Het denkend lichaam

Cairngorms National Park, Schotland © Jim Richardson / National Geographic Images / Getty Images

Ondanks haar vele reizen naar Europa en Zuid-Afrika bleef Nan Shepherd (1893-1981) haar hele leven in het Schotse dorpje West Cults wonen, vlak bij de uitlopers van haar geliefde Cairngorm Mountains. Ook bleef ze veertig jaar een betrokken docente Engels aan een opleidingsinstituut in Aberdeen. Misschien waren haar honderden voettochten in de Cairngorms wel haar ‘verste’ reizen als het gaat om scherp waarnemen, zintuiglijke intensiteit en diep denken met het lichaam. Zeker waren het ook innerlijke reizen naar de kern van het bestaan. Ze schreef er poëzie over, voor haar samengebalde ervaring: In the Cairngorms (1934). Beelden en sensaties uit die bundel moeten zijn terechtgekomen in haar wandel- en reisboek De levende berg, dat ze in de Tweede Wereldoorlog schreef maar dat pas dertig jaar later verscheen.

Shepherd ontliep platgetreden paden en vond het liefst nieuwe wandelroutes uit rond het plateau, de voorkeursplek waar haar boek begint. Onmiddellijk maant ze de haastige lezer tot vertraging, omdat kennis – van de biologie, van het leven – nu eenmaal stap voor stap vergaard kan worden. Ze zet haar geologische kennis in om iets te vertellen over de overlevingsdrift van graniet en flora en fauna. De geduldige lezer volgt haar en beseft dat zintuiglijke scherpte nooit vanzelfsprekend is. De voet blijkt een slechter geheugen te hebben dan het oog. De vocabulaire waarover Shepherd (én haar voortreffelijke vertaler Pauline Slot) beschikt, bevat woorden die ik voor het eerst las: schist, gneis, keteldal, wilde gagel, tapuit, saxifraga, sedum, beenbreek, rolklaver, tormentil. Het is maar een greep uit een rijk arsenaal.

Het bergvirus waarover Shepherd spreekt is de klimverslaving in steeds ijlere lucht, niet zozeer naar de top. Voor dat soort klimmen of klauteren is een onvertaalbaar woord: feyness. ‘Fey is misschien een te sterke term voor de heerlijke verlossing van het lichaam die in het klimmen wordt bereikt.’

De levende berg wordt een louteringsberg en het stijgen en dalen valt samen met een innerlijke tocht naar ‘de landschappen van de ziel’. De sensaties die Shepherd ondergaat in de natuur hebben allemaal te maken met haar eigen bewustzijn, verscherpt door allerlei natuurlijke verschijnselen: de wind en de vorst die het water tot prachtige patronen laten stollen; de vlucht van de goudarend op de luchtstromen; de ingenieuze wijze waarop wortels van planten houvast vinden ergens in de aarde of tussen granietspleetjes. ‘Waarom sommige steenblokken, in wrede en verwrongen stukken uiteengevallen, zo diep kalmerend kunnen uitwerken op de geest kan ik niet verklaren.’

'De levende berg' is een spiegel. In de natuur kan de mens zichzelf zien

Als Shepherd het koude en glasheldere water van een meer inloopt en opeens de bodem vlak voor haar steil ziet aflopen in een zichtbare maar onpeilbare diepte, ervaart ze dat haar ziel even naakt, en weerloos, is als haar lichaam. Het is beter om zich bestemmingsloos in de bergen te bewegen dan doelbewust te lopen, want dan geeft de zwijgende berg zich sneller.

Slapen in de Cairngorms, overdag of ’s nachts, levert nieuwe waarnemingen en ervaringen op. De natuur kan dan heel dicht naderen. Een ree staat opeens vlakbij, een vogel pikt in haar huid. Op zoek naar de bron van riviertjes ontdekt Shepherd wat water is, water dat zomaar lijkt op te wellen uit graniet. Het babbelt en kabbelt, ruist en klettert, dondert en valt. Als het stroomt toont het zijn enorme kracht. En toch: ‘Het doet niets, absoluut niets, dan zijn wat het is.’

Tegen het einde van De levende berg probeert Nan Shepherd iets te zeggen over zijn en niet-zijn en over de natuur, die altijd maar is. ‘Dus simpelweg naar iets kijken, zoals een berg, met de liefde die zijn wezen weet te raken, is een manier om in de oneindigheid van niet-zijn het domein van het zijn wat uit te breiden. De mens heeft geen enkele andere reden om te bestaan.’ Zweverig?

In het slothoofdstuk omschrijft ze het zuiver zintuiglijk leven (in de bergen) als iets wat losstaat van elk bevattingsvermogen, zodat ‘je kunt zeggen dat het lichaam het denken doet’. De heldere inleiding van Robert Macfarlane verwijst in verband met Shepherds overpeinzing over het denkend lichaam terecht naar Maurice Merleau-Ponty. Hij werkte vlak na de Tweede Wereldoorlog de gedachte uit dat het bewustzijn een functie van het lichaam is en dat het dus een ‘gebeurtenis’ binnen het lichaam is die onafhankelijk is van wat daarbuiten allemaal aan de hand is. Die filosofische houding ligt dicht bij het boeddhisme, zen, zin en zijn. Niet toevallig wijdt Nan Shepherd haar laatste alinea aan ‘de boeddhist die voor een pelgrimage de berg op gaat’. De reis naar het Zijn ís een dieper doordringen in de berg, die leeft. Zo dringt de bergbeklimmer dieper door tot zichzelf. Het is géén sprong úit jezelf. ‘Ik ben niet buiten mijzelf, maar in mijzelf. Ik ben. Om het Zijn te kennen, dat is de ultieme genade die de berg verleent.’

De levende berg is een spiegel. In de natuur kan de mens zichzelf zien. Maar wat die mens ook moet waarnemen is dat diezelfde natuur in gevaar verkeert door de ongebreidelde vernielzucht van homo sapiens.