelijk gemaakte vonnissen maakte ik een selectie van vonnissen waarin deze term voorkwam; ik las er honderden. Een kenmerkende passage uit een vonnis is deze over een verdachte die in 2010 op de stations van Zuidbroek en Groningen met een stuk hout willekeurige mensen te lijf was gegaan, met zware verwondingen als gevolg. Rechter W. Foppen sprak op 7 juni 2012 in het vonnis ook deze overweging uit: ‘Behalve het leed dat verdachte de slachtoffers heeft aangedaan, hebben de feiten grote gevoelens van onrust en onveiligheid met zich gebracht in de samenleving en zorgden zij voor een geschokte rechtsorde.’

Vragen die hierbij rijzen zijn deze. Hoe stellen rechters die ‘gevoelens van onrust en onveiligheid’ in de samenleving vast? En wat bedoelen ze met die ‘geschokte rechtsorde’? Fred Teeven is over de eerste vraag kort en duidelijk: ‘Het gaat om het dossier, om de verklaringen van slachtoffers en om media-uitingen. Waar het om draait is dat de rechter het goed uitlegt. Daar ontbreekt het nog wel eens aan.’

Ik kan dat beamen. De honderden vonnissen die ik las, laten een enorme variëteit zien. Het ene vonnis telt drie pagina’s, het andere dertig; het ene bevat hele reconstructies en een beredeneerde motivatie van de strafmaat, het andere beperkt de motivatie tot de frase: ‘Conform de oriëntatiepunten van de Raad voor de Rechtspraak wordt de straf bepaald op acht jaar.’ Over de manier waarop de rechter tot de slotsom komt dat de rechtsorde is geschokt zegt Folkert Jensma, juridisch commentator van NRC Handelsblad: ‘Tja, die wordt per keer ingevuld aan de hand van feiten en stemmingen in de samenleving, door de politiek, de media, en wat de rechter op zijn laatste verjaardag allemaal is verteld. Het is een open norm, geen natuurkunde, je kunt het niet wegen, meten. Je kunt niet zeggen het is nu drie kubieke meter of zes.’

Behoort Teeven tot de rekkelijken in het strafrecht, Jensma behoort tot de preciezen als het om de rechtsstaat gaat. Daarom staat hij soms wel raar te kijken. Er was een zaak over een uit te zetten Roemeen. Hij vroeg de officier van justitie wat hierbij de Europese ‘mensenrechtelijke toets’ was van het OM. Het antwoord: ‘Nou ja, waar het ons eigenlijk om gaat is dit: kunnen we dit aan de burger uitleggen?’ Jensma: ‘Dat is de onderbuiktoets. Ik was even verbluft, want dan zit je één op één in het repressieve model. Men heeft een soort sociale norm. Er zweeft iets in de lucht waarvan men denkt: kan ik dit nog uitleggen?’

De vraag hoe de rechter de impact van de daad voor de samenleving en de rechtsorde vaststelt is belangrijk omdat uit al die vonnissen niet blijkt dat de rechters weten wat de geschokte rechtsorde eigenlijk inhoudt. De gevoerde gesprekken met rechters bevestigen dit beeld. Het is voor hen een van die standaardtermen uit het recht zoals ‘billijkheid’, ‘redelijkheid’ en ‘goede huisvader’ die je gebruikt zonder te preciseren. De vraag klemt ook omdat ‘de samenleving’ zich anders, emotioneler en agressiever, opstelt tegenover bepaalde strafzaken. Van die strafzaken zorgen moord op kinderen, zedenzaken en lustmoorden, en dodelijke verkeersongevallen door roekeloos rijden voor de grootste massale publieke emotie.

De samenleving is ook een mediacratie geworden, die zijn eigen wetten kent. In strafzaken is er in het voortraject bijvoorbeeld minder media-aandacht. Politiewoordvoerders hoor je zelden meer, officieren van justitie die publiciteit zoeken rond de eis evenmin. Dus balt bij heftige strafzaken – die er altijd zijn geweest – de emotie zich meer samen op de zitting, en komt daarna alles aan op een goed gemotiveerd vonnis.

