Het dubbele leven van Annie Ernaux

In de ‘sociologische autobiografie’ De jaren wil Annie Ernaux het collectieve geheugen terugvinden in dat van haarzelf.

Annie Ernaux is lang een buitenbeentje geweest in de Franse literatuur © Sophie Bassouls / Sygma / Getty Images

Zeg: je me souviens… Wat zie je?
Niet het grote, ommuurde grasveld in Lausanne, het openluchtzwembad vlak naast het meer van Genève, en de hoogste duikplank die, tot je opluchting, buiten gebruik was. Waar je in Een Spaans hondje van Rascha Peper las hoe iemand een sekswerker belde, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en waarin iemand naar de naam Pleuntje luisterde en je je afvroeg of er mensen waren die echt zo heetten.

Niet Kevin, Fatih, Tayfun of Sam, niet Gamze, Dylan of Eva, niet Melkfles (die zou eindigen als bankier in Parijs) en vast ook niet Tandvlees (het laatste wat je hoorde was dat hij met een opgevoerde brommer was geflitst op de A13). Niet de bordeauxrode plastic schuiflade onder het bureautje waarin je je opdrachten verstopte, in plaats van ze gewoon te maken. Geloofde je werkelijk dat niemand het zou opmerken? Het einde van de geschiedenis was een feit, maar daar was je niet mee bezig.

Niet de boodschap op de groene muur ergens in het noorden van Engeland waarvoor je, gezeten op de kleine Triumph Tiger Cub van je moeder, poseerde. Je vuurrode, gemillimeterde haar als illustratie bij de woorden erboven: Say it loud, I’m red and I’m proud. Een bierreclame. Be a Beamish redhead.

Misschien herinner je je wel hoe er overal waar je kwam shag op tafel leek te liggen. Shag en cryptogrammen. En hoe de tv alleen aan ging om acht uur ’s avonds en natuurlijk op zondagochtend. Hoe routineus de vloei werd gevuld, gerold, gelikt en aangestoken. Hoe iedere generatie er een eigen handschrift op na leek te houden. Hoe jong mensen als oud konden zijn. Hoe je soms bedacht dat je niemand kende met een windjack. Niemand.

Wat blijft er over van dit alles als we sterven? Niets, natuurlijk. Het vervliegt onherroepelijk met de laatste ademtocht. Poef. ‘Abrupt zullen tenietgaan de duizenden woorden die dienden om dingen, gezichten van mensen, handelingen en gevoelens te benoemen, die de wereld ordenden, die zorgden voor een bonzend hart en een vochtige vulva’, schrijft Annie Ernaux aan het begin van De jaren.

Haar ‘sociologische autobiografie’ uit 2008, nu prachtig vertaald door Rokus Hofstede, werd met prijzen overladen en vorig jaar nog genomineerd voor de Man Booker International. Ernaux is met haar taboedoorbrekende boeken lang een buitenbeentje geweest in de Franse literatuur, een positie die ze nog altijd lijkt te koesteren, maar schrijvers als Emmanuel Carrère en Edouard Louis komen graag uit voor hun schatplichtigheid aan haar.

De jaren opent met een verzameling van de meest alledaagse ervaringen en indrukken die zijn blijven hangen, sommige concreet (‘de pasgeborene die als een gevild konijn omhoog werd gehouden in de verloskamer van de Pasteurkliniek in Caudéran, en die een half uur later helemaal aangekleed op zijn zij lag te slapen in het kleine bedje, met één handje tevoorschijn komend vanonder de tot zijn schouders opgetrokken lakens’), maar andere algemener van aard (‘de zwierige gestalte van acteur Philipe Lemaire, getrouwd met Juliette Gréco’). Wij zijn de herinneringen die ons een leven lang vergezellen.

In De schaamte (1997), over de nasleep van een moment waarop haar vader zo buiten zinnen was dat de jonge Annie vreesde dat hij haar moeder zou vermoorden, schreef Ernaux: ‘Ik heb altijd boeken willen schrijven waarover ik naderhand onmogelijk nog iets zou kunnen zeggen, boeken die maken dat je de ander niet in de ogen kunt zien.’ Vol schaamte zijn, maar schaamteloos willen schrijven. In de openingsregels van L’occupation (2002) wenst Ernaux dat ze kon schrijven alsof ze dood was wanneer haar woorden werden gepubliceerd. Volgens mij is dat in feite precies hetzelfde verlangen, anders verwoord.

