Zelfs de strafschop ging er niet meteen in. Alles wat Engels was, en reeds aan de vierde pint zat, toonde ongeloof toen Kasper Schmeichel de penalty van Harry Kane stopte, een wanhoop die snel werd vervangen toen de aanvoerder via een rebound alsnog het net wist te vinden. Het drama in de 104e minuut, het winnende doelpunt, typeerde het fascinerende gevecht tussen Engeland en Denemarken.

Op het ouderwets volle Wembley stonden twee ploegen die op missie waren. In het rood, de Denen die de finale wilden bereiken voor Christian Eriksen, hun spelverdeler die in de eerste wedstrijd van het toernooi een bijna fatale hartaanval had gekregen. Als vikingen vochten ze sindsdien voor hun onfortuinlijke ploeggenoot. Tegenover hen in het wit, de Engelsen die na 55 jaar eindelijk weer eens in een finale wilden staan van een groot toernooi.

Nee, voor de neutrale voetballiefhebber ging dit nooit een mooie wedstrijd worden, zoals Italië - Spanje een dag eerder, twee gelijkwaardige ploegen. Kon Engeland, op papier de favoriet, de rode muur slopen, een muur met reuzen als Vestergaard, Kjaer en Christensen? Het was op deze lome zomeravond niet de taak van de Engelse spelers om te bewijzen hoe goed ze konden voetballen, maar of ze mentaal sterk genoeg waren.

Elke ploeg die een eindtoernooi wil winnen, komt zo’n test tegen. Een 1-0-achterstand ombuigen in een zwaarbevochten 2-1-zege is daarbij klassiek. Oranje heeft het door de jaren drie keer gedaan (Duitsland, 1988; Brazilië, 2010; Mexico, 2014). Engeland kreeg deze opdracht nadat Mikkel Damsgaard de Denen tien minuten voor rust op voorsprong had gebracht met een dipper, een schot dat over lijkt te gaan, maar alsnog neerdaalt.

Opeens was de druk op Engeland nog groter. Al jaren gaan Engelse ploegen gebukt onder een enorm verwachtingspatroon, opgezweept door de enthousiaste pers. Horatio Nelsons woorden ‘England Expects’ hebben de grootste spelers doen verkrampen. De Linekers, de Shearers en de Gascoignes. Vanaf het vasteland wordt die obsessie meewarig bekeken. Wat doen de Engelsen zichzelf toch aan?

Maar deze onbevangen ploeg van Gareth Southgate lijkt er tegen bestand te zijn, ook al had ze woensdagavond de helpende hand nodig van ‘McKelly’, zoals de scheidsrechter Makkelie hier wordt genoemd. Het is, in de woorden van Rinus Michels, een goed stel. Typerend misschien was de foto, na de zege op de Denen, van de jonge ster Bukayo Saka die als een koning van het veld wordt gedragen door de reserves Tyrone Mings en Conor Coady.

De mentale kracht heeft deels te maken met de persoonlijke tegenslagen die sommige spelers hebben meegemaakt. Neem Luke Shaw, die als aanvallende linksachter de sterren van de hemel speelt. Zes jaar geleden knapte zijn been door een roekeloze actie van PSV-verdediger Héctor Moreno. De speler van Manchester United verloor bijna zijn been, en heeft jarenlang moeten vechten om terug te keren naar de top.

In het hart van de verdediging staat zijn clubgenoot Harry Maguire, die een jaar terug in een diep dal zat na een aanvaring met de politie tijdens zijn vakantie in Griekenland. Het dieptepunt volgde korte tijd later met zijn rode kaart in de verloren Nations League-wedstrijd op Wembley, uitgerekend tegen Denemarken. Nu is Maguire, die het vorige EK als supporter had bezocht, het anker van de Three Lions.

En zo zijn er veel van die verhalen. Harry Kane werd op zeer jonge leeftijd niet goed genoeg bevonden door Arsenal. Eenmaal bij Spurs zou hij, om te rijpen, regelmatig worden uitgeleend een kleinere clubs. Of uitblinker Raheem Sterling, tot op het bot afgebrand door de meedogenloze, soms racistische, pers na het EK van 2016. En dan Jack Grealish, gepokt en gemazeld in de Championship waar hij enkele jaren met Aston Villa uitkwam.

Het bereiken van de finale, in het jaar van Brexit nota bene, doet ook iets met de Engelse psyche. Verdwenen is het fatalisme dat het land sinds 1966 parten heeft gespeeld, de gewoonte om tragisch te verliezen na een moedige en eerlijke (fair play!) strijd. Dit Engelse team is er heilig van overtuigd dat het Europees Kampioen kan en zal worden – een overtuiging die nu, zonder ironie, wordt gedeeld door de Engelsen.

De finale tegen Italië, net als Engeland een vriendenploeg onder leiding van een elegante bondscoach, wordt met vertrouwen tegemoet gezien. Eerder in het toernooi hebben Oostenrijk en Spanje aangetoond dat de Azzurri kwetsbaar kunnen zijn, terwijl de Engelsen na de historische zege op aartsrivaal Duitsland en het doorstaan van de Deense test het gevoel koesteren de hele wereld, of in ieder geval Europa, aan te kunnen.

En het helpt natuurlijk dat ze nog nooit een eindstrijd hebben verloren.