Het dier ontglipt ons

EEN PANTER BEWEEGT ZICH door de voorsteden van het Amerikaanse Midwesten. Waar of niet waar? Berichten erover verschenen op het Internet. Berichten over ontmoetingen. Een vrachtwagenchauffeur moest op 3 december 1984 plotseling stoppen op de weg bij Flint, Michigan; een flinke stad even ten noorden van Detroit. Er stond een zwarte reuzenkat op de weg. Hij keek de bestuurder recht aan en sprong het donker in.

In het hele zuiden van de staat Michigan werden dat jaar panters gezien. Mogelijk waren dat losgelaten of ontsnapte huisdieren. Van nature komt de panter op het Amerikaanse continent namelijk niet voor. Er werden vallen uitgezet met stukken vlees erin, maar de dieren lieten zich niet vangen.
Dit jaar waren er, weer bij Flint, opnieuw waarnemingen van zwarte panters. En alweer zat er een vrachtwagenbestuurder tussen de waarnemers. Hij zag het lenige dier langzaam, ja arrogant de rijweg over lopen terwijl hij zijn auto aan het laden was. Zes, zeven seconden was het in het zicht van zijn koplampen. Toen sprong de panter moeiteloos in een vloeiende beweging over een hek van tweeëneenhalve meter en verdween hij in een bos. Als het een panter was.
DE MENS HEEFT ZICH omgeven met miljoenen onderhorige dieren van het type hond, kat, varken. Maar het echte dier, het wilde, het arrogante, het trotse, het ontzag afdwingende dier blijft uit de buurt. Een glimp kan de mens van het wilde dier krijgen. Het wilde dier wil geen vriendschap, zeker geen onderhorigheid en gezichtsverlies in de vorm van blikvoer, halsbandjes, melkmachines, vetzucht, verveling. Het gaat nog liever dood. Het springt moeiteloos over een hoog hek en is weg. Zo'n trots, waardig dier, gevaarlijk ook, dat is pas echt interessant om contact mee te krijgen. Dat is net zoiets als met buitenaardse wezens. Dat is ontroerend en spannend tegelijk. Kinderen weten daar alles van. Nu sluiten ze via de tv vriendschap met dino’s. Vroeger keken ze naar Flipper de dolfijn, Elza de leeuwin, of Blacky het wilde paard.
De werkelijkheid is anders. Vaak geeft het wilde dier zich pas bloot als het dood is. Op de Amsterdamse Ringweg, afslag Rai, lag op 2 april 1989 een dode hond. Dacht men. De dierenambulance haalde het lijk op. Het bleek een negen kilo zware vrouwtjesdas te zijn die in het wild had geleefd, want de nagels vertoonden slijtage vanwege het graven en de maag bevatte resten van regenwormen, bladresten en eieren van kippen of eenden. Geen blikvoer.
Nog in februari dat jaar liet een man zijn hondje uit in de buurt van het tuincomplex Linnaeushof te Driemond, bij Amsterdam. Hij zag een das de weg oversteken. Hij wist het zeker, een das. Het verhaal van de man werd door biologen niet geloofd, want het verspreidingsgebied van de das is volgens de wetenschap de laatste dertig jaar teruggelopen tot een smalle strook van Limburg tot in de Veluwe. In het westen geldt het dier als uitgestorven. En dan zou er ineens zo'n eigenwijze das zijn die een onmogelijke weg afgelegd moet hebben? Die gewoon in de stad leeft? Zonder dat wij dat zien? Kan niet.
De anekdote met de das in de stad valt te lezen in een leuk boekje: Haring in het IJ: De verborgen dierenwereld van Amsterdam. Verborgen, ja. Af en toe zie je een egeltje in het donker, je poes vangt een rat, en tegen de avond fladdert er net zichtbaar een vleermuis langs. Maar egels en enkele soorten vleermuizen schijnen ondertussen nog in groten getale in de stad te leven, net als ratten (dat wil zeggen de bruine, want de zwarte is in Amsterdam uitgestorven), eekhoorns, wezels, bunzings, vossen, hazen, mollen, watersalamanders, padden, kikkers, alen, brasems en karpers.
