Het diepe, diepe frankrijk

Wie kiest voor de TGV, kiest voor het Frankrijk van de jachtige moderniteit. Wie daarentegen de boemeltrein neemt, belandt in ‘la France profonde’. En dat wordt met het jaar dieper en trager, in een zalig samengaan van oude tradities en hippe obsessies.
L'ILSE ADAM, zaterdagavond voor Pinksteren. Ik zit op een terras aan de Oise en breng zojuist het eerste hapje van mijn amuse gueule naar mijn mond, als ik in de verte een wat klagerig gezang hoor. Daar waar de rivier in een bocht uit het gezicht verdwijnt, daar beneden komt het ergens vandaan. Enkele ogenblikken later zie ik een zich traag voortbewegende stoet verschijnen. Langzaam klimt de stoet de heuvel op in de richting van de hoofdstraat. Eén man loopt wat vooruit. Hij draagt, hoog boven zijn hoofd, een groot wit banier, versierd met gouddraad.

Achter hem heffen twee mannen een beeld ten hemel, een vrouwenfiguur met een korenbloemblauwe mantel. De stoet nadert nu het terras - ik durf niet meer te eten en voel me verdwaald in een andere tijd, in een werkelijkheid die van grotere betekenis lijkt dan de mijne. Een wereld waarvan de stilte en de volheid nog wordt geaccentueerd door het gezang dat verwaait.
Achter het beeld zie ik eerst een groep kinderen. Ze bewegen zich wat ongemakkelijk, alsof ook zij in een vreemde wereld zijn geplaatst. Dan volgen de vrouwen; uit hun mond komt het gezang, geprevel bijna. Ik kan alleen het steeds herhaalde ‘Vierge Marie’ onderscheiden. Telkens is het een vrouw die begint, waarna de andere vrouwen volgen, even aarzelend als toegewijd. Ten slotte passeren de mannen, stil, nog ongemakkelijker dan hun kinderen. Alleen zij bekijken over de omheining de fraai gedekte tafels mijn amuse gueule, al enige minuten onaangeroerd.
Een priester in een roze-rood kazuifel is de enige die zich vrij beweegt. Hij bemoedigt en moedigt aan. Hij loopt van voren naar achteren, om de stoet heen en tussen de rangen, eerder als een herdershond dan als een herder.
Aangekomen op de hoofdstraat slaat de stoet rechtsaf in de richting van het kerkje dat zich op het hoogste punt van het dorp bevindt. Het gezang is nu niet meer te horen. De obers wagen zich weer op het terras en haasten zich zelfs om de verloren tijd in te halen. Er wordt wijn geschonken en het brood wordt gebroken om de borden schoon te vegen. Auto’s die de stoet achterop komen, volgen met stille motor. Niemand vertoont enig ongeduld, alsof men in de grond nog weet van deze dingen.
L'ISLE ADAM, een klein dorp niet ver van Auvers waar Van Gogh in juli 1890 zelfmoord pleegde, een dorp in de vallei van de Oise. Vanuit Parijs is het alleen te bereiken met een boemeltrein die met veel geknars stopt in alle Parijse voorsteden. Steeds schokkeriger en moeitevoller lijkt die op te trekken naarmate hij zich verder van Parijs verwijdert.
Wie het Franse openbaar vervoer met enige aandacht beschouwt, stuit in een notedop op de kern van het huidige Frankrijk - een Frankrijk van twee snelheden. Behalve de Concorde en de TGV die je de tijd doen vergeten, die steden razendsnel verbinden en als het ware gelijkschakelen tot een kosmopolis, is er de boemeltrein die je terugvoert in de tijd. De boemeltrein, hij lijkt wel een symbool van de middeleeuwen, of van de jaren zestig, de laatste oprisping van de middeleeuwen, toen men nog de tijd wilde nemen.
In die tijd bevindt zich het overgrote deel van Frankrijk, een Frankrijk van tradities en geworteldheden, een Frankrijk van trots op het handwerk, een Frankrijk van de klei en de aarde. Naarmate de Concorde en de TGV sneller gaan, wordt het platteland trager, wordt la France profonde dieper. Uiteindelijk wordt het een zelfgekozen isolement.
Als van twee wandelaars de een steeds sneller gaat lopen, vertoont de ander vaak juist de neiging steeds langzamer te gaan lopen. Eerst om aandacht te vragen, vervolgens bij wijze van protest, ten slotte uit trots, want wie te snel gaat, vergeet het land, vergeet zichzelf. Alleen punt van vertrek en aankomst tellen dan nog, en de rest, alles wat daartussen ligt, bestaat niet.
