Interview met Rüdiger Safranski

Het drama van de vrijheid

«Als de vrijheid van burgers leidt tot sociale anarchie, dan is de roep om staatsingrijpen heel begrijpelijk.» Gesprekken met de Duitse filosoof Rüdiger Safranski over Srebrenica, het Kwaad, en de hedendaagse liberale en sociaal-democratische politiek.

In 1997 schreef de Duitse filosoof Rüdiger Safranski Das Böse oder das Drama der Freiheit, en nog is het kwaad de wereld niet uit. Daags na publicatie van het Srebrenica-onderzoek hangt hij aan de telefoon. «Ik voel mij als buitenstaander nauwelijks gerechtigd over het rapport te spreken; de details zijn mij onvoldoende bekend», zegt Safranski, die overigens Nederlands kan lezen. «Maar wat ik wel weet is dit», vervolgt hij. «Wij hebben bij oorlogs- en vredesprocessen een vorm van internationale politie nodig. Verschillende vormen van onbeheerst geweld plegen nu eenmaal overal ter wereld uit te breken. Het is daarom noodzakelijk te zoeken naar een vorm van militair ingrijpen tegen plotseling uitbarstend geweld tussen burgers onderling, staten onderling of van staten tegen eigen burgers. Plotseling uitbarstend geweld is per definitie ondemocratisch. Het bevat altijd de basiselementen van het kwaad: het opzettelijke kwaad van de ene partij, dat de narigheid van de andere partij is, die vervolgens terugslaat of wordt uitgemoord. In zulke gevallen kun je niet eindeloos bij een gebedsmolen de formule ‹Geweld lost geen enkel probleem op› blijven prevelen. Dat is een onzinnige uitspraak waarmee je jezelf buiten de geschiedenis plaatst. Er is een hele lijst voorbeelden van historische gebeurtenissen waar met succes geweld is ingezet. Als Duitser kan ik zeggen dat het verloop van de Tweede Wereldoorlog voor ons goed heeft uitgepakt. Als onze legers hadden gewonnen, waren we nooit van het nationaal-socialisme afgekomen. Het zou mooier zijn geweest als wij het nationaal-socialisme in een burgeroorlog hadden kunnen verslaan. Daarmee hadden wij misschien de verschrikkingen kunnen voorkomen die het stervende regime in de laatste maanden van de oorlog heeft aangericht. Ik ben in 1945 geboren en dus profiteur van de vrijheid. Ik heb makkelijk praten: anderen hebben de bommen op hun kop gekregen. Maar hoe dan ook, het is niet zonder hulp van buitenaf gelukt en ik ben blij dat het regime is verslagen.»

Humanitair ingrijpen bij geweld is een relatief nieuw fenomeen. Dat verklaart volgens Safranski de halfhartigheid waarmee de Nederlandse troepen in Srebrenica zijn ingezet. «De internationale gemeenschap is tegen geweld en wil zichzelf niet hoeven verwijten dat er onder haar ogen een slachting plaatsvindt. Daaruit spreekt een heel gezond historisch besef. Maar intussen hebben wij nauwelijks ervaring met een democratisch beheersbare vorm van staatsgeweld buiten onze nationale grenzen. Het klinkt misschien macaber, maar de Nederlandse ervaring is leerzaam. De inzet in Srebrenica werd gedaan met goede bedoelingen, maar de situatie in de Balkan was dermate brisant dat er geen tijd was om een internationaal constitu tioneel kader voor gewelddadig ingrijpen uit te werken. De Nederlanders zijn erin gesprongen, en er is niettemin iets verschrikkelijks gebeurd. Terecht worden de politici en de militaire bevelhebbers nu niet alleen geroemd om hun goede bedoelingen, maar ook aangesproken op hun verantwoordelijkheden. Daarbij komen ongetwijfeld nog meer akelige zaken aan het licht. Maar dat proces zelf is een grote verworvenheid die in het vuur van de verschrikkingen dreigt te verbleken. Het parlementaire onderzoek waarin de zaken aan het licht worden gebracht is precies de verworvenheid die de vorming van een succesvol — democratisch doorgeëxerceerd — tegengeweld mogelijk maakt. Juist de openbaarheid waarin zich dit nu afspeelt is groots, al brengt het kwade zaken aan het licht. Het is zeker niet de gemakkelijkste weg uit de besluiteloosheid, maar wel de enige juiste. Vergelijk het met de situatie waarin een van de strijdende partijen uit voormalig Joegoslavië een club Nederlandse huurlingen zou hebben ingezet. Die zouden zijn afgerekend met geld en niet op hun verantwoordelijkheid.»

