POPMUZIEK: Tunng

Het dorp

Of ze nu Justin Vernon (Bon Iver), Matthew Houck (Phosporescent) of Conor O’Brian (The Villagers) heten, tegenwoordig werkt bijna iedere singer-songwriter met een akoestische gitaar onder de ene en een laptop onder de andere arm.

Hoe hip de elektronische invloeden in het folk- en americanagenre de laatste jaren ook zijn, de Britse folkband Tunng maakt die combinatie al sinds hun debuut in 2006. Ze noemden het zelf folktronica, een term die redelijk de lading dekte voor de muziek van het zestal: een basis van akoestische ritmes en tokkels, subtiel ondersteund door synthesizers, bescheiden beats en elektronische geluiden. De harmonieuze man-vrouw-vocalen van Becky Jacobs en Mike Lindsay geven de meestal harmonieuze liedjes daarbij de nodige dynamiek. Tunngs dromerige platen hebben met die computereffecten een wat ongrijpbare sfeer. Net niet saai of te voorspelbaar, mooi, maar wel wat braaf sprookjes­achtig: meer Walt Disney dan Tim Burton.

Op het eerste gezicht is dat niet anders op het nieuwe album Turbines, maar een weinig idyllisch dorp als decor maakt de sfeer anders voor dit vijfde album. Het dorp is niet nostalgisch of utopisch, maar eerder onguur en verontrustend, zoals de vreemde figuren die er wonen. Tunng geeft een sinistere en schemerige doorkijk met opmerkelijke typeringen en vrij abstracte verhalen. Zo is er de mysterieuze vrouw in Trip Trap (as sweat as she’s sour/ a poisonous flower/ would change by the hour) die wel een heks lijkt. Of neem de schimmige underground man (‘hiding where he can’), die je nooit ziet tot hij je laat schrikken en schreeuwen. In The Village maken de inwoners duidelijk wat hun grondhouding is: ‘We don’t believe a word you told us.’ Met het vege en vage verslag van een brand (‘You can touch what we have left/ the embers are cooling’) en het treurige verzoek Sail me away, we get lost for a day (Hard Rock Warning) van een verder onbepaald personage eindigt Turbines gelaten en beklemmend tegelijk.

Sterke troef van de band op Turbines blijft de samenzang tussen Jacobs en Lindsay. De ene keer zingen ze vloeiend samen en dan weer zetten ze hun eigen accenten aan terwijl ze om elkaar en de muziek heen bewegen. Het geeft wat statische nummers als Follow Follow en Embers de juiste diepgang. Verder vormt wat ze zingen een fraai contrast met de warme vocalen en de beschaafde, vrijwel altijd ingetogen muziek. Zoals er zo weinig verandert lijkt Tunng wat dat betreft nog steeds een slaap­kamer als studio te hebben met een bordje ‘verboden hardop te praten’ aan de muur. Turbines is de tweede plaat van de band zonder mede­oprichter Sam Genders. Een sterker geheel dan stuurloze voorganger And Then we Saw Land (2010), maar weer minder enerverend dan het vorig jaar verschenen Black Light van Genders’ nieuwe project Diagrams. Tunng zoekt met zijn werkwijze en geluid ook allang niet meer naar iets nieuws, zoals die folk­artiesten met hun trendy elektronica. Je kunt de band zelfs conservatief noemen als het uitgangspunt hun muzikale ontwikkeling tussen de eerste en laatste plaat is: nihil. Blijft over dat de muziek zowel speels als prettig luisterbaar blijft en Turbines een spanningsboog heeft die groot genoeg is, dankzij de sluier met die donkere onderlaag.


Turbines, label: Full Time Hobby/Konkurrent. Tunng spelt 5 oktober in Bitterzoet, Amsterdam