Er trekt een scheur door Frankrijk. De socialisten noemen de communisten archaïsch, de gaullisten vinden de socialisten archaïsch, de politiek bestempelt het volk als archaïsch, het volk acht de regering archaïsch. Popmuziek, films, de literatuur - alles heet archaïsch, slap, laf, lauw, week, mat. Met Dalida is de liefde gestorven, met het einde van Michel Fugain en zijn Big Bazar de overtuiging dat het leven maakbaar is.
'Archaïsch’, ja, dat is een heel lelijke kwalificatie, maar welbeschouwd vindt iedereen elkaar archaïsch. Er is dus niet één scheur, er zijn er honderden, zoals in een drooggevallen rivierbedding. Frankrijk is kampioen van de moderniteit en tegelijkertijd is er inderdaad misschien geen ander westers land dat zo onwrikbaar het moderne leven verzaakt. Die verzaking toont zich in honderdvoudige gedaante. Je hoeft maar even je stad te verlaten en de onwil tegen de snelheid en de verandering slaat je tegemoet. De Fransen koesteren hun archaïsmen en zijn intussen van alle moderne gemakken voorzien. Ze sluiten hun luiken en bestuderen de laatste beursberichten op de Minitel of vlechten met de hand de zitting van een stoel.
'Archaïsch’ - scheldwoord wanneer het de levensbeschouwing van anderen betreft, en geuzennaam wanneer het de eigen verworvenheden en inzichten aangaat. Dat begrip kenschetst het moderne Frankrijk, het Frankrijk van verschillende snelheden.
IN DE CHARTREUSE, een dertigtal kilometers van Grenoble, ligt verborgen tussen de bergen het dorpje St. Hugues-en-Chartreuse. Er is een school met een speelplaats, maar op zondag speelt daar niemand. Er is een gemeentehuis, met terzijde een monument, een gedenkteken voor de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog. Tweeëntwintig namen tel ik; uit zo'n kleine gemeente.
Naast het, vergeleken met de overige woningen monumentale, gemeentehuis rijst nog hoger de kerk op, van binnen geheel gerenoveerd. De trots van de bewoners, zo lees ik in een folder die ik in het voorportaal aantref. De kerk geldt voor de hele Chartreuse en ver daarbuiten als bezienswaardigheid. Als ik de kerk binnenga, zie ik snel waarom. De gehele ruimte is volgehangen met moderne, gewijde kunst. Ik zie oranje, bruin, geel, goud, violet, roze en metaalgroen. Ik zie geiten, schapen en ossen. Ik zie de duivel die Jezus wil verzoeken en Hem de wereldbol in de armen tracht te leggen. Ik ruik vooral van alles, en ik lees dat de kunstenaar met de tovernaarsnaam Arcabas zijn leven heeft gewijd aan deze kerk. Sinds 1963 werkt hij gestaag aan zijn meesterwerk. Er hangt een zoete lucht in zijn kerk, niet van wierook maar van honing en boter, twee materialen die Arcabas gebruikt naast metaal, hout, zand, glas en goud. De kerk is met andere woorden de triomf van de aarde die de hemel verbeeldt. Naar het schijnt bezoeken jaarlijks zo'n honderdduizend mensen deze kerk, een monument van traagheid. Vandaag ben ik er alleen.
Arcabas schept met een middeleeuwse devotie een kunst voor het volk, vol vermaningen en barmhartigheid. Door de materialen te gebruiken die eenieder dagelijks om zich heen ziet - zand, metaal, honing - schenkt Arcabas de hoger honing aan ieder die erin geloven wil. Het hogere is, zo suggereren zijn verbeeldingen, alleszins bereikbaar. Meer nog dan de thematiek, die even zoetelijk is als de geuren al doen vermoeden, interesseert mij deze materiaalkeuze. Die maakt hem tot een exponent van een beweging die ik op het Franse platteland overal aantref. Overal, in alle dorpen ontmoet men mensen die radicaal het eeuwige aanwezig trachten te stellen tegenover het onaffe, het voorlopige en vergankelijke.
