Hans Goedkoop, Een verhaal dat het leven moet veranderen

Het demasqué van een criticus

Hans Goedkoop

Een verhaal dat het leven moet veranderen

Augustus, 288 blz. € 17,95

Met Een verhaal dat het leven moet veranderen ziet Hans Goedkoop zijn taak als literatuurcriticus volbracht: de naar zijn smaak meest waardevolle kritieken die hij de afgelopen jaren schreef voor de boekenbijlage van NRC Handelsblad zijn hier bijeengebracht, aangevuld met actuele inzichten en geordend met behulp van nieuwe essays over literatuur en literatuur kritiek. In het slotstuk verklaart hij er allengs achtergekomen te zijn dat de manier waarop hij over literatuur zou willen schrijven niet past bij de aard van de wekelijks terugkerende recensie praktDe beste criticus is een voormalig criticus, schrijft hij op de laatste pagina van wat dus zijn zwanenzang blijkt te zijn.

Nu is het bijzondere van de status van Hans Goedkoop dat hij al «bij leven» geregeld is uitgeroepen tot de beste criticus van het land. Anders dan collega-critici schrijft/schreef Goedkoop het type verstehende besprekingen, dat de slotsom leek van een grondige psychoanalyse van zowel de schrijver als zijn personages. Het bracht hem tot inzichten die zijn cliënten niet altijd welgevallig waren (denk aan de wanhoop-zonder-bodem van Grunberg, IM van Palmen dat «niet geeft maar neemt», en het vluchten-voor-eigen-persoon van Zwagerman) en zijn lezers niet altijd helemaal duidelijk. Desalniettemin is hij in zijn inventiviteit, onnavolgbaarheid en zelfingenomenheid altijd imponerend. «Ik snapte het niet helemaal, wat hij over Zwagerman schreef», hoorde ik ooit een uitgever zeggen, «maar het is volgens mij wel wáár.»

De laatste jaren schreef Goedkoop al bijna geen recensies meer. In de spaarzame (paginagrote) stukken die nog wel verschenen, toonde hij zich ver verwijderd van het incidentele boek en de individuele schrijver. Hij leek een beetje op drift geraakt of overspannen, in zijn roep om een boek zo blanco mogelijk te lezen, op je in te laten werken en de straat op te gaan om te kijken of je blik op de wereld erdoor was veranderd. Alle gevoelige redeneringen en intelligente observaties ten spijt was hij eigenlijk steeds meer vooral met zichzelf in gesprek.

Deze indruk wordt versterkt door de verschijning van deze bundeling van stukken die een mengvorm zijn van essay, kritiek en commentaar. Een verhaal dat het leven moet veranderen is een boek geworden dat zichzelf duchtig in de staart bijt, of, in goedkoopiaanse termen: dat in zichzelf «rondzingt». Ja, zou Goedkoop hier zelf aan toevoegen – inclusief dat «ja» aan het begin van een zin – het is precies datgene waartegen het gevoelig en intelligent, maar ook nogal pedant, stelling neemt. Allereerst, beetje flauw misschien maar toch: omdat het je afhoudt van het lezen van een echt boek. Bijna driehonderd pagina’s houdt hij je gevangen in een metameta-taal die doet snakken naar iets echts, iets levends, iets primairs, kortom naar datgene waar het ook volgens Goedkoop éigenlijk om zou moeten gaan.

Daarnaast omdat hij in zijn schreeuw om blote billen zelf zo ontzettend de broek aanhoudt. Kunstenaars geven zich bloot, en critici zouden dat volgens hem ook moeten doen, willen ze echt iets nieuws te berde brengen. Ondertussen lijkt hijzelf echter vooral bezig met het metselen van grafmonumenten zogauw hij het over concrete schrijvers en hun boeken heeft, in plaats van zich dan zogenaamd ontvankelijk te tonen voor onverwachte sensaties en inzichten. Van het tegenovergestelde geeft hij op zijn ergst blijk als hij zich afvraagt waarom Albert Egberts, hoofdfiguur in A.F.Th.’s De tandeloze tijd, het eigenlijk zo erg vindt om op dezelfde dag als de koningin jarig te zijn. Waarom niet daar de voordelen van inzien? Tja, waarom Theo Thijssen zijn Kees de jongen niet wat efficiënter over straat liet lopen is mij ook altijd een raadsel gebleven.