Dat was Safranski afgelopen week. Eerder deze maand trad de Duitse filosoof aan voor een gesprek over het Kwaad. Op een ideaal moment: de dag voor de Nacht van de Filosofie, 6 april, waarin Safranski samen met Harry Mulisch verder zou schaven aan zijn toneelstuk, de inmiddels al klassieke tragedie over de vrijheid.

Wat is het slechtste dat u ooit heeft gedaan?

Rüdiger Safranski: «Ha! Om nu niet al te persoonlijk te worden zal ik een voorbeeld geven van een slechte politieke situatie waarbij ik betrokken ben geweest. In het begin van de jaren zeventig, direct na de periode ’68, was ik dogmatisch maoïst. Met een deel van mijn generatie heb ik mij overgegeven aan de totalitaire verleiding, de zucht naar het ene antwoord op alle vragen. Naar wij dachten deden wij dat dit keer in het teken van een goed project, maar ondertussen hielden we er wel een onderdrukkend, intolerant mensbeeld op na. Wij deden zoals Charly Chaplin in The Great Dictator: hij propt te veel kleren in een koffer en snijdt weg wat er niet in past. Zo sneden wij veel levends weg omdat het niet paste in ons ene concept, ons starre mensbeeld. Het werd een plat materialistisch programma — een mens moet brood hebben — waarin een praktisch nihilisme, een totale secularisatie op geestelijk gebied, alleen nog ruimte liet voor economische gerechtigheid. Dat laatste is op zich een loffelijk motief, maar alle andere motieven werden daaraan ondergeschikt gemaakt of weggesneden. Je kon toen in miniatuur ondervinden wat en gros in de vorige eeuw voor onheil is aangericht. Jezelf en anderen tot dingen maken is het allerkwalijkste en we deden het uit vrije wil, niemand dwong ons ertoe. Het blijkt achteraf een van de duistere opties van de vrijheid.

Gelukkig is het maoïsme in Duitsland nooit van de speelplaats gekomen, maar dat was niet onze verdienste. Elders in de wereld konden wij zien wat er zou gebeuren als het ernst werd. Daar bleef het niet bij een ideëel project, maar werd een daadwerkelijke verwoesting van hele culturele tradities doorgevoerd. Wij kunnen nu in de voormalige DDR van zeer nabij zien wat er gebeurt als na de schipbreuk van een dergelijk systeem zelfs de laatste waarde — die van de economische gerechtigheid — wegvalt en er consumentisme voor in de plaats komt.»

Plat materialisme en consumentisme zie je in het Westen ook, maar dan na enige decennia liberalisme en sociaal-democratie.

«Het verschil met de liberale levensvorm is dat die tenminste de mogelijkheden opent voor een alternatieve oriëntering. Die vorm opent een raamwerk dat je niet dwingt in een heel bepaalde dimensie, die beperkt niet principieel de mogelijkheden. Wij zijn in de gelegenheid om ons mensbeeld open te houden. Maar omdat er zoveel opties zijn, wordt geen enkel perspectief meer voor belangrijk gehouden. De veelheid aan opties leidt tot besluiteloosheid, de besluiteloosheid tot onverschilligheid en ervaring van zinloosheid. Die toestand kan er vervolgens toe leiden dat het liberale kader zélf als onbelangrijk wordt beschouwd. De liberaliteit verwatert tot één van de opties, die je net als alle andere kunt verwerpen. Wat je direct waarneemt zijn de verwaarlozingsverschijnselen dóór vrijheid; de verwaarlozing ván de vrijheid is moeilijker te zien. En dat is het drama van de vrijheid, een drama waarin alle Europese burgers acteur zijn, terwijl zij het gevoel hebben tot de toeschouwers te behoren.»

De vrije burger roept om meer blauw op straat, meer staatsingrijpen. Politici zijn niet ongenegen om daarop in te gaan. De kaart van Europa kleurt bruin alsof iemand een kopje koffie heeft omgestoten.

«Als de vrijheid van burgers leidt tot sociale anarchie, dan is de roep om staatsingrijpen heel begrijpelijk. Dan moet de staat met de burger zorgen voor civilisatie, niet alleen door de opbouw van tegengeweld, maar ook door oplossingen voor de langere termijn te bedenken. Op dat punt kan ik niet origineel zijn: geef je kinderen niet alleen een beroepsopleiding — Ausbildung — maar laat ze ook een beetje om het doel in zichzelf heen dansen en zo ontdekken dat vrijheid een actieve houding is en geen consumptieartikel. Dat wordt bedoeld met Bildung…»

Alsjeblieft, wij hebben verkiezingen in mei.