'Vakmanschap is meesterschap’ - die slogan is van toepassing op de attitude van honderdduizenden Fransen. Hij zou de strijdkreet kunnen zijn van heel het artisanat. Bakkers, meubelmakers, slagers, sieradenmakers, timmerlieden en smeden, allemaal lijken ze in de verheffing des volks te geloven. Zo'n dorpsbakker bakt geen brood, maar viert dagelijks de kunst van het broodbakken. Zo'n meubelmaker geeft in zijn handwerk een vaardigheid van generaties door. Zo'n timmerman bouwt een huis alsof het voor de eeuwigheid is.
Deze mensen bewegen zich, welbewust, af van de massacultuur en de lopende band. In elk van hun uitingen verraden ze een aspiratie naar het hogere. Ze hebben iets met tijd. Terwijl de TGV door hun contreien raast, op zoek naar een vliegveld of een grote stad, buigen zij zich over hun werk en zetten zo de tijd als het ware stil of terug.
Ze zijn 'retro’, evenals 'archaïsch’ een modern scheldwoord dat men in de dorpen niet snel zal horen.
OM DIT MIDDELEEUWS aandoende artisanat heen is in de dorpen nog een heel andere groep gekomen, die van de 68'ers, late hippies dus en bohémiens. 1968 betekent nog altijd een historische breuk in Frankrijk, een breuk met de toekomst. Terwijl het artisanat het leven heiligt door, heel ouderwets, de materialen te koesteren, geloven de 68'ers hardnekkig in een eeuwig nu, vol liefde, bloemen en inmiddels bijna routineus geworden nietsdoen. Overal vind je ze, de wat ouder geworden bloemenmeisjes in India-jurken; mannen met Mexicaanse hoeden en geheimzinnige tatoeages. Elk van hun bewegingen verraadt dat ze hebben gereisd en dat ze nu misschien wel voorgoed zijn thuisgekomen. Maar je weet het nooit. Ze zijn niet gehecht aan hun geboortegrond, maar aan de gehele aarde.
In het dorpje St. Martin-de-Valamas, diep in de Ardèche, beheren de plaatselijke hippies al jarenlang een klein restaurant. Je herkent het onmiddellijk aan de gevel die geel en goud, violet en roze is, de kleuren van Arcabas. Als ik me eenmaal door het kralengordijn heb gewurmd, betreed ik een vrij donkere ruimte die doet denken aan de kelders en zolders waar vroeger, in mijn schooltijd, klassefeesten werden gegeven. Mij geeft dat altijd een diep gevoel van treurigheid omdat ik mij onmiddellijk buitengesloten waan, wat nu echter allerminst de bedoeling lijkt.
Aan visnetten die van het plafond af hangen, zijn ballonnen bevestigd. Overal komen hangplanten uit de muren. De regenboog kan het zo gek niet bedenken of zijn kleuren zijn hier. Op alle tafels zijn de kaarsen aangestoken. Er hangt een zoete geur van oude dingen, wierook en oud geluk.
Zwierig komt de nog jonge patronne mij tegemoet en biedt mij de ruimte aan die vrijwel geheel door haar jurk in beslag wordt genomen. Uit hoeveel lagen die ook is samengesteld, hij lijkt toch doorzichtig. Maar dat kan ook zijn omdat ik in haar de vrouw herken die ik eerder zo fraai zag duiken in de Eyrieux.
Als ik later, na zeer veel geluid van pannen in de keuken, zit te eten, komen er meer 68'ers binnen die met wat flessen op tafel Monopoly gaan spelen. Bijzonder welgemoed spelen ze dit grote-geldspel. De revolutie, welke?, is al lang geleden. Wat rest is een tamelijk heldere verdeling: laat de kapitalisten de steden, dan nemen wij het platteland. Wie is er beter af?
Als de patronne bij een van de cowboyhoeden op schoot gaat zitten terwijl die een hotel zet op de Kalverstraat, weet ik dat ik moet gaan. Als ik me weer door het kralengordijn heb gewurmd en de sterrennacht zie, is het klassefeest voorgoed - hoop ik - voorbij.
Veel van deze 68'ers hebben '68 niet of nauwelijks meegemaakt. Wat ze ervan weten is genoeg om de dorpsbars en de dorpsterrassen te vullen. Onbestemd is hun protest dat zich vooral tegen henzelf keert. Zalig nietsdoen is een kunst, lamlendig nietsdoen een gruwel voor het oog.
Veelvoudig zijn de loten aan Gods boom: behalve de meesters van het handwerk en de 68'ers zijn er de duizenden die op wondere wijze middeleeuwen en jaren zestig met elkaar doen versmelten. Het Franse platteland is een broedplaats van groenen (écolo’s). Van vorsers van de aarde en de hemel, van genezers en tal van sektarische groepen.