In een tijd waarin er minder sprake is van een samenleving en meer van een verzameling mondige, juridisch denkende individuen wordt het strafrecht ook meer een transactie tussen individuen. En die stellen meer eisen, hebben meer verwachtingen, zijn sneller teleurgesteld en boos. Dat lijkt in onze ‘toeschouwersdemocratie’ in toenemende mate ook te gelden voor de ‘omstanders’. In elk geval nemen de media, zoals ook Pauw deed, de emotionele termen van de slachtoffers over, of leggen hun die in de mond. Zo sprak het NOS Journaal in 2014 over het ongeluk tijdens de show met een ‘monstertruck’ in Haaksbergen in 2014 – drie doden, 24 gewonden – over de slachtoffers ‘wier leven totaal verwoest is’. Er is dus sprake van emotionalisering van de media, misschien ook wel van de samenleving zelf. Maar leidt die juridische term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ ook tot ‘emotiestrafrecht’?

Criminaliteit werd na de komst van internet 2.0 dagelijkse kost: naming and shaming, stampij maken tegen ‘de slappe rechters’

Rechtsgeleerde Dorien Pessers formuleert het antwoord in fraaie volzinnen: ‘Naarmate de rechtsstaat zich ontwikkelde, zijn mensen zichzelf gaan identificeren als rechtssubjecten. Een identificatie met een fictie, maar met reële effecten. Er wordt bijvoorbeeld niet geroepen dat de sociale orde ernstig is geschonden, maar dat de rechtsorde ernstig is geschonden. Maar wat wordt er dan precies geschonden? Ik denk het vertrouwen dat mensen zich in een rechtsorde over en weer aan het recht houden. Dus een schending van de fundamentele wederkerigheidsnorm, het stilzwijgende principe van elke samenleving.’ Ze voegt daar nog aan toe: ‘Misschien is pas sprake van een ernstig geschokte rechtsorde wanneer de grenzen van de disciplineringsmacht van het recht in zicht komen. Wanneer het gaat om angsten en fantasma’s die kennelijk niet door het recht gekanaliseerd zijn, of niet gekanaliseerd kunnen worden omdat bijvoorbeeld de publieke opinie en de media daaraan in de weg staan. Want de media brengen de emoties in de orde van het imaginaire, en die orde kent uit zichzelf geen grenzen, anders dan het recht dat pretendeert altijd naar maat, evenwicht, proportionaliteit, redelijkheid en billijkheid te zoeken.’

Het is dit gevaar van het grenzeloze dat mij zorgen baart. Waar komt die juridische term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ vandaan en wat betekent ze precies? De juridische bron van de term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ is duidelijk: artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering over de voorwaarden waaraan een bevel tot voorlopige hechtenis moet voldoen. Een van die voorwaarden is dat ‘uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert’. Daarvoor moet er wel sprake zijn ‘van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt’. Let op het woordje ‘en’: het is een aparte voorwaarde voor voorlopige hechtenis.

De meeste rechters vinden desgevraagd de term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ niet erg interessant of relevant. Tot de nieuwe voorwaarde voor voorlopige hechtenis ter sprake komt die uit de koker kwam van staatssecretaris Fred Teeven, en in 2014 door minister Ivo Opstelten na veel verzet door beide Kamers werd geloodst. Naar aanleiding van de incidenten met fysiek belaagd personeel van tram en ambulance door omstanders werd dit artikel toegevoegd aan de eisen van voorlopige hechtenis: indien er sprake is van verdenking van een bepaald misdrijf ‘begaan op een voor het publiek toegankelijke plaats, dan wel gericht tegen personen met een publieke taak, waardoor maatschappelijke onrust is ontstaan’.

Het coalitiebelang moest in de Eerste Kamer de doorslag geven, want inhoudelijk werd er weinig van dit wetsvoorstel heel gelaten. Wat zijn mensen met een publieke taak? Ook elke onderwijzer, elke loketbediende, elke ambtenaar? Hoe bepaal je die maatschappelijke onrust? Is daarvoor voldoende dat het incident een paar uur lang ‘trending topic’ is op de sociale media? En zo ja, maak je dan de voorlopige hechtenis – gezien het uitgangspunt van het strafrecht dat je onschuldig bent tot het tegendeel bewezen is een ‘uiterste middel’ – niet afhankelijk van het geschreeuw in de oude en nieuwe media?