In L’occupation verhaalt Ernaux van een relatie die als vanzelfsprekend is overgegaan in een affaire. Maar het boek gaat in de eerste plaats over De Andere Vrouw, de vrouw met wie hij zijn leven is gaan delen. Niet over de vrouw zelf, maar over de wijze waarop deze in nevelen gehulde figuur bezit weet te nemen van het leven en de verbeelding van de verteller. Ik zeg verteller, maar hoe gefictionaliseerd is dit verhaal nog? Ik kan de tijdlijn, het leeftijdsverschil tussen haar en de andere vrouw, Ernaux’ geboortejaar (1940) en het veelvuldig gebruik van het internet en een Franse voorloper, de Minitel, niet helemaal rijmen – maar ik heb het gevoel dat dat aan mijzelf ligt.

De verteller begrijpt dat ze deel uitmaakt van een reeks oudere vrouwen in het leven van haar jongere geliefde. Ze had het ook om kunnen draaien, denkt ze, en vanuit haar eigen perspectief de voordelen die zijn jeugdigheid haar bood beschouwen. Maar, zegt ze, ‘ik voelde geen aandrang mezelf objectief onder loep te nemen’.

Ze is doodsbenauwd dat ze haar ex en zijn nieuwe liefde op straat zal tegenkomen, maar die angst gezien te worden strekt zich niet uit tot wat ze schrijft. Schrijven, zegt ze, is in de eerste plaats niet gezien worden. Hier achter haar bureau dwingt ze zichzelf de jaloezie die zich van haar meester maakte te beschrijven, dat wat persoonlijk en intiem was toen ze het ervoer te transformeren tot iets dat een algemenere geldingskracht bezit, ze schrijft niet langer over haar jaloezie of over haar verlangens. Ze schrijft over Jaloezie en over Verlangen.

Hij weigert haar de naam van zijn nieuwe geliefde te vertellen. ‘Wat zou je eraan hebben?’ vraagt hij.

Ze wil hem zeggen dat het verlangen naar kennis de essentie van het leven en van alle intelligentie is. Ze wil in zijn gezicht schreeuwen: ‘Alles!’ Maar wat ze zegt is: ‘Niets…’

Mijmeringen over een plezierige toekomst, die telkens ruw worden verstoord door inbrekende gedachten aan die vast heel elegante nieuwe vriendin, omschrijft ze ergens als ‘autoficties’. Autofictie is ook de benaming voor een literair genre waarmee haar naam in Frankrijk onlosmakelijk verbonden is, maar je kunt je afvragen in hoeverre het haar oeuvre dekt. De sociaal-realistische boeken met het woord roman op het omslag die ze aan het begin van haar carrière schreef, Lege kasten (1974), De bevroren vrouw (1981), Alleen maar hartstocht (1992), kunnen zeker onder die noemer worden geschaard. Fictie, opgetrokken uit de bouwstenen van het eigen leven. Maar L’occupation lijkt een stap dichter bij die andere boeken te staan. Boeken die niet uit verbeelding maar uit het puurste destillaat van de herinnering lijken te zijn opgetrokken. Boeken als De schaamte, dat vooral ook gaat over sociale mobiliteit en wat die binnen een gezin kan aanrichten; De plek (1983), over het kleine leven van haar vader die zich opwerkte, eerst tot arbeider en later tot kleine neringdoende (Ernaux’ ouders bestierden een café/levensmiddelenwinkeltje in het Normandische stadje Yvetot); Je ne suis pas sortie de ma nuit (1997, over alzheimer); Een vrouw (1988, over het leven en de dood van haar moeder); De blik naar buiten (dagboekaantekeningen over anderhalf jaar forenzen van en naar een karakterloze voorstad); en het ijzingwekkende Het voorval (2000, over de illegale abortus die al eerder de basis vormde voor Lege kasten). Het zijn boeken waarin Ernaux niet geïnteresseerd lijkt in een spel met feit en fictie. Het is een literatuur waarin feiten niet de basis vormen voor een verhaal of bouwstenen zijn voor iets als de waarheid. Ernaux gebruikt ze in haar zoektocht naar het wezenlijke.