Maar wie er geen verstand van heeft, vindt in de stad zelden of nooit een wild dier. Ze zitten in rommelige tuintjes onder troep aan de rand van het Vondelpark. In de grond. In riolen. Langs de spoorwegtaluds en de startbanen van Schiphol. In het rietland aan de Diemerzeedijk. Aan waterranden. Iemand die zich heel stil houdt, zoals een sportvisser, wordt wel eens een glimp gegund. Een staart. Geritsel in de struiken. Een plons. Een kreetje.
ZELF WERD ME EENS een jaar lang gestommel gegund. Ik woonde toen in een houten huis in Texas, midden in een buitenwijk voor de middenklasse. Er was een kruipruimte onder dat huis en daarvandaan hoorde je het. Alsof er iets klem zat en daarna los viel. Soms dagen niks en dan was het er weer even. Op een vroege avond kwamen pal aan de andere kant van het raam, op nog geen veertig centimeter afstand, twee grote dieren langs. Ze waren zwart, geheel behaard, ongeveer een meter lang en klommen in een kalm verende dans, zonder op of om te kijken, de boom in.
Wasberen, zei men later in de buurt. Die heb je namelijk volop in Amerika. Ze leven van wat er in de vuilnisbakken ligt en soms worden het haast huisdieren, zo makkelijk zijn ze met mensen. Maar de olijke wasberen die ik op foto’s in boeken zag, lichtbruin gekleurd, met het bekende zwarte masker rond de ogen, leken totaal niet op mijn geheimzinnige en pikzwarte huisgenoten. Wel hadden ze ook de opvallende, sierlijke telgang die aan de wasbeer wordt toegeschreven. Stommelde er iets bijzonders in mijn kruipruimte? Een aapachtig soort beer, iets wat echt zeldzaam was en wild? Dat zou wel niet.
Trouwens: ik heb ze daarna nooit meer gezien. Het klinkt sentimenteel en pathetisch, maar dat gestommel gaf me elke keer weer een licht ontroerd, dankbaar gevoel. Het leek wel iets persoonlijks tussen die grote zwarte, wilde, dieren, en mij. Het leek wel een ontmoeting.
DE MENS HEEFT ER NOOIT veel moeite mee gehad diersoorten tot aan of over de rand van de afgrond te duwen. Dat weten we nu wel. Toch blijft het uitgestorven dier ons net zo fascineren als het wilde dan wel zeldzame dier. Sommige soorten werden pas na hun uitroeiing beroemd, zoals de dodo, een vogel die niet kon vliegen en alleen voorkwam op het eiland Mauritius in de Indische Oceaan. Aan het einde van de zeventiende eeuw werd de hele populatie door zeevaarders uitgeroeid. Het restmateriaal - beenderen, opgezette kop, geprepareerde huid, gipsafgietsel van een poot - werd onlangs door een wetenschapper gebruikt voor een reconstructie. Die moest gelden als bewijs dat de dodo niet de vette waggelvogel was die op afbeeldingen de geschiedenis in was gegaan. Zo achteloos als hij was afgeslacht, zo veel moeite werd er drie eeuwen later gestoken in de reconstructie. Dat is tragisch. Niet meer voor de dodo, wel voor de mens.
Een ander voorbeeld is de dinosauriër. Voor de verandering heeft de mens nu eens geen schuld aan het uitsterven. Het heet een komeetinslag geweest te zijn. Maar het lijkt toch aardig op een schuldgevoel, die dino-rage. Placemats, notitieblokken, kalenders, kwartsklokken, zwembandjes, ovenhandschoenen, bouwpakketten - alom is de dino. Ook al is hij er niet. In het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden waren zeven jaar geleden vijftien levensechte exemplaren te zien. Met zorg gemaakt. Ze konden ook hun kunststof kop en staart bewegen, met de ogen rollen en hun bek openen om te roepen. Je kon er vlak naast staan en iets hebben met een dino. Als het ware.