De term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ kwam als argument voor voorlopige hechtenis in het Wetboek van Strafvordering terecht in 1973, bij de herziening daarvan uitgevoerd door minister van Justitie Dries van Agt, die daarvoor als een progressief hoogleraar strafrecht bekend had gestaan. De Handelingen over het debat in de Tweede Kamer over die aanpassing laten een uitgebreid en fundamenteel debat zien tussen de progressieven – die meenden dat de rechten van burgers, zeker verdachten, veel ruimer moesten worden – en de liberalen en conservatieven die vonden dat de staat zich inzake de criminaliteitsbestrijding met deze wijzigingen veel te zwak maakte. De bedoeling van de wetswijziging was namelijk inderdaad de gronden voor voorlopige hechtenis in te perken. Het kwam al te vaak voor dat verdachten een jaar in voorarrest zaten om dan ter zitting een week celstraf te krijgen, of zelfs geheel te worden vrijgesproken.

De progressieve Kamerleden, voorop Van Agts tegenvoeter Hein Roethof (pvda), wilden een eind maken aan het feit dat Nederland in de top van West-Europa stond op het punt van voorlopige hechtenis. ‘Er worden toch al zo ontzettend weinig dieven gepakt, dat vergroot alleen maar de willekeur en de discriminatie ten opzichte van hen die ten slotte wel bij de officier van justitie worden voorgeleid. En dit werkt extra ten nadele van personen uit lagere sociale milieus, doordat bij hen sneller naar het wapen van de voorlopige hechtenis wordt gegrepen’, aldus Roethof. Over dat nieuwe element van de ‘geschokte rechtsorde’ zei hij ‘dat ik ook thans nog niet zo goed raad weet (…) met de nieuwe redactie inzake “geschokte rechtsorde”. Eerlijk gezegd klinkt het mij rijkelijk abstract in de oren: een metafoor die ook zou kunnen zijn gebruikt onder regimes waaraan wij niet al te beste herinneringen bewaren. Personen kunnen geschokt zijn; zodra zulks het geval blijkt met het “gesundes Volksempfinden” wordt het oppassen geblazen.’

‘Ik erken dat aan de formulering dat de “rechtsorde ernstig is geschokt” een zekere vaagheid niet kan worden ontzegd’, gaf Van Agt toe. ‘Het is niet volstrekt duidelijk wie wordt geschokt, wat het woord “rechtsorde” betekent. Ik zou dan ook bereid zijn – indien daarvoor de tijd aanwezig was – een andere omschrijving te zoeken.’ Daarop werd de vergadering gesloten. En na hervatting volgde de stemming. Het stelsel van wetswijzigingen werd met algemene stemming aangenomen, inclusief de betwiste term. Het fiat van de Senaat volgde daarna, het werd een grote triomf voor de minister.

Hoe de huidige term in het wetsvoorstel van 1973 terecht is gekomen, dat kan Van Agt zich nu niet meer herinneren. ‘Mijn beste, dat staat mij nu niet meer zo helder voor de geest. Dat zou onderzoek vergen. Ik heb, weet u, sinds 1977 nog enkele andere baantjes moeten aanvaarden.’

Het onderzoek voert naar rechtsfilosoof Leo Polak (1880-1941) en hoogleraar strafrecht M.P. Vrij (1895-1955), beiden werkzaam aan de Groningse universiteit. Polak was humanist en vrijdenker en streefde naar de ‘zuivering en verdieping van ’s mensen zedelijk en verstandelijk besef’. Vrij geloofde als christen in een collectieve schuld en eveneens in een verheven geestelijke gemeenschap. De legitimatie van straf als wraak, genoegdoening of preventie achtten zij onjuist of onvoldoende. Leed is niet een subjectief leed dat het slachtoffer was aangedaan, maar een objectief leed dat aan ‘de rechtsorde’ wordt toegebracht. Straf herstelt ‘de gedeerde rechtsorde’, aldus Polak.

