De koloniale leeslijst

Het demasqué van de witte mens

De stille plantage is de eerste Nederlandse roman met de slavernij als thema. Maar het boek van Albert Helman is geen pamflet tegen het houden van slaven.

Albert Helman in 1935 © Familiealbum Lichtveld

Planten die over planten groeien, bomen die nieuwe bomen overschaduwen, het gekwetter van kleine vogels, die niet worden opgeschrikt door mensenstemmen, jonge apen die buitelen van plezier, klaterend water en paradijsvogels die met jonge eekhoorns spelen onder een strakke blauwe lucht – ziedaar het beeld van het oerwoud dat Albert Helman in een paar zinnen schetst op de eerste bladzijde van De stille plantage. Het beeld is te mooi om waar te zijn. En dat beseft Helman ook, want dit is geen bestaand oerwoud, het staat los van de mens, is door geen mens waargenomen, het is pure verbeelding. Ooit lag in deze wildernis de stille plantage, ver weg van de stad. Oerwoud en wildernis hebben de onverbiddelijke neiging te verworden tot woestenij, en dat is precies wat is gebeurd met de stille plantage: die is verzwolgen door de natuur.

De stille plantage, de bekendste roman van de Surinaams-Nederlandse schrijver Albert Helman, die in 1931 verscheen, speelt aan het eind van de zeventiende eeuw. De hugenoot Raoul de Morhang vlucht met zijn vrouw Josephine en haar twee jonge zussen Agnes en Cécile van Frankrijk naar Nederland, omdat de Franse koning op het punt staat het Edict van Nantes, dat hugenoten godsdienstvrijheid geeft, in te trekken. In het kille Amsterdam kunnen ze niet aarden, en ze reizen door, naar een niet bij naam genoemd tropisch land, waar ze een plantage willen beginnen.

Raoul heeft hooggestemde idealen: hij wil in het oerwoud zijn dromen en geloof verwezenlijken. In Amsterdam heeft hij gehoord dat in dat verre land aan de andere kant van de oceaan de rijkdommen liggen opgestapeld, maar het is hem niet te doen om goudkoorts, maar om ‘een staat van rechtvaardigheid, van juiste verhouding en juiste verdeling, als een bolwerk, klein maar hecht te midden van een grote roofstaat’. Hij wil er de liefde over alles laten heersen.

De rechtvaardige minisamenleving moet vooral de slaven gelden. Al tijdens de overtocht, in een gesprek dat Raoul heeft met de kapitein, keert hij zich tegen de vanzelfsprekendheid van slavernij. ‘Zijn zij minder mens dan wij, omdat zij leven in verwildering en zonder wetten?’ Van christelijke rechtvaardigingen van slavernij wil hij niet weten. ‘Slavernij is alleen voor het dier.’

De stille plantage is de eerste Nederlandse roman die slavernij als thema heeft, Albert Helman de eerste schrijver uit ‘de West’ in de Nederlandse literatuur, de moderne Surinaamse literatuur begint bij hem. Helman – pseudoniem van Lodewijk (Lou) Lichtveld – werd zelf in 1903 in Paramaribo geboren, in een familie met Duitse, Franse en creoolse wortels, al was hij vooral trots op zijn twee grootmoeders van Indiaanse komaf. Als stadsjongen van gemengde afkomst behoorde hij tot de lichtgekleurde elite van Suriname. Hij woonde behalve in Paramaribo ook in Nederland, waar hij naartoe trok om musicus te worden, in Spanje, vanwaar hij over de burgeroorlog schreef voor NRC en De Groene, in de Verenigde Staten, het Caraïbische eiland Tobago en Italië. Als kosmopoliet, zo zag hij zichzelf.