«… en op de korte termijn moet je de zaken toespitsen, jij ook met je koffievlekken. Burgergeweld moet altijd aan banden worden gelegd. Als burgers de straat onveilig maken, moet er worden ingegrepen. Een beschaafd antwoord is, om met Norbert Elias te spreken, dat de staat het geweldmonopolie heeft waarmee voor de ene burger tegen de andere kan worden opgetreden. Daar kunnen natuurlijk ongerechtigheden uit voortvloeien, maar als je op het scherp van de snede moet kiezen — en dat moet je altijd — tussen burgergeweld en staatsgeweld, dan ben ik etatistisch en kies ik voor versterking van het staatsgezag. Dat heeft als ijzeren consequentie dat in alle privatiseringsgolven het gezag nooit te koop mag worden aangeboden. Ik wil niet dat gezag wordt geprivatiseerd. Het mag niet tot consumptieartikel worden, zodat bepaalde stadsdelen die het zich financieel kunnen permitteren er hun eigen privé-politie op na kunnen houden. Dat gebeurt hier en daar al. Dat is niet de juiste weg. Ik wil een geweldmonopolie van de staat. Staatsgezag is door ons, in ieder geval poten tieel, beter te beheersen dan de privé-sectoren en dus gemakkelijker weer af te zwakken als de omstandigheden dat toelaten.»

Niet te benauwd voor staatsgezag dus, en intussen de liberaliteit blijven verdedigen?

«Ja, die moeten wij in alle gevallen verdedigen, maar door de vrijheid als raamwerk op te vatten en daarin serieus beslissingen te nemen over betere en minder goede perspectieven. Je moet het spel op de juiste manier spelen en niet blijven steken in het idee dat er nou eenmaal veel perspectieven zijn. Dat was natuurlijk wel de grap van mijn vroegere maoïsme. Je kon met vol engagement en met existentiële vastbeslotenheid aan een project werken. Maar ook nu moeten we de moed hebben om substantiële overtuigingen te koesteren. Je kunt je niet permitteren om liberaal te zijn als een geiser: koud water erin, warm water eruit en daartussen niets anders doen dan de gemoederen verhitten. Je moet beslissingen nemen, de rest is huichelarij. Daarvoor moet je je opinies tot het uiterste doordenken, zelfs tot in de kwade consequenties, zodat je in staat bent ervoor te zorgen dat je andere overtuigingen niet platweg verwoest.

Wij hebben de combinatie van liberaliteit en sociaal-democratie ter beschikking, maar wij moeten actief de totale Absturz in het niets vermijden, die in het hart van de liberaliteit ligt. Vermijdt vlakke vermaatschappelijking. Je moet substantiële standpunten tot het einde denken, de kuur geheel afmaken. In het denken kun je experimenteren met menselijke mogelijkheden, ook met de meest kwalijke. Je kunt in het denken ongestraft mogelijkheden extrapoleren tot ze vastlopen. Onder dit experimentele voorbehoud kun je ook het waardenihilisme radicaal uitproberen, zoals Max Stirner deed toen hij zei: ‹Ich habe meine Sache auf nichts gestellt.› Hij tastte het niets in theorie af, tot in de meest duistere uithoeken, in een moedige poging om er in praktijk juist niet aan ten prooi te hoeven vallen.

Het gedachtekwaad wordt pas reëel als dit experimentele voorbehoud wordt verlaten, als je een definitief oordeel velt over hoe het is en over hoe het moet zijn. Het slaat pas om als bepaalde dingen, een bepaald mensbeeld bijvoorbeeld, op dogmatische wijze worden vastgespijkerd. Op dat moment houdt het experimentele stadium op en begint de nacht zonder filosofie. Er zijn kwaden die je in fantasie — de kunst — of in theorie — filosofie — al kunt laten stranden. Als dat lukt is er veel gewonnen.»