Vrij introduceerde in 1947 naast de twee aloude voorwaarden voor strafbaarheid – onrechtmatigheid en schuld – nóg een voorwaarde: de ‘subsocialiteit’, wat hij ‘het derde element van het delict’ noemde. Hij werd er internationaal bekend mee. Subsocialiteit was dat ‘wat de betrekking tussen de schuldige en zijn gemeenschap min of meer duurzaam verstoort’ waardoor ‘ook de naaste omgeving van dit element is aangetast of nu aangestoken zal worden’. Hiermee borduurde hij voort op de houding van de ‘moderne richting’ in het strafrecht sinds 1900 dat de zin van straf in haar doel lag: de verdediging van de maatschappij tegen het gevaar van criminaliteit. Niet daad of dader maar ‘het gevaar’ werd de spil van de praktische strafrechtvernieuwing. Dat vroeg bij kinderen om opvoeding, bij ouderen om verbetering en reclassering, bij psychopaten en ‘subnormalen’ om verpleging, bij recidivisten om verwijdering, bij groepsvergrijp om groepsbeïnvloeding.

Na een delict is volgens Vrij de maatschappij ‘niet meer zo gaaf en gezond maar aangetast’. Reparatie van onrecht, zoals teruggave van gestolen goed en dergelijke, was niet voldoende, want ‘ook als de deuk in de orde is terug geklopt (…) blijven wij buiten tastbaar onrecht met een geschonden wereld zitten’. Vrij’s conclusie: ‘Eerst het vitaal belang van zelfhandhaving, maatschappelijke veiligheid, maakt de gemeenschap tot hoofdbelanghebbende, hier opkomend voor eigenbelang en eerst de uitwerking daarvan maakt het strafrecht tot vol publiek recht.’

Polaks visie weerspiegelde de hoge ethische aspiraties van het vooroorlogse vrijdenkende humanisme, Vrij vertolkte de grote zorgen na de bevrijding over de ontaarding van de maatschappij waarin ‘alles zoop en naaide’ (Remco Campert) en ook van het recht zelf. In de ‘bijzondere rechtspleging’ werden mensen die fout waren geweest in de oorlog immers berecht op basis van destijds niet bestaande wetgeving. De ‘deuk in de rechtsorde’ als legitimatie voor straf zou hier mede een antwoord op kunnen zijn.

Toen eind jaren zestig de toen nog grootschalige toepassing van voorlopige hechtenis ter discussie werd gesteld, gaf de commissie-Feber ‘het belang van de rechtsorde’ een plaats in haar omstreden voorstel voor herziene criteria. Zo kwam de definitie ‘geschokte rechtsorde’ in de wetswijziging van Van Agt. Rechtsgeleerde Ernst Hirsch Ballin, tussen 1989 en 2010 twee maal minister van Justitie, staan die discussies over Febers herzieningen nog wel helder voor de geest. ‘De toevoeging “ernstig geschokt” zou best een poging tot compromis geweest kunnen zijn’, zegt hij, ‘toen men het belang van de rechtsorde te veel de deur vond openzetten voor voorlopige hechtenis wegens publieke verontwaardiging.’

Die deur naar de ‘publieke verontwaardiging’ is sinds 1973 wel in toenemende mate open gezet, zowel als het gaat om de rechterlijke toestemming om tot voorlopige hechtenis over te gaan, als om de uiteindelijke vonnissen. Strafrechtgeleerde Lonneke Stevens (VU) heeft uitvoerig aangetoond hoe de rechter bij het verzoek om een voorlopige hechtenis te honoreren als een stempelkussen is gaan fungeren, vaak met de ‘ernstig geschokte rechtsorde’ als argument. En ook gebeurde wat minister Van Agt in 1973 al voorzag: ‘Dat de straf zal worden aangepast bij de reeds ondergane en toch niet meer ongedaan te maken vrijheidsbeneming, om niet bij de verdachte het gevoel te wekken of te versterken dat hij onheus is bejegend.’ Meestal is het vonnis inderdaad minimaal de lengte van het voorarrest, ook om claims te voorkomen. In feite pleegt de overheid hiermee onrecht om niet onrechtvaardig te lijken. Die claims kwamen trouwens toch, en bedragen nu tientallen miljoenen euro’s per jaar.