In Meisjesherinneringen (2016) speurt ze naar ‘het meisje van ’58’ – het meisje dat zij was, Annie Duchesne, toen ze, als leidster in een jeugdkamp, voor het eerst van de vrijheid proefde en met iemand naar bed ging en over de hoge prijs die ze daarvoor betaalde. Een prijs die niet alleen bestond uit de spotternijen van de mensen in het jeugdkamp – ze vonden haar een ‘halve hoer’ – maar vooral ook uit de lange psychische nasleep van die zomer: ze ontwikkelde een eetstoornis en stopte met menstrueren. Het is een onsentimenteel maar hartverscheurend boek. Zo ontzettend eenzaam, vooral. Er zijn wel andere mensen in het leven van Annie Duchesne, en boeken die, door precies op het juiste moment in haar leven te verschijnen, troost bieden of houvast geven – waar zou ze zijn geweest zonder Simone de Beauvoir? – maar mijn god: zo veel van wie ze is, is ze alleen.

‘Juist het gebrek aan betekenis van wat je beleeft op het moment dat je het beleeft breidt het aantal mogelijke manieren om erover te schrijven uit’, schrijft ze in Meisjesherinneringen. En, aan het einde, ook: ‘In mijn papieren vond ik een soort intentieverklaring terug: de kloof verkennen tussen de verbijsterende werkelijkheid van wat je overkomt op het moment dat het je overkomt, en de vreemde onwerkelijkheid waarin, jaren later, wat je is overkomen zich tooit.’

Ernaux probeert de wereld om haar heen te begrijpen door naar zichzelf te kijken, en ze probeert zichzelf te begrijpen door naar de wereld om haar heen te kijken. Literatuur is altijd een vorm van reiken en haar werk is altijd de poging een van twee kloven te overbruggen. Soms gaat het om de kloof tussen wat is en wat is geweest, het gapende gat tussen wie we waren en wat we zijn, op andere momenten om de kloof tussen het individu en de gemeenschap.

Ze hangen, denk ik, beide samen met haar achtergrond. Met de wijze waarop ze, door haar goede schoolresultaten, een pad ging bewandelen dat aanvankelijk nog niet voor haar leek te zijn uitgestippeld. Sociale mobiliteit versterkt het effect van zowel de eerste kloof, die tussen het verleden en het heden, als de tweede. Wat die eerste betreft kunnen we slechts vasthoudend naar de overzijde staren. Zo scherp mogelijk kijken en vertellen wat we uit de mist van het verleden zien opdoemen.

Ernaux’ impliciete vraag aan de lezer van 'De jaren' is of we nu, heel misschien, weten wat het is om een ander te zijn

Maar haar interesse in die tweede kloof, die tussen het vrijgevochten individu en de gemeenschap, lijkt ook samen te hangen met haar stijging op de maatschappelijke ladder. Ze is op drift geraakt en daarmee voor altijd doordrongen van wat ze heeft achtergelaten: een gemeenschap met eigen gebruiken en gedeelde herinneringen, een wereld van vanzelfsprekendheden. Uit haar boeken spreekt de wens recht te doen aan de wijze waarop we altijd op een en hetzelfde moment een ik zijn en onlosmakelijk deel uitmaken van een wij.

In De schaamte schreef ze: ‘Om de afstand tot mijn werkelijkheid van toen te overbruggen is het enige betrouwbare middel waarover ik beschik het zoeken naar wetten en rituelen, geloofsovertuigingen en waarden die bepalend waren voor de milieus, de school, de familie en de provincie waarin ik opgenomen was en die mijn leven beheersten zonder dat ik oog had voor hun onderlinge tegenstrijdigheden.’ En in De vrouw: ‘Wat ik idealiter hoop te schrijven ligt ongetwijfeld op het raakvlak van het persoonlijke en het algemene, van de mythe en de geschiedenis.’

Annie Ernaux slaagt er in De jaren op glorieuze wijze in alledaagse ervaringen in verband te brengen met de grotere geschiedenis © Gamma-Rapho Agence / ANP

In een Marathoninterview met Judith Herzberg citeerde Chris Kijne eens woorden met de strekking dat de dichteres het onbeduidende en het wezenlijke met elkaar probeerde te verenigen. Het onbeduidende van het eigen leven laten samenvallen met het wezenlijke van het wonderlijke bestaan als geheel is precies wat ook Ernaux doet.

