Het doodgewone spionneleven

John Banville, De onaanraakbare, vertaling Jan Pieter van der Sterre, Atlas, 414 blz.. Ÿ 49,50 ..LE Het is een onderwerp dat nu niet meer zo tot de verbeelding spreekt als, zeg, een jaar of vijftien geleden. De fascinatie voor Burgess, Maclean, Philby en Blunt, die Britse spionnen die hun chique tongval en upper class-manieren ten dienste stelden aan een proletarisch ideaal, is met de ineenstorting van de Sovjetunie in het rariteitenkabinet van de geschiedenis beland. De meesterspionnen die uit het hart van de Engelse elite afkomstig waren en hun land en klasse verraadden aan de Russen, zijn historische figuren geworden. Wat stoffige historische figuren zelfs.

Het heeft dan ook iets verwonderlijks dat de Ierse schrijver John Banville in 1997 een fictieve autobiografie van Sir Anthony Blunt - in het boek Victor Maskell - schreef. Blunt studeerde net als Philbey in Cambridge en werd als student al als spion gerecruteerd. Hij was een estheet en kunstkenner, die niet alleen de leiding had over een prestigieus kunsthistorisch instituut, maar als reorganisator van de kunstcollectie van de Windsors ook kind aan huis was bij de koninklijk familie.
De onaanraakbare van Banville is geen roman waarin het om de fascinatie voor de meesterspion draait. Een spannend jongensboek over een avontuurlijk spionneleven is de roman niet. Eerder laat het boek zien dat spionnen gewone levens leiden, trouwen, kinderen krijgen, werken, scheiden, en net als iedereen gebukt gaan onder alledaagse beslommeringen. En dat ook het spioneren zelf een allesbehalve bloedstollende aangelegenheid is. Banville heeft ook geen simpele zelfrechtvaardiging van De onaanraakbare gemaakt. Het gaat hem niet om de onvermijdelijke schuld en schaamte die aan een ooit gekoesterd ideaal kleven.
De roman begint op de eerste dag van het nieuwe leven van de 72-jarige Victor Maskell. Dat wil zeggen: de eerste dag na zijn ontmaskering die een ‘absurde vorm van wedergeboorte’ ten gevolge heeft. Natuurlijk klinkt vanaf die dag overal dezelfde voor de hand liggende vraag: waarom heeft hij zijn vaderland verraden? 'In mijn wereld bestaan geen eenvoudige vragen, en bar weinig antwoorden van welke soort dan ook’, zegt Maskell daarop. Het antwoord op de vraag naar het waarom is hij namelijk zelf, en wel het totaal van wat hij is en niet dat ene markante aspect dat opeens in het nieuws is. Het gaat om zijn hele ik, dat is opgedeeld in ontelbare ikken, maar toch ÇÇn geheel is.
De onaanraakbare bevat kortom het hele levensverhaal van Maskell, verteld in een bloemrijke, lichtelijk ironische stijl vol virtuoze metaforen en erudiete verwijzingen. Het gepolijste masker is Maskell van het gezicht getrokken sinds bekend is dat hij spion was. Maar in de roman gaat het niet om dat ene spionnemasker, het gaat over de maskerade die de persoonlijkheid sowieso is. Het gaat niet om het dubbelleven dat een spion gedwongen is te leiden, maar om een levensfilosofie die zegt dat alles tegelijkertijd zichzelf is Çn iets anders. Spionage, de wereld van de spion is een metafoor voor de wereld in het algemeen. Voor de instabiliteit en het oneindige aantal gezichten dat de wereld kan aannemen.
'Laag na laag zal ik het vuil wegkrabben (…) totdat ik de kern bereik en weet wat die waard is. Mijn ziel. Mijn ik’, neemt Maskell zich aan het begin van de roman voor. Die kern krijg je niet werkelijk te zien, want niets is wat het lijkt in De onaanraakbare. Hoe vaak de waarom-vraag ook terugkeert en hoeveel antwoorden ook worden gegeven, een ondubbelzinnig 'daarom’ bestaat niet voor Maskell. En uiteindelijk voor niemand niet.