Een politicus die hardop durft te zeggen dat het repressievere beleid verkeerd is, moet wel héél veel voorkeurstemmen hebben

Dat de term ‘ernstig geschokte rechtsorde’ zo vaak in vonnissen voorkomt, wekt bij veel rechters verbazing. De rechter staat het immers geheel vrij om welke termen dan ook te gebruiken om de strafmaat te motiveren. Oud-president van de Hoge Raad Geert Corstens geeft grif toe dat die term ook bij de straftoemeting een rol is gaan spelen. ‘Je ziet dat de tijdgeest daarin een rol speelt. Rechters straffen strenger, en dan is de term ernstig geschokte rechtsorde een manier om daar vorm aan te geven.’ Oud-rechter Marcel van Oosten, die onder meer de eerste rechtszaak tegen Geert Wilders deed, geeft een nuchterder verklaring: ‘We vinden het wel een mooi begrip. En rechters praten elkaar geweldig na. Ook zo’n mooie term: hoe vreselijk het is “dat iemand zoiets moois als het leven is ontnomen”. Staat gewoon in de computer. Veel strafmaatoverwegingen staan kant en klaar in de computer.’

Naast de technologische ontwikkelingen, die het nu bijvoorbeeld mogelijk maken vanuit de rechtszaal te twitteren, zijn het de uitbarstingen van publieke verontwaardiging die de rechterlijke macht telkens met een schok doet beseffen dat er meer uitleg nodig is. Neem het verschil tussen de zaak-Saban B. in 2009 en de zaak van de Poolse chauffeur die in 2014 een fietsend stel en hun kleindochter aanreed met dodelijk gevolg. In 2008 had de rechtbank te Almelo Saban B. veroordeeld tot 7,6 jaar wegens vrouwenhandel, mishandeling en het leiden van een criminele organisatie. Hij zat vast in afwachting van hoger beroep. In september 2009 gaf het Hof te Arnhem hem verlof om zijn pas geboren kind te bezoeken. Hij verdween naar Turkije, met grote media-opwinding tot gevolg, aangevuurd door De Telegraaf. Een week later erkende president van het Hof te Arnhem dat men het vluchtgevaar verkeerd had ingeschat.

De Poolse chauffeur kreeg van de rechtbank Roermond een taakstraf van 120 uur, waarop de vader van het kind, die levenslang had geëist ‘zoals wij zelf hebben’, een stoel smeet naar de rechters. Nog diezelfde avond kwam de rechtbank met een schriftelijke toelichting op het lichte vonnis. In hoger beroep kreeg hij alsnog de geëiste vijftien maanden celstraf. ‘Hier speelde de publieke opinie wel degelijk een rol’, denkt oud-rechter Frans Bauduin die in 2002 het vonnis van achttien jaar velde over de moordenaar van Pim Fortuyn. ‘Van der Graaf zou nu ook dertig jaar hebben gekregen. Het vonnis over Van der Graaf was de waterscheiding.’ Dat wil zeggen: sindsdien straffen rechters langer en wordt in de vonnissen vaker gesproken over ‘de schade voor de omgeving, de samenleving’, en over die ‘geschokte rechtsorde’.

Dat 2002 de grote dambreuk was in het strafrecht is plausibel, al moeten we de moord op Fortuyn wel plaatsen in een al lang op gang gekomen proces van emotionalisering, mediatisering en digitalisering van de samenleving, waarin eerst de georganiseerde criminaliteit en daarna het ‘zinloos geweld’ periodiek tot grote commotie en stille tochten hadden geleid. Als kantelmoment noemt Van Oosten het vierjarige ‘meisje van Nulde’ van wie in 2001 restanten werden gevonden, in stukken gezaagd door de stiefvader. ‘Dat was een hype. Heel Europa zat in de rechtszaal. Qua pers nieuw, was ik totaal niet op voorbereid. Er was gelukkig geen tv in de zaal zelf. Je kwam die zaal binnen en toen stonden er wel veertig microfoons voor je neus. Aangezien die stiefvader dat meisje had doodgetikt en in de vriezer had gestopt, heb ik bij de moeder de tbs eraf gehaald. De druk van de publieke opinie om dat níet te doen was heel groot. Vroeger werd met publieke emoties nauwelijks rekening gehouden.’

