Hoofdcommentaar: Internationaal Strafhof

Het dilemma van de machtige

Zou VN-secretaris-generaal Kofi Annan afgelopen maandag hebben geweten wat er even eerder was gebeurd in Washington toen hij zijn (halve) Nobelprijs voor de vrede in ontvangst nam? Zojuist had de Senaat een wet aangenomen die deelname van de Verenigde Staten aan het Internationaal Strafhof in oprichting (ICC) onmogelijk maakt en zelfs militaire hulp verbiedt aan landen die het Hof steunen. Dat zijn er inmiddels 140, waaronder alle Navo-partners en vele landen die deel uitmaken van de coalitie tegen het terrorisme. De VS zijn echter bang dat Amerikaanse soldaten aangeklaagd zullen worden, en moeten daarom niets van het Hof hebben.

De toespraken van de Amerikaanse president George Bush en zijn kabinetsleden over de oorlog tegen het terrorisme staan bol van de vrijheidsretoriek en verwijzingen naar internationale rechtvaardigheid en samenwerking. Waar mogelijk doet de president pogingen de aanslagen van 11 september voor te stellen als aanvallen op «de gehele vrije wereld», op democratie en gerechtigheid, «op onze manier van leven». Zowel in binnen- als buitenland vraagt men zich echter vertwijfeld af wat die manier van leven dan precies is, en wat rechtvaardigheid in de Amerikaanse zin des woords betekent.

Mochten Bin Laden, moelah Mohammed Omar en andere kopstukken van de Taliban en al-Qaeda levend in Amerikaanse handen vallen, dan zullen ze immers worden berecht door militaire tribunalen die op uiterst gespannen voet staan met vrijheid en democratie, Amerika’s belangrijkste handelsmerk.

Bij de uitreiking van de vredesprijs klonken kritische woorden uit de mond van de doorgaans zo diplomatieke Kofi Annan. «Als je vrijheid en rechtvaardigheid opgeeft voor veiligheid, hoevéél moet je dan opgeven? En zul je uiteindelijk veilig zijn?» Voor dergelijke kritiek is de regering-Bush niet geporteerd. Eerder betichtte minister van Justitie John Ashcroft voor de Senaat tegenstanders van de militaire tribunalen ervan de terroristen in de kaart te spelen en «munitie aan Amerika’s vijanden» te geven.

De oorlog in Afghanistan is inmiddels de eindfase ingegaan. In de pers klinkt reeds hoera geroep nu de wrede Taliban-heerschappij is gebroken. Weinig aandacht wordt besteed aan de burgerdoden die op het conto van de B52’s zijn te schrijven — hoeveel het er zijn, is onduidelijk, zoals zoveel in Afghanistan. Om het feestje niet te bederven, stelt men ook liever niet de vraag waarom het zo lang duurde voordat de kampioen van democratie en mensenrechten ingreep in Afghanistan. Zelden wordt in herinnering geroepen hoe een delegatie van de Taliban op hoog niveau in de Verenigde Staten werd ontvangen om te onderhandelen over de bouw van pijpleidingen voor olie en gas van Turkmenistan, via Afghanistan naar Pakistan. Slechts terreur kon de VS en de wereld tot actie bewegen. De dood van vele duizenden onschuldige burgers in New York en Washington is daarmee niet helemáál zinloos geweest: de wereld is een schurkenregime armer.

Maar de internationale gemeenschap en «de vrije wereld» uit wier naam George Bush ten strijde zegt te trekken, zullen niet de kans krijgen de klus af te maken door Mohammed Omar en Bin Laden voor het Internationaal Strafhof te brengen. Terwijl het Hof volgens de Verenigde Naties juist de sleutel is tot het straffen van al degenen, regeringen incluis, die misdaden plegen zoals die van 11 september. Net als bij het succesvolle Joegoslavië Tribunaal zullen door het onafhankelijke ICC misdaden tegen de menselijkheid kunnen worden onderzocht en bestraft.

Bush was nimmer geporteerd voor het Hof. Velen hoopten echter dat hij na 11 september alsnog zou willen meewerken aan de totstandkoming ervan. Op die manier zouden de Verenigde Staten nog enigszins de schijn hebben kunnen ophouden niet enkel het eigenbelang voor ogen te hebben bij hun internationale optredens.

«We moeten gaan werken aan ons imago in de wereld», klinkt het steeds vaker in de Verenigde Staten. Volgens New York Times-columnist Thomas Friedmann wordt het tijd een hand uit te steken naar de good guys in plaats van slechts de bad guys steeds in het gezicht te rammen. «Als we over de wereld gaan banjeren om terroristische cellen uit te schakelen van Kaboel tot Manilla, kunnen we maar beter het beste land zijn met de beste wereldburgers mogelijk. Anders verliezen we de rest van de wereld.»

Het is het dilemma van de machtige. Wie machtig is, kan zich geen zwakte veroorloven. Maar unilateraal gewapend optreden, hoe afgewogen en succesvol ook, leidt onvermijdelijk tot haat en wellicht terreur. Als er volop redenen blijven om de Amerikanen en hun politiek te bezien als arrogant, huichel achtig en zelfs vijandig, zoals nu in een groot deel van de moslimwereld bon ton is, zal Amerika er een harde dobber aan hebben de wereld te overtuigen van de juistheid van zijn leiderschap. Dat kan slechts veranderen door daden te stellen — zowel thuis als in het buitenland.

Het overboord zetten van het Internationaal Strafhof is wat dat betreft het verkeerde signaal.