ABSURD GAAT HET er tussen mens en dier soms aan toe als dat moment van uitsterven bijna bereikt is. Neem de blauwe ara. Hij wordt wel de papegaai onder de papegaaien genoemd omdat hij, eenmaal tot huisdier vernederd, zo leuk kan praten en uit de hand wil eten. Er wordt geschat dat er in totaal nog zestig paartjes van de blauwe ara in kooien leven. Het dier is zo zeldzaam dat er achteloos honderdduizend gulden voor een koppel wordt geboden. De dieren worden doorgesmokkeld via de georganiseerde misdaad, via dezelfde ondergrondse transportkanalen als de cocaïne. Al die illegaliteit maakt het onmogelijk nog tot een verantwoord fokprogramma te komen. Nu dreigt inteelt en daardoor uitsterving.
In 1990 was er nog één blauwe ara in het wild. In het noorden van Bahia, een deelstaat van Brazilië. Eerst waren er vier. Die werden bewaakt in opdracht van de Braziliaanse regering. Maar op een kerstnacht namen de bewakers vrij, de rovers sloegen toe en toen was er nog één wilde blauwe ara over. Hij werd door een spiedende fotograaf aangetroffen, met een kleine bonte marcana papegaai, waarmee hij tevergeefs trachtte te paren. Wanhopig ging de laatste blauwe ara nesten af, op zoek naar een soortgenoot. Met dat verhaal kon de Braziliaanse televisie wel iets. Drama! Het leverde een tijdje hoge kijkcijfers op. Toen was de lol er wel weer van af met de blauwe ara.
Twee jaar eerder werd er in de Verenigde Staten een enorme mediacampagne gevoerd toen drie walvissen vast kwamen te zitten in het ijs bij Alaska. Walvissen nemen in het diergeweten van de westerse - en in het bijzonder de Amerikaanse - mens nu eenmaal een speciale plaats in. Walvissen vast in het ijs was een typisch geval van tv. De toenmalige president Reagan had een slechte naam op het gebied van het milieu en wierp zich hier, in het zicht van de camera’s, dankbaar op als redder in de nood. En nu die media-aandacht er eenmaal was, bleken veel bedrijven graag bereid nieuwe apparatuur uit te testen om het wak ijsvrij te maken. Meer dan een miljard tv-kijkers waren er, twee keer zo veel als er destijds keken naar de eerste voetstappen die Neil Armstrong op de maan zette. De kleinste en zwakste walvis van de drie, Baby genoemd, stierf.
Toen het steeds duidelijker werd dat men het wak zelfs niet meer met een ijshovercraft en een ijsbom open kon houden, moest men de Russen te hulp roepen. Die waren in de buurt met twee ijsbrekers. De Russische schepen voeren uiteindelijk het ijs open en er was dus een happy end met een fantastisch eindshot: de twee ontsnappende dieren. Totale kosten van de bevrijdingsactie: bijna zes miljoen dollar. Het is heel goed mogelijk dat de twee bevrijde maar uitgeputte walvissen de lange tocht naar de kust van Mexico niet overleefd hebben. Niemand weet dat. Het wetenschappelijk onderzoek werd tegelijk met de laatste televisieuitzending afgesloten.
MEESTAL RAKEN de media pas geïnteresseerd als er sprake is van een overtreffende trap. Zeer zeldzaam. Het allerzeldzaamst. Desalniettemin moeten veel zeldzame dieren het doen zonder de knuffelervaring die de walvis of de reuzenpanda ondergaan. De zeldzaamste vogel van Europa is de freira, een haaksnavelstormvogel. Er zijn minder dan dertig paartjes over. De freira broedt nog maar op één steile klif op Madeira en wordt daar ernstig bedreigd door ratten die op de eieren uit zijn. Met uitzondering van enkele betrokken biologen zal het ons aan onze reet roesten.