Tot slot omdat blijkt, nu de stukken zo overzichtelijk bijeengebracht zijn, dat hij eigenlijk altijd hetzelfde op die grafsteen beitelt, of hij het nu over A.F.Th., Giphart of Grunberg heeft: «hier rust een angstkunstenaar». A.F.Th. denkt met zijn oneindige cyclus te ontsnappen aan het menselijk gewemel, maar bevindt zich eigenlijk in een doodlopende steeg. Zwagerman gaat in zijn werk tot het uiterste om in werkelijkheid maar nooit het volledige leven te hoeven omarmen. Giphart durft de sprong niet aan van sensaties naar ervaring. Rosenboom werpt met zijn geconstrueerde romans een barrière op tegen de onbegrijpelijke werkelijkheid. Lege spiegels, cul-de-sacs, impasses, «een tweede ziel in de borst van het verhaal»; de een na de ander is vooral bezig zichzelf voor de gek te houden. Ja, zelfs – zijn stijl heeft iets besmettelijks – verwijt Goedkoop ook critici angsthazerij. Dat zou hij zichzelf evenzeer aanrekenen, ware het niet dat híj nu de dans gaat ontspringen, híj stapt eruit, uit deze maskerade, deze vlucht in de literatuur, deze pseudo-orde, schijnwerkelijkheid, wat al niet, híj heeft nu namelijk een kind, denk je even heel stiekem, een kind aan wie hij dit boek ook opdraagt.

Goedkoops visie op het schrijverschap ligt achteraf gezien besloten in de allereerste zin van zijn boek: «Voor wie het leven in de werkelijkheid vreest is er, zoals bekend, de uitweg van een leven in de kunst.» In eerste instantie denk je: ja, verdomd. Na twee dagen denk je echter: hoezo eigenlijk? Wie het leven vreest, gaat orchideeën kweken, bij de Algemene Rekenkamer werken, cocaïne snuiven, kinderen krijgen. Maar goed. Schrijven komt voort uit angst, denkt Goedkoop. En dus leest hij ook die angst in romans, zozeer dat hij een regelrechte lijn gaat zien tussen Kellendonk en Grunberg. Hij creëert zijn eigen «spookorde» (ook een favoriet woord). Lezen is volgens hem eveneens angst; met je boekje in een hoekje en laat de wereld maar aan je voorbijgaan. Schrijven óver lezen is ongeveer het kwadraat van angst: lekker over een ander oordelen zonder dat je zelf beoordeeld wordt. En dus ziet hij bij zijn collega’s («Van Arjan Peters via Jeroen Vullings naar wie heb je verder nog, zeg Thomas van den Bergh en, al iets ouder, Kees ’t Hart») ook weer afstand en afkeer: «De wereld van de bange mannen.» Voor de niet-bangerikken kun je uitsluitend bij zijn directe collega’s terecht: Bas Heijne, Arnold Heumakers en Maarten Doorman. De doorgewinterde bankzitters zeg maar.

Goedkoop ontmaskert zichzelf als een criticus met een beperkt blikveld en een dito vocabulaire. Met deze publicatie voltrekt zich in feite iets soortgelijks «ontluisterends» als hij kenschetst voor A.F.Th. en zijn eerste romancyclus in het licht van de verschijning van De Movo tapes. Je komt uit de wereld van de krantenstukken vandaan, kijkt er eens naar, loopt eromheen, neemt afstand – en begrijpt ineens niet meer waarom ze ooit zo diepzinnig leken.