En nu in politieke termen…

«Wij leven in een tijd waarin de technologische en economische ontwikkeling zich wereldwijd voltrekt als een soort blind natuurproces. Het lijkt alsof dat proces zich boven onze hoofden afspeelt. Maar het is geen natuurramp. Globalisering is het resultaat van talloze menselijke handelingen die gezamenlijk een bepaalde logica voortbrengen, waartegenover je zelf weer volkomen weerloos denkt te staan. Daar is de duistere zijde van het liberalisme verantwoordelijk voor: het is een zeer substantieel raamwerk, maar het biedt zelf geen richtinggevend perspectief om het gevoel van machteloosheid te doorbreken. Echter, inmiddels kunnen we zelfs van 11 september iets leren. Een handvol vastbesloten subjecten, bewapend met Stanleymessen, is erin geslaagd om een complexe hoogbeschaafde civilisatie in totale paniek te brengen. Het leert dat het individuele subject met donderend geraas zijn herintrede op het wereldtoneel heeft gemaakt. Als een paar individuen hun kaarten op tafel leggen, kunnen ze een werkelijk verschil maken in de ogenschijnlijk anonieme wereld. Die lui hebben duidelijk hun acties niet tot het einde doordacht, maar direct letterlijk tot het einde volbracht. Zo moet het dus juist niet, maar het feit ligt er: afzonderlijke individuen of kleine groepjes hebben blijkbaar de macht om perspectieven te realiseren. Dat moeten wij beseffen.»

Is er een positief perspectief te verwerkelijken? De sociaal-democratie?

«De sociaal-democratie is een enorme verworvenheid, misschien eerder een Europese dan een Amerikaanse. Ze is een goed export artikel en zonder meer het verdedigen waard. Ze is een poging om principes van gerechtigheid, subsidiariteit en hulp toe te voegen aan het marktmechanisme. De sociaal-democratie wil niets anders dan de stuurbaarheid van de markt vasthouden met respect voor iedereen die daarop rondwandelt. Ze is een temmende kracht naast het suizende, grensoverschrijdende kapitalisme. Op dat gebied is in Europa veel bereikt en die traditie moet worden gekoes terd. De sociaal-democratie is een perspectief dat met een veel groter zelfbewustzijn moet worden uitgedragen. Ze bevat waarden die het kapitalisme kunnen temperen, principes die het meer dan waard zijn om te worden geglobaliseerd en dan zonder met een vliegtuig het financiële centrum van de wereld plat te leggen. Ze is niet hopeloos: je ziet dat veel voorlieden van het wereldkapitalisme, George Soros bijvoorbeeld, als het ware van binnenuit meer en meer gevoelig worden voor de duistere zijde van het liberalisme.»

Heeft de sociaal-democratie ook duistere zijden?

«Natuurlijk. Ook de sociaal-democratie kent dreigingen van binnenuit. De donkere kant van de sociaal-democratie is dat je na verloop van tijd niet meer ziet hoe kostbaar ze is. De gewenning aan een risicovrij leven ligt op de loer. Omdat we gelukskinderen zijn en al enige tijd in een tamelijk beschermde situatie leven, sluipt er gemakzucht in ons mensbeeld. Wij consumeren de vrijheid zoals we mooi weer consumeren. Juist in een zorgzame samenleving vergeet je gemakkelijk dat de vrijheid actief moet worden verdedigd. Een vrije samenleving is niet hetzelfde als een los verband van atomistische individuen zonder enige gemeenschapszin. Je moet paradoxaal genoeg civiele gedragsvormen opstellen om de individuele vrijheid te kunnen blijven garan deren.

Het is helemaal niet gek om met Immanuel Kant een niet al te vrolijk mensbeeld te hebben en je niettemin, of juist daarom, in te zetten voor een libertaire staat en een kosmopolitische instelling. Het is een groot kwaad om te wennen aan de voorstelling dat een functionerende samenleving een natuurtoestand is. In de twintigste eeuw hebben slecht functionerende samenlevingen tachtig tot honderd miljoen doden opgeleverd. De vraag waar we voor staan is: is het mogelijk om de globale blinde processen bij te sturen en over te laten gaan in bewust handelen? Het antwoord van Kant is: ‹Du kannst denn du sollst.›»

Zijn er voor het consequent doordenken van onze verworvenheden en schaduwzijden nog inspirerende voorgangers, of is onze situatie uniek?

«Onze situatie is natuurlijk uniek. De beheersing van de eerste natuur — de materiële wereld — heeft zo’n vlucht genomen dat de beheersing van onze tweede natuur alleen daardoor al voortdurend op achterstand wordt gezet. Onze tweede natuur is de geest — ons creatieve zelfbewustzijn en maatschappelijk bewustzijn — waarmee we doelen voor onszelf móeten stellen, omdat wij dat nu eenmaal kunnen en omdat wij met datzelfde bewustzijn ook inzien dat de natuur ze ons niet zal aanreiken. Max Scheler zei dat ook onze meest hoogontwikkelde techniek niet meer is dan het repertoire van chimpansees: hoe krijg ik die banaan naar beneden? Het basale overleven derhalve, een zeer beperkt doel en niets meer dan plat materialisme.