DAT JACQUES CHIRAC zijn verkiezingsboodschap 'Elan partagé’ slechts in een veertiental regionale kranten wilde laten afdrukken - alleen Libération stoorde zich niet aan het embargo - laat zien dat hij van het diepe Frankrijk slechts de rechtse kant (er)kent. Ik bedoel de kant van de gewortelden, de pure Fransen die hun grond eren, die hechten aan Franse tradities, Franse gewoonten en Franse mensen. Het is de brede laag waaruit ook Mitterrand is voortgekomen, uit een geslacht van azijnmakers.
Mensen die in de heiligheid van de Franse aarde geloven, je komt ze ook tegen in A la recherche du remps perdu. De Franse adel, volgens Proust, is gemaakt van die klei: compact en dicht, vol schitterende, vruchtbare eigenschappen. Maar niet alleen de adel. De huishoudster van de familie van de Verteller heet niet zonder reden Françoise. In haar keuken ontstaan gerechten die stuk voor stuk manifestaties zijn van de Franse grond. Haar crème de chocolat is zacht en zwaar als klei. Haar hammen zijn als het roze marmer uit de Provence. Wat is er Franser dan dat?
Het is bij die Fransen dat Chirac aansluiting zoekt, bang ze te verliezen aan Le Pen. Intussen gaat hij geheel voorbij aan wat ik de linkse minnaars van de aarde zou willen noemen.
Het eerste winkeltje dat mij opviel toen ik l'Isle Adam binnenliep, heette Zen et Nature, zo stond er op de roze, goud- en zandkleurig geschilderde ramen. Hoe ver ook van de grote wegen, in elk dorp vind je dit soort neringen, kleine centra van half religieuze, half geneeskunstige praktijken. Ik ging er binnen en vond er uiteraard geneeskrachtige halfedelstenen, maar ook tandpasta van anijs, allerlei etherische oliën, veelkleurige boekjes vol raadgevingen van heel wijze meesters: hoe men gelukkig moet worden en hoe men ziekten kan voorkomen en bestrijden. Het viel mij op hoe vrolijk het leven eigenlijk is, als je maar een beetje wil, of Zen hebt.
Zoals extreem-rechts Frankrijk, al dan niet heimelijk, gelooft in raszuiverheid, zo zijn er duizenden anderen die hechten aan heel andere vormen van zuiverheid. In een tijd die wordt gekenmerkt door een steeds hoger levensritme, maar steeds minder voeling met het leven, proberen zij via allerlei wegen opnieuw contact te leggen met de dingen die zij wezenlijk achten. De grond, de grond van de dingen, de gezondheid van geest en lichaam.
Daar zit veel goeds in, maar ook veel apekool. In Isère kwam ik in aanraking met instincto-aanhangers, naar het schijnt een almaar groeiende groep die een geheel nieuwe wending geeft aan het Franse idee van la bouffe. De 'amateurs’ van de instincto-gedachte geloven zeer letterlijk in het versterken van de innerlijke mens. Ze trachten te luisteren naar hun instincten en alleen dat te eten waarnaar hun systeem smacht, en dan rauw, want dieren kunnen immers niet koken.
Als ze de behoefte voelen aan twee kilo biefstuk, dan werken ze die met vreesachtige snelheid naar binnen; het kan ook dat ze verlangen naar een tros bananen - die verdwijnt met even grote vaart tussen hun kaken. Het enige sociale aan deze vorm van spijziging is dat de hele tafel wordt volgestouwd met voedsel waar eenieder vervolgens zijn keuze uit doet. Ze zeggen, intussen, dat hun geheugen beter is en dat ziekten uitblijven. Ze hebben het gevoel dat hun leven niet langer een raadsel is.
Voor bezoekers hebben deze eetgewoonten iets tirannieks, men moet ook geen appeltaart meenemen. Nee, deze mensen eten alleen van de eigen grond, of die van de buren, die je immers nog in de gaten kunt houden. Hun purisme gaat zelfs zo ver dat de kippen waarvan ze de eieren eten, ook instincto moeten zijn gevoed. Die kippen mogen hun wormen dus niet koken of bakken.
De instincto-aanhangers hebben ook een speciaal gevoel voor verre landen, want in die primitieve culturen groeien de vruchten zoals ze ooit bedoeld zijn. Dus halen ze avocado’s uit Kameroen, bananen van een eilandengroep in de Stille Zuidzee. Ze eten instincto-bio-écolo, van heel dichtbij of zo ver mogelijk weg.