De stille plantage is ook niet zomaar een anti-slavernijroman, daar is het boek veel te dubbelzinnig voor. Het begint al met de hoofdpersonages, die ‘goede’ slavenhouders zijn, maar niettemin slavenhouders. Al voor hij zijn plantage gesticht heeft krijgt Raoul van iedereen met wie hij maar praat te horen dat zijn idealisme – menselijk met zijn slaven omgaan – onhoudbaar is. Aan boord zegt de kapitein: ‘’t is schoon gedacht, doch de werkelijkheid is anders’. In de stad waarschuwt de gouverneur dat ‘strengheid en besnoeiing’ nodig is. ‘Geloof hier niet aan vrijheid; wees een krachtig meester over wat u toevertrouwd is.’

En als hij op zoek naar een goede plek voor zijn plantage bij andere plantagehouders aanmeert, wordt hem ook voorgehouden dat het hoofdzaak is te zorgen dat de slaven hard werken. ‘Wie ’t werkvolk in bedwang heeft, kan planten op een steenrots, in de savanne zelfs…’ Als Raoul tegenwerpt dat slaven in zijn ogen mensen zijn die je met zachtheid en rede moet behandelen, schampert de directeur van de plantage: ‘Laat ieder met zijn eigendom doen wat hij wil. Een stoel die niet deugt hak je tot brandhout, een slaaf die je ergert geef je wat hem toekomt.’ ‘Zalig is hij die zijn slaven niet spaart’, vult de opzichter aan met een bijbelcitaat.

De koloniale leeslijst

Nu standbeelden sneuvelen en ons koloniale verleden opnieuw tegen het licht wordt gehouden, is het interessant om te kijken hoe dat koloniale bestaan eruitzag in de Nederlandse literatuur. Deze zomer herleest De Groene schrijvers als Pramoedya Ananta Toer, Cola Debrot en Multatuli.

Raoul projecteerde het paradijs op het oerwoud en zijn plantage, en de mislukking van zijn ondernemingis dan ook niets anders dan een zondeval

Raoul wordt in de roman door andere witte mensen op zijn best als een naïeve dromer gezien, maar eerder als een hoogmoedige dwaas. Het realisme, en daarmee de blanke wreedheid, wordt verbeeld in Willem Das, de ‘blankofficier’ die de leiding over de slaven krijgt. Das is gepokt en gemazeld in de brute wetten van de planters; hij heeft het over de slaven als over ‘zwart vee’.

Zeker in latere reacties op De stille plantage is er kritiek op het perspectief dat Helman heeft gekozen. Hij zou witte lezers een ontsnappingsroute bieden met zijn keuze voor nobele hoofdpersonen. En is het niet wat al te makkelijk, de beestachtigheid te concentreren in één moreel ontspoorde man, die bovendien, net als de andere planters die kort worden opgevoerd, een flat character is? Daar komt bij dat Helman het leven in de wildernis door de ogen van de blanken bekijkt, hij kruipt in de hoofden van Raoul, zijn vrouw Josephine en haar zusters, en ook soms in dat van Willem Das – de zwarte slaven krijgen geen gedachten. Integendeel, de witte personages vragen zich af ‘wat in die zwarte koppen van de negers omging’ en proberen vergeefs iets te begrijpen ‘van ’t geheim dier zwarte koppen’.

En dan is de blik op de slaven ook nog eens doordrenkt van racisme. Raoul en de vrouwen zien hen vooral als ‘dwaze domme kinderen’ die ook wel sterk en edel zijn, maar soms toch ook als ‘dierlijke wezens zonder ziel’; Willem Das en andere planters beschouwen hen ronduit als dieren, ‘zonder verstand’. Latere critici twisten erover of Helman hiermee de koloniale blik heeft willen vangen – het is per slot van rekening de zeventiende eeuw – en de hypocrisie van de zogenaamd goede slavenhouder, of dat hij zelf ook racistische vooroordelen heeft.