De grootste breuk in het bewustzijn van de 21ste-eeuwse Nederlander lag misschien wel tussen het meisje van Nulde en de moord op Pim Fortuyn in: bij 9/11. Een voorbeeld is Bert Brussen (1975), met Annabel Nanninga de hoofdredactie van de succesvolle rechtspolitieke website The Post Online (tpo). Hij werd volwassen met internet, en zegt politiek blijvend gevormd te zijn door de live-beelden van de instortende Twin Towers. Dat wekte zijn wantrouwen jegens alles wat links is of multicultureel, versterkt door zijn verhuizing naar een ‘Marokkanenwijk’ in Utrecht. Net als de site GeenStijl – ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’ – en andere ‘shocklogs’ kritiseert hij ook te softe straffen. Brussen: ‘Je wilt als slachtoffer of nabestaande dat de officier van justitie voor jóu opkomt. Maar het OM vergeet gewoon te melden dat de dader weer vrijkomt, zodat je hem onverwachts ’s avonds weer tegen het lijf kunt lopen. Wij van tpo zijn érg voor slachtoffers, erg tegen het openbaar bestuur dat faalt, en iedereen weet dat er te weinig politie is.’

Medium 17 04 21 emotio ii 2

Wat vroeger alleen De Telegraaf deed, deed na 1990 ook de commerciële televisie met roemruchte tv-programma’s als Peter R. de Vries, misdaadverslaggever. Criminaliteit werd na de komst van internet 2.0 dagelijkse kost: naming and shaming, stampij maken tegen ‘de politiek’ en ‘de slappe rechters’. Het activisme voor hardere maatregelen tegen echte of vermeende daders werd in dit internettijdperk gemakkelijker te organiseren dan ooit. Activisten begonnen sites als stopkindersex.nl en het was GeenStijl dat in 2013 foto’s online zette van het ‘teringtiefustuigh’ dat in het Eindhovense uitgaansgebied een argeloze voorbijganger in elkaar had getrapt. De meeste daders gaven zich daarop direct aan.

Maar de oude media en politiek Den Haag volgden. Het tv-programma Zembla, van de progressieve omroep Vara, deed een duit in het zakje, die als een dreun werd ervaren door de rechterlijke macht en ook Reclassering Nederland. De aflevering eind 2007 heette Moord, doodslag, taakstraf. Men bracht mensen voor de camera die beweerden dat ze voor de ernstigste delicten een taakstraf hadden gekregen. Een veroordeelde fraudeur liep lachend in een verzorgingsflat rond – ‘Ha, tante Annie!’ Directeur Reclassering Nederland Sjef van Gennip herinnert zich het programma nog goed: ‘Suggestief en buitengewoon slecht. Maar het kwaad was geschied. De Telegraaf, Kamervragen: hier móet nú iets gebeuren! Bewindslieden riepen direct dat de wet moest worden aangepast.’

Door dit soort berichtgeving ‘dreigt op onjuiste gronden het publieke vertrouwen, dat zo noodzakelijk is voor het goed functioneren van het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te worden aangetast’, schreven het OM en de Raad voor de Rechtspraak in een haastig verordonneerd onderzoeksrapport. Een van de conclusies: in vijf van de 120 onderzochte zaken werd de eis door de onderzoekers te licht bevonden. Een andere conclusie luidde ‘dat op bepaalde punten de motivering door de rechtbanken scherper had gekund’. De Raad ging daarop in versneld tempo verder met het ontwikkelen van een ‘nieuw model van bewijs- en strafmotivering vonnissen’.

De rechterlijke macht bleef in het defensief. Beeldvorming werd steeds belangrijker gevonden. Letterlijk. Fortuyns moordenaar Van der Graaf, die na zijn vrijlating een mediaverbod was opgelegd, werd in 2014 al dan niet opzettelijk gefotografeerd door De Telegraaf. Het ministerie van Veiligheid en Justitie richtte er een speciaal crisiscentrum voor in. Alles rond veiligheid was intussen imagobelang, en dus institutioneel belang.

Hoe groot de angst voor de demonstrerende ‘boze burger’ was geworden, bleek ook uit het gezeul met de Bossche zwemleraar Benno L. die in 2013 vrij kwam na zijn detentie wegens zedendelicten. De nazorg voor ex-delinquenten ligt zowel bij de reclassering als bij de gemeente waar deze ingeschreven staan. Maar Den Bosch wilde hem niet weer in de buurt hebben. Daarna werd gezocht naar een gemeente die hem wel wilde opnemen, waartoe de burgemeester van Leiden uiteindelijk bereid was. Protestdemonstraties voor de nieuwe flat van de man waren het gevolg. In feite trokken de meeste benaderde gemeenten een cordon sanitaire op om de man te weren, om wille van de gevreesde volkswil. Benno L. is intussen naar Duitsland verhuisd.