En toch zit er iets moois aan deze spirituele aandacht voor het stoffelijke. Het is een laat-twintigste-eeuwse vorm van bohème - het vertaalt de afkeer van grootgrutters en massagoederen. Zelden heb ik iemand zo liefdevol een mango in de hand zien houden als hier in de Isère - bewonderend alsof die rechtstreeks uit de Hof van Eden kwam. Die aandacht heeft zowel iets kosmopolitisch als iets middeleeuws in de wijze waarop de eigen grond wordt benut. Zonder insecticiden, bij wijze van stil protest tegen de massaproducteurs: de grootvervuilers.
IN QUAIX-EN-CHARTREUSE ontmoette ik in een herberg een aanhanger van een sekte die Mahikari heette. Hij noemde zich verspreider van het licht. Hij bracht licht naar de zieken en behoeftigen. Op mijn vraag of ik het licht ook kon verspreiden, keek hij mij verschrikt aan alsof ik gek geworden was. Het zou jaren vergen om het licht te kunnen schenken, jaren van oefening in liefde. Ik zei hem dat ik veel hield van mijn vrouw, maar nee, dat was bij lange na niet genoeg. Verontwaardigd, kaarsrecht liep hij naar buiten, het licht in.
Verspreid over het hele Franse platteland zijn er, volgens de laatste officiële telling, ruim tweehonderd sekten. Onlangs werd een rapport gepubliceerd met ontluisterende informatie. Veel van die sekten bewonen verlaten gehuchten die ze renoveren en tot ware vestingen ombouwen. Over die sekten zou ik niet graag ironisch willen doen, daarvoor richten ze vaak te veel schade aan. Met de in allerlei opzichten bewonderenswaardige 'middeleeuwers’ en 68'ers hebben ze nauwelijks iets gemeen. Terwijl de meesters van het ambacht en de bohémiens in alle openheid hun eigen concepties tegenover de moderne verworvenheden stellen, werken veel van die sekten in het verborgene, met onwrikbare hiërarchieën en dubieuze leerstellingen.
Hun mentaliteit is niet verfrissend maar verstikkend. Ze vormen staten in de staat zonder enig verband met hun omgeving. Het zijn volstrekt asociale groepen die niets tentoonspreiden van de toewijding van de handwerkslieden, het protest van bohémiens en écolo’s. Naar binnen gekeerd als ze zijn vormen ze ook geen enkel tegenwicht tegen de (te grote) snelheid en onaandachtigheid van het moderne leven. Integendeel, hun brainwash is slechts een andere gedaante van de moderne maalstroom, een op hol geslagen zoektocht naar geluk.
HOEVEEL LIEVER HEB ik dan niet zelfs de tekenen van een oeroude xenofobie: dat de luiken gesloten worden als ik met Nederlands nummerbord een dorp binnenrijd. Zoals in het lieflijke dorpje Fay, uithoek op een hoogvlakte in de Ardèche. In de winter ligt hier altijd sneeuw en ook in de zomer is het dorp nauwelijks te bereiken, via een moeizaam oplopend weggetje. Uit het asfalt dat in het hele centrum is neergesmeten, rijzen twee monumenten op, één ter nagedachtenis aan de Eerste Wereldoorlog, een wat minder fraaie voor de Tweede.
In de plaatselijke herberg krijgt men zeer goed te eten. Men dient alleen te zwijgen, de hoogste vorm van hoffelijkheid. Men gebruikt de mond om de spijzen te proeven. Voor de rest is het toegestaan te groeten bij aankomst en vertrek. Alle overige woorden doen afbreuk aan een pact dat al heel lang geleden is gesloten.
Fay is een dorp met een uitzonderlijk klimaat. Als het regent, zoekt Noach al naar zijn Ark. Als het hagelt, zet men de auto’s in de schuren. In de zomer hamert de zon op de aarde. Misschien is het dan ook maar beter er het zwijgen toe te doen.
Alleen op het kerkhof is hier leven. Letterlijk, want als ik op de ommuring ga zitten die hoog uitprijkt over de vlakte, hoor ik heel in de verte het geluid van moderne landbouwmachines. Zelfs hoor ik de stemmen van een paar wandelaars die op zeker achthonderd meter afstand door de landerijen lopen.
Vanaf deze muur kijk ik uit over het diepe Frankrijk. Vol wonderen en wangedrochten.