Maar die vraag opwerpen – zag Helman de zwarte slaven ook als ‘de ander’? – getuigt van een beperkte lezing. De stille plantage is geen pamflet tegen slavernij, misschien kun je zelfs stellen dat slavernij niet eens het belangrijkste thema is en dat niet de hugenotenfamilie in ballingschap maar het oerwoud zelf het belangrijkste personage is. Als het over de verzengende kracht van de wildernis gaat, de schoonheid ervan, maar ook de niet te beteugelen groeikracht, het overdonderende geweld van de regen die soms als een zondvloed uit de hemel komt, dan is de lyriek in de roman het felst. Het oerwoud lijkt dan een eigen wil te hebben. ‘Het woud vergaat en wordt geboren in eenzelfde ogenblik; het woud is eeuwig, is het leven zelf, en voor de mensen van de wildernis is het een wrede, sterke god.’

De naïviteit van Raoul speelde niet alleen in zijn ideeën over slavernij, zij was er ook in zijn droom om in de woestenij een lusthof te vestigen ‘zoals de rijkste vorst niet kopen kan’. Een plantage waar gelukkige mensen zingend aan het werk zijn en de zwarte mensen in helder geschilderde huisjes wonen, rondom beplant met bloemen. Hij projecteerde het paradijs op het oerwoud en zijn plantage, en de mislukking van zijn onderneming is dan ook niets anders dan een zondeval.

De mislukking wordt aangejaagd door de natuur, door de rietpest die fde suikerrietstengels aantast – ‘De grond neemt met woeker terug wat het geeft.’ Later blijken ook de tabaksplanten vol rupsen te zitten en vreten mieren de kostgrond aan. De natuur is geen vriend maar een bedreiging, zoals de dieren en de slaven dat ook zijn. Helman lijkt meermaals het woud en de slaven met elkaar te rijmen, als iets dat oer is en waar de witte buitenstaander geen vat op kan krijgen. Het is een gevaarlijk, want clichématig verband, maar hij weet goed op te roepen hoe de verslindende wildernis en de onkenbare zwarte ander angst veroorzaken, juist bij de blanken die over hen willen heersen. De bruutheid van Willem Das en de zijnen is ook een reactie op die angst.

De val uit het paradijs gaat dan ook veel verder dan een knullige plantagehouder die zijn oogsten ziet mislukken en zich erbij neerlegt dat hij niet voor dit werk is toegerust. Raoul moet het pijnlijke inzicht toelaten dat hij zijn ideaal – van slaven vrije, gelukkige mensen maken – niet kan verwezenlijken. Ook blankofficier Das wordt achtervolgd door onvervulde dromen die hem naar de fles doen grijpen en maken dat hij zich wreder en wreder tegenover de slaven gedraagt. De zweepslagen die hij uitdeelt verlichten zijn pijn even, maar werpen hem ook op zichzelf terug, alleen in die hel. En hij moet zijn wreedheid, die hem volgde ‘gelijk een wilde hond’, bekopen met zijn menselijkheid.

Uiteindelijk sterft hij zelf als een beest. Het is de slaaf Isidore, de natuurlijke leider van de andere slaven, die Willem Das doodslaat, als deze een zwangere slavin tot stervens toe met de zweep geselt. Isidore wordt door bezoekende planters vermoord. En dan is het Agnes, een van de zussen, die een stille, niet toegegeven liefde voor Isidore heeft opgevat, die in atavisme vervalt. Ze trekt in het slavinnenhuis, en wil niets meer van haar witte privileges weten. Ze werpt dat wat onder ‘beschaving’ wordt verstaan van zich af en probeert een te worden met de slaven. ‘Mijn taak is mee te voelen en te lijden’, zegt ze tegen Raoul.

In zekere zin doet De stille plantage denken aan Heart of Darkness van Joseph Conrad: in het hart van de wildernis wordt de beschaving ontmaskerd. De roman gaat niet zozeer over de slaven, maar over het demasqué van de witte mens, die in die tropische oorden niets te zoeken heeft. Niet alleen Willem Das is onmenselijk, Raoul is het evengoed, in zijn halfzachte aanpassing aan het plantersregime. En het oerwoud, dat blijft zijn ongenaakbare gang gaan, ook als Raoul en de zussen naar Engeland zijn verhuisd. De stille plantage raakt meedogenloos overwoekerd.