Waar de kloof tussen het meisje van ’58 en de vrouw die vanuit het begin van de 21ste eeuw terugblikte in Meisjesherinneringen fundamenteel onoverbrugbaar was, slaagt Ernaux er in De jaren op glorieuze wijze in het individuele leven in te bedden in de collectieve geschiedenis. Dat waar ze tijdens haar leven maar zelden in slaagde, de alledaagse ervaringen in verband brengen met de grotere geschiedenis, lukt haar al terugblikkend wel. Ze gebruikt de bijzonderheden van haar persoonlijke leven, zonder in de ik-vorm te schrijven, als prisma om een collectieve ervaring bloot te leggen. Noem het autosociologie, of anders een gesublimeerd particulier levensverhaal. Een geschiedenis van hoop en verlangen en een boekstaving van zestig jaar Franse geschiedenis en westerse welvaart in tweehonderd-nog-wat pagina’s.

De stem die aan het woord is behoort toe aan iemand die is geboren op een plek waar de wereld klein is en waar de wereld dat naar alle waarschijnlijkheid zal blijven: de Franse provincie. Een stem die opgroeit in een tijd waarin schaarste de norm is en waarin alles en iedereen verhalen ophangt over de oorlog. Het gaat altijd over wat men zelf heeft meegemaakt. Nooit over de vernietigingskampen of de atoombommen. Het waren verhalen over honger en angst die altijd werden verteld in ‘de wij en ons-modus’.

Familiegeschiedenissen en de sociale geschiedenis vallen samen, maar er wordt meer doorgegeven dan alleen verhalen. Er was ook, schrijft Ernaux, een ander geheugen: ‘Hoe de mensen liepen, zaten, praatten en lachten, hoe ze op straat iemand aanriepen, hoe ze aten en voorwerpen vastpakten, een geheugen dat uit het diepst van het Franse en Europese platteland van lichaam op lichaam was overgegaan.’

Hoe normaal het was dat kinderen stierven, en hoe normaal het langzaam maar zeker werd dat ze dat niet deden. Hoe schaarste langzaam plaatsmaakte voor welvaart. Al konden overvloed en optimisme scherp contrasteren met de dagelijkse realiteit: ‘In elk gebit ontbraken tanden.’ De toekomst was er toen ook altijd al, en ook toen was hij niet evenredig verdeeld.

Opeens was hij een feit: de consumptiemaatschappij. Soep uit een zakje, mayo uit een tube, peren uit blik en zoveel huishoudelijke apparatuur dat je je met recht kon afvragen of je je niet zou gaan vervelen. Terugblikkend lukt het haar niet te begrijpen hoe het leven van dat meisje en die jonge vrouw plaatsvindt in dezelfde wereld als de bomaanslagen in Parijs en de oorlog in Algerije.

Het verhaal danst van het grote naar het kleine, van het algemene naar het particuliere. Wanneer er foto’s opduiken komt degene aan wie de stem toebehoort even in beeld. Het zijn moeilijk te doorgronden momentopnamen: ‘Misschien wordt de afstand tussen heden en verleden voelbaar in het licht dat tussen schaduwen op de grond valt, over de gezichten glijdt en de plooien van een jurk doet uitkomen, in het steevast schemerige schijnsel, op welk uur van de dag er ook is geposeerd, van een zwart-witfoto.’

Sartre en Beauvoir, de sociale strijd, melk in een pak en yoghurt met een smaakje. Hoe mensen het leven leken af te kijken van de reclames die ze ’s avonds op tv zagen. De enige feiten op de wereld waren trouwens de feiten op diezelfde televisie.

Hoe vooruitgang vanzelfsprekend was. Hij zat ‘in plastic en in formica, in antibiotica en in sociale uitkeringen, in stromend water boven de gootsteen en in stadsriolering, in vakantiekolonies, in voortgezet onderwijs en in atoomenergie. Je moet met je tijd meegaan, werd er om de haverklap gezegd, als bewijs van intelligentie en van een open geest.’

Seks was alomtegenwoordig, maar nergens zo duidelijk aanwezig als in de maatschappelijke achterdocht: ‘Overal werden de tekens ervan waargenomen, in decolletés, strakke rokken, nagellak, zwart ondergoed, bikini’s, in gemengde activiteiten, donkere bioscoopzalen, openbare toiletten, in de spieren van Tarzan, in vrouwen die roken en hun benen over elkaar slaan, in het strelen van je eigen haar tijdens de les enzovoorts. Het was de voornaamste beoordelingsmaatstaf van meisjes, het schiftte ze in “fatsoenlijk” en “onfatsoenlijk”. Deze schaamte was de afgrond waarlangs het leven van een meisje zich afspeelde: haar gedrag werd aan “een algehele surveillance door de maatschappij onderworpen”. Terwijl je in bed of op de wc masturbeerde keek de hele samenleving mee, en wie zich liet bezwangeren stond zaterdag in de kerk en beviel zes maanden later van “een verdacht robuust prematuurtje”.’