Maar als je inhoudelijke aanknopingspunten zoekt voor een geestrijker materialisme, dan kun je bij de vroegere tegenpartij terecht. Als je het Communistisch manifest van Marx leest, dan zie je dat hij in 1848 al een overmorgen ontwerpt dat precies lijkt op onze huidige wereldmarkt. Voor Marx was het kapitalisme de krachtigste en meest effectieve vorm van vermaatschappelijking. Hij stelde daarom meteen de vraag: hoe krijgen we dat kapitalisme in de greep? Hij had het niet over het kapitalisme in afzonderlijke landen, maar hij behandelde het direct op wereldschaal. De Internationale, nietwaar? De wereldrevolutie zou van een revolutie op de wereldmarkt komen. Marx heeft het denken toen al op het juiste niveau gebracht. Zijn kortsluiting naar het messianistische project dat het proletariaat het stuur direct moest overnemen is mislukt, dat weten we, maar zijn analyses zijn zeer substantieel. De vraag waar wij omheen draaien lag in de negentiende eeuw, niet alleen bij Marx, open en bloot op tafel: hoe zetten we blinde natuurlijke groei om in een bewust handelend proces? De antwoorden zijn uitgeprobeerd, laten we ze nu maar eens doordenken, en dan echt tot het uiterste.

Voor Marx was het in de vroege negentiende eeuw cruciaal dat al het samenwerken van mensen had geresulteerd in de geschiedenis zoals die er op dat ogenblik voorstond. Iedereen had zich suf gewerkt aan dat resultaat, maar niemand had ooit gewild dat het er zo zou gaan uitzien. Er was geen soevereiniteit tegenover de geschiedenis. Marx gaf de impuls — en dat was de charme van het marxisme — om de soevereiniteit over de geschiedenis in handen te nemen. Bij Marx ontdekt de geschiedenis zichzelf. De Naturwüchsigkeit van processen aflossen met het vrije besluit over processen die je zelf in gang zet. Met de onvoorstelbare mislukking van dit marxistische project om macht over de geschiedenis te krijgen, hebben we nu een situatie van marktwerking, een proces waar je im Grunde onmachtig tegenover staat.

Het probleem is nu: na het vastlopen van het grote project om soeverein over de geschiedenis te worden, laat men de pendel weer volledig in het tegendeel doorslaan. Wij beleven een periode van halve eerbied en halve verbijstering, van halfangstig toekijken naar wat de markt nou weer doet. De euro is er en we moeten ons ertoe verhouden. Het is opnieuw de overgave — en op de meest krasse wijze — aan de blinde historische processen; het onmachtig verklaren van het denken ten opzichte van de geschiedenis. En er is helemaal geen reden om je zozeer te laten imponeren voor de vrije vormgeving. Er blijft politiek nog een heleboel speelruimte. De markt zorgt niet uit zichzelf voor gerechtigheid, wij zullen rechtvaardig moeten zijn.

De organisatie van gerechtigheid is een oorspronkelijk politieke taak. In dat opzicht moet de markt eerder worden getemd. De ontwikkeling van cultuur en van adequate opleiding en vorming is een zaak die de markt niet uit zichzelf realiseert. Dat betekent niet dat we nu plotseling een uitontwikkeld mensbeeld nodig hebben. Er is een overdreven verdenking tegen ideologie, een abject bezwaar tegen conceptueel, prescriptief denken. Wat we ten minste kunnen doen is in de openbaarheid consensus bereiken over de mate van eenheid die nodig is, terwijl er verschillen kunnen blijven bestaan. Als we de grenzen niet in de politiek trekken, dan trekken personen en staten hun eigen grenzen en ontstaan er vijandschappen.»

Gaat u nog iets tot het bittere einde doordenken?

«Ja, ik werk aan een klein boek getiteld Hoeveel globalisering kan een mens verdragen? en aan een epos over de vroege negentiende eeuw. Dat laatste zal pas in 2004 af zijn, maar het staat iedereen vrij om vast een beetje te spelen met de gedachte van Schelling: Die Natur schlägt im Menschen ihre Augen auf und bemerkt das sie da ist.»