Nee, dan de walvis. Een staaltje van de wanstaltige verering die de walvis ten deel viel, is het salontafelboek Het rijk van de walvis, van Heathcote Williams. Een boek dat bol staat van zogenaamd artistieke kleurenfoto’s van de goddelijke dieren. Zie, in mildblauwe tinten, hoe het een en al idylle was tot de wrede mens ingreep. Lees, in hooggestemde poëzie, hoe Williams het sociale leven van de walvis bezingt:
‘Lenig wervelend en flakkerend door de zee, Glijden zij naast elkaar, Bedachtzaam voortsuizend, En toetsen verwante sympathieën, Terwijl zij de souplesse van beweging inschatten En de ontroering beoordelen, met teder kritisch vermogen.’
De mens die doet alsof hij het dier bezingt, kan natuurlijk ook niets anders doen dan via die omweg uiteindelijk toch weer gewoon de eigen superioriteit prijzen. Het vermogen tot bezingen wordt bezongen, niks van de walvis zelf. Want wat weten we nu helemaal over hoe het is een walvis te zijn? Uit onkunde en frustratie projecteren we een eind weg en geven de dieren maar een ziel, een morele status, een mystieke lading, whatever. Bij voorkeur als het dier als uitzonderlijk te interpreteren valt. Zeldzame, prehistorisch lijkende, zeer aaibare, ook trotse dan wel extreem schuwe, geheimzinnige of intelligente dieren, daar valt wat mee aan te vangen qua projectie. Daar gaan dus bakken aandacht heen. Zodra het dier zich in al zijn alledaagsheid openbaart is de lol er al snel af.
EEN EERLIJK VOORBEELD van een aanvankelijk tot mythische proporties uitgroeiende obsessie met een ontglippend, misschien wel bijna uitgestorven dier die na de uiteindelijke confrontatie met het alledaagse gedoe tot een nuchtere werkelijkheid wordt teruggebracht, is het dit jaar verschenen, adembenemende boek Het waterhoentje van Tristan da Cunha van de Nederlandse bioloog Albert Beintema. Als jongetje was Albert al geobsedeerd door het eiland Tristan da Cunha, de meest geïsoleerde menselijke nederzetting ter wereld. Het eiland, een enorme lavaberg met hier en daar een lapje groen, ligt ter hoogte van Kaapstad midden in de Atlantische Oceaan. Het maakt onderdeel uit van het Britse Gemenebest en valt administratief gezien onder Sint-Helena, ook een eenzaam eiland, zo'n 2500 kilometer noordelijker. Je hoeft maar een blik op de kaart te werpen om te zien dat Tristan da Cunha geschapen is voor jongensdromen. Er wonen op Tristan zo'n driehonderd mensen, allemaal in hetzelfde dorp, The Settlement. En er broeden op Tristan, net als op de neveneilandjes Inaccesible en Nightingale, zeevogels die nergens anders broeden. Albert Beintema wist: eens in mijn leven ga ik naar Tristan da Cunha.
Zijn voorbereidende onderzoek in de biologie spitste zich toe op de waterhoentjes van Tristan, die volgens sommigen al uitgestorven waren. Het is de vraag of de waterhoentjes van Tristan een ander soort zijn dan de waterhoentjes op Gough, een nog onherbergzamer eiland vierhonderd kilometer zuidelijker in de subantarctische zone. Het waterhoentje van Tristan en dat van Gough waren als twee druppels water. Ze konden ook geen van beide vliegen. Dat was voor dromerige wetenschappers uit vroeger tijden genoeg reden om er het bewijs van Atlantis in te zien. Hoe konden die waterhoentjes anders op dat verre eiland komen dan via een verdronken landtong?
