Het drama van het opgevangen kind

Pijn kun je niet delegeren, verzuchtte in een vroeger arbeidsverleden mijn baas die onverwacht geveld werd door een hernia. Ik dacht dat ze blijk gaf van plotselinge zelfrelativering, maar ik had beter moeten weten. Vrouwelijke superieuren kunnen het zich niet permitteren enige zelfspot aan de dag te leggen, maar vervolgen zonder een krimp te geven hun weg door het mijnenveld. Mijn baas was dan ook dodelijk serieus, en oprecht kwaad dat ze haar rugpijn niet kon uitbesteden. Nu is een kind in zoverre helemaal níet te vergelijken met een hernia, dat het hebben ervan over het algemeen voorafgegaan is door een wens – en dat je mag hopen er meer plezier dan pijn aan te beleven, maar dit terzijde – maar in zoverre ook weer helemaal wél, dat het zich niet laat uitbesteden. Niet echt.

Ongetwijfeld voorgoed gehersenspoeld door een arcadische jeugd, die wat betreft de lagere school gekenmerkt werd door het tussen de middag naar huis huppelen om weer even op te laden – inderdaad, mede dankzij het bordje bambix door mijn moeder bereid – en het om 3 uur ’s middags naar huis snellen om me op de bank te storten met een boek, heb ik altijd een weerzin gevoeld jegens de zogeheten naschoolse opvang. Overblijven, dat was nog tot daaraan toe, maar om je kind na een lange dag nog weer eens het vingerverf- of handbalcircuit in te sturen… Op gezette tijden met rust gelaten worden, of in modernere taal gezegd ‘tot jezelf kunnen komen’, is een niet te onderschatten goed, en even noodzakelijk voor de geestelijke groei als een bordje pap.

Zo persoonlijk als deze opvatting lijkt, zo is die natuurlijk niet. Ik ben ook maar een kind van mijn tijd, aan één kant gekenmerkt door de gekoesterde herinnering aan een altijd klaarstaande moeder en aan de andere kant door het ideaalbeeld van mezelf als de vrouw van zes biljoen. Terwijl men hier ijverig bezig was zich te bevrijden van het imago een van de achterlijkste landen te zijn wat betreft de activiteit van vrouwen op de arbeidsmarkt, heeft zich in het denken over zorg voor kinderen in Nederland de afgelopen twee decennia een verschuiving voorgedaan waarbij de klimatologische veranderingen verbleken. Het zijn de decennia waarin mijn generatie vrouwen en mannen voorgoed dacht af te rekenen met hun papkokende moeders en afwezige vaders door hun blèrende gebroed omstebeurt af te zetten bij de crèche. Zo. En nu aan het werk. Dat het allemaal niet frictieloos ging (een opmerking van de buurvrouw die een dag na-etterde dat je zelf voor je kinderen moet zorgen; een kind dat ’s avonds in bad bijtwonden in haar rug bleek te hebben; een werkgever die neerkeek op parttimers), ach, het hoorde erbij en het sterkte je in de overtuiging dat er nog een hoop emancipatoir werk aan de winkel was.

Tegen de tijd dat het gebroed de leerplichtige leeftijd had bereikt, bleek dat revolutionair élan echter lichtelijk aan kracht te hebben ingeboet, of laat ik zeggen: ouderlijker trekken te hebben aangenomen. Als het ouderschap iets leert, dan is het namelijk dit: je hebt geen idee aan welk verbond je je uitlevert. Alleen in de eerste jaren van het ouderschap hoor je moeders of vaders nog wel eens klagen ‘niet meer aan zichzelf toe te komen’, waar werk soms ook deel van uitmaakt. Daarna treedt een zekere murwheid in. Een murwheid, geschraagd door relativering, berusting en enig geluk, mag je hopen. Dit is het ware leven van zes biljoen blijkbaar, rennend en vliegend tussen school, kantoor, voetbalveld en vergadering.

Dat ondertussen in Den Haag het denken over werk en zorg zich vertaalt in het creëren van eindeloze kinderopvangmogelijkheden, desnoods door containers naast scholen te plaatsen, tja, daarvoor is het Den Haag. Maar eenzijdig, fantasieloos en barbaars is het wel. Vanaf het eerste moment dat een nieuw leven zich aandient, wordt een meedogenloze tijdladder uitgerold. Ingeschreven, opgevangen, uitbesteed. Waartoe? Opdat hun ouders zich en masse buitenshuis een hernia kunnen werken? Arme ouders. Arme kinderen.