Waar ligt het aan dat het strafrechtklimaat de afgelopen tien jaar gekenmerkt is door juridische heisazaken, golven van publiekelijke woede over deze veiligheidskwestie of dit ‘politiek incidentalisme’ (Tjeenk Willink), met pvv-leider Geert Wilders als provocerende stuwkracht achter nog meer ‘law and order’? Steeds vaker stelde men een ‘ernstig geschokte rechtsorde’ vast. Een belangrijke reden geeft de criminaliteitsredacteur van NRC Handelsblad Marcel Haenen. De grootste verandering sinds hij begon medio jaren tachtig? ‘Alles is veel zichtbaarder geworden. Vroeger wisten “de mensen” niets van de rechtspraak. Toen kreeg ik een keer per jaar een brief van een lezer. Nu word je voortdurend op de vingers gekeken bij alles wat je schrijft. Je moet je veel meer verantwoorden. Kinderporno, Demmink, Bouterse, de reaguurders willen direct weten waar je loyaliteit ligt. Als je niet vanuit verontwaardiging schrijft, krijg je direct mails en tweets dat je zelf zeker een pedofiel bent.’ Het allerergste? ‘Dat iedereen zich nu journalist noemt. Vroeger zaten bij een rechtszaak altijd dezelfde vier verslaggevers. Nu blogt iedereen en komt met zo’n kindercameraatje naar de rechtszaal, inclusief al die complotdenkers.’

‘De wereld van het strafrecht is harder geworden’, zegt veteraan Gerard Spong. ‘We worden als advocatuur meer belemmerd in ons werk, en boze burgers sturen me poederbrieven als hen niet bevalt dat ik iemand verdedig.’ De wereld van de media is ook harder geworden, in elk geval onoverzichtelijker. De meeste ‘nieuwe media’ zoals GeenStijl doen categorisch niet aan wederhoor, dus een verzoek om rectificatie heeft weinig zin. En ‘de politiek’ is ook harder geworden, dat wil zeggen een politicus die hardop durft te zeggen dat het repressievere beleid principieel verkeerd is, die moet wel de steun hebben van héél veel voorkeurstemmen.

Het huidige strafrechtklimaat wordt gevormd door structurele bewegingen, conjuncturele veranderingen en incidenten. Het is daarom niet juist om ‘de media’ of ‘de burgers’ als enige verantwoordelijk te houden voor het feit dat het spel om ‘de volkswil’ voor zich te winnen nu harder wordt gespeeld. Maar opmerkelijk blijft het dat ook in de huidige communicatief verknoopte wereld het aantal zenders inzake rumoer rond rechtszaken en veiligheid vrij klein blijft. Het aantal demonstranten dat in 2013 in Deventer demonstreerde tegen de komst van een pedoseksueel – achter een banier met de tekst ‘Wij trekken een grens, een pedo is géén mens!’ – was enkele tientallen. Maar de ME stond paraat. Het aantal demonstranten in Leiden tegen de komst van Benno L. was enkele honderden. Oftewel, wordt de sfeer niet ook steeds harder en angstiger omdat iedereen, zeker de overheid, steeds gevoeliger wordt voor ‘het imago’?

Je kunt – als organisatie, als politicus of bewindsman, als rechterlijke macht – ook een dag níet kijken op Twitter of Facebook, dan is het weer weg. Het gaat er vooral om wanneer je signalen wél serieus moet nemen dat er deze keer sprake is van een ‘ernstig geschokte rechtsorde’. Een beetje meer zen. Maar de wereld van de politiek reageert al sinds jaar en dag niet meer gelaten. En de rechterlijke macht evenmin. In beide werelden is de sfeer hyper geworden. Ook ten opzichte van elkaar.


Henri Beunders is hoogleraar ontwikkelingen in de publieke opinie aan de Erasmus Universiteit. Deze serie is mede tot stand gekomen dankzij Fonds 1877. Het eerste deel van deze serie is hier te lezen.