Hoe de hele maatschappij wegkeek van wat ze haar gastarbeiders aandeed. Even niet aan de Ogina-Knauskalender denken en hup, je hebt ze: kinderen. Weg vrijheid, weg onbezorgde toekomst. Niet langer dromen maar keihard werken, voor de kost en aan het ideaal van een hecht gezin: ‘De foto is vast en zeker op zondag genomen, de enige dag dat ze samen kunnen zijn, en terwijl het middageten geurig staat te sudderen op het fornuis, het brabbelende kind met Legoblokjes speelt, de spoelbak van de wc wordt gerepareerd en op de achtergrond het Musikalisches Opfer van Bach speelt, construeren ze hun gezamenlijke herinneringen en bestendigen ze het gevoel dat ze, al met al, gelukkig zijn.’ Er wordt met ongeloof en met spijt teruggekeken op het leven dat ze nog maar zo kort geleden leefden. Nu waren ze vooral bezorgd: over het eten, over de was, over kinderziekten.

1968: het eerste jaar van de wereld! Eigenlijk is ze net te oud, maar wat gaf dat? Een tweede kans. Alles is politiek, onder de straatstenen ligt het strand en iedereen moet zo snel mogelijk worden bevrijd. Het leven was plots een mars naar vrijheid geworden en daarmee veranderde alles. ‘Er was een typisch vrouwengevoel aan het verdwijnen, het gevoel van natuurlijke inferioriteit.’

Maar de sfeer sloeg ook weer om. Wanneer precies valt lastig te zeggen, maar onder Giscard d’Estaing leefden ze voortaan in de geavanceerde liberale samenleving, waarin ‘niets nog politiek of sociaal was, iets was alleen modern of niet’.

Verhuizen naar een voorstad en een huis waarvan de deur dichtvalt met een bungalowgeluid. Zelden nog echte gedachten hebben: geen bespiegelingen over hoe mensen praten of hoe ze zich kleden en niets over de hoogte van stoepranden of protesten voor of tegen het een of ander, maar het overpeinzen van werkelijk diepe vragen ‘over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan’.

Scheiden. Opnieuw vrij zijn. Desireless’ Voyage, voyage en de nouveaux philosophes die plots opduiken in de talkshows en daar ‘zwaaien met Solzjenitsyn’. Er mag niet meer gedroomd worden van de revolutie en hun morele verontwaardiging was grappig om te zien, maar wat ze precies wilden werd nooit helemaal duidelijk. Ouder worden en vasthouden aan je eigen idealen terwijl je het vertrouwen verliest in de politici die diezelfde idealen slechts lippendienst bewijzen. Mitterrand, schijnbaar voor altijd president, maar dan opeens die verschrikkelijke oud-burgemeester van Parijs. En wat later dan met dichtgehouden neus toch liever hij dan die fascist die opeens de tweede ronde haalde.

Ergens kantelt de blik en kijken we niet langer vooruit maar om: ‘Ze is het gevoel voor de toekomst kwijt, het soort onbegrensde achtergrond waartegen alles zich liet projecteren wat ze deed.’ Wat ervoor in de plaats komt? ‘Een kwellend gevoel van urgentie.’ Ze vreest dat het verleden ‘weleens even wolkig en stom zou kunnen worden als het was in haar vroegste kinderjaren – waarvan ze zich niets meer herinnert’.

Afgelopen maart, kort na het uitbreken van de coronacrisis, las Ernaux een brief voor op radiostation France Inter. In de aanhef citeerde ze Boris Vians Le déserteur, geschreven halverwege de jaren vijftig: ‘Monsieur le Président/ Je vous fais une lettre/ Que vous lirez peut-être/ Si vous avez le temps.’ En zo bedroefd maar vastberaden als Vian dienstweigerde en hij zijn president vertelde dat hij, als het echt zo belangrijk was, desnoods zelf maar ver weg arme mensen moest gaan vermoorden, zo gedecideerd klinkt Ernaux als ze Macron vertelt dat ze niet gediend is van zijn oorlogsmetaforen en dat ze hem medeverantwoordelijk houdt voor de abominabele staat van de publieke voorzieningen. In het geloof in sociaal-democratische idealen dat ze in de brief belijdt klinken geen valse noten, geen nostalgisch terugverlangen