EEN SUBSIDIE VOOR een onderzoeksreis werd afgewezen. Twintig jaar moest Albert Beintema wachten voor hij een voet kon zetten op het eiland van zijn jongensdromen. Hij had toen al een unieke bibliotheek opgebouwd, een wetenschappelijk artikel over het waterhoentje gepubliceerd; hij was een kenner.
Hoe deprimerend alledaags bleek het uiteindelijke bezoek te zijn, hoe onzichtbaar ook de laatste, zeer schuwe tweehonderd paartjes waterhoen. En hoe burgerlijk en kleinzielig de eilandbewoners, die ervan overtuigd waren dat de waterhoentjes schade aanrichtten omdat ze eieren van andere vogels stuk pikten. Toen Albert Beintema ze van dat bijgeloof probeerde af te brengen, verkilde het contact. Hij was niet van het eiland, hij had zich er niet mee te bemoeien. En het wetenschappelijk onderzoek liep ook al dood. Wat een debâcle. En hoe gedetailleerd wordt het verteld. Heerlijk. Want zo gaan die dingen, denk je dan.
Van zoveel ontnuchtering hebben de amechtige beoefenaars van de cryptozoölogie geen last. De cryptozoölogie is de leer van het verborgen dan wel niet-ontdekte dier. Geen echte wetenschap, dat geven de beoefenaars zelf ook toe, maar er zijn wel degelijk echte wetenschappers die zich ermee bezig houden. Zo is de grondlegger ene Bernard Heuvelmans, een Belgische zoöloog die twee vaak genoemde boeken over het onderwerp schreef. Een andere invloedrijke cryptozoöloog is Grover Krantz, professor in de antropologie aan de Washington State University.
Een belangrijk argument in de leer van de cryptozoölogie is dat de berggorilla tot aan het begin van deze eeuw ook niet officieel als dier werd erkend. Van de okapi had men zelfs nog nooit vernomen. Deze schuwe combinatie van zebra en giraf werd samen met de berggorilla in het oerwoud van Congo ontdekt. En in 1938 werd er bij de Zuid-Afrikaanse kust een vis gevangen waarvan werd aangenomen dat hij al zestig miljoen jaar geleden was uitgestorven: de coelacanth. Men ging er halverwege deze eeuw al vanuit dat er geen grote dieren meer ontdekt zouden worden. Maar zie, in 1976 werd een gigantische, plankton etende haaiensoort gevangen in de Stille Oceaan. En in 1992 trof men in het Vietnamese oerwoud een geheel nieuw rund, de vu quang.
De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Dat is het idee achter de cryptozoölogie. Daarbij is men vooral in de spectaculaire dieren geïnteresseerd. Enorme zeemonsters en reusachtige mensaapachtigen. Het beroemdste voorbeeld van de eerste categorie is het monster van Loch Ness, van de tweede de yeti, de Verschrikkelijke Sneeuwman uit het Himalayagebied. Laatstgenoemd dier zou de ontbrekende schakel zijn tussen mens en dier. Over de yeti bestaan getuigenverklaringen, er zijn voetafdrukken, er is haar. Maar nooit werd het lijk van een yeti gevonden.
Soms zijn er opnamen, film, dan wel foto, die als bewijs moeten gelden. Zo werd een enorm, op de achterpoten lopend, harig beest vastgelegd door een camera die speciaal voor dat doel in het Sumatraanse oerwoud stond opgesteld. Er was met opzet geen mens in de buurt, om het dier (of de primitieve menssoort?) niet af te schrikken. De camera werd met een draad in werking gesteld. Het dier struikelde over de draad en maakte zich daarmee kenbaar aan de mensheid als de orang-pendek. De mens ontmoette de orang-pendek. Maar de orang-pendek ontmoette helemaal niks.
Dat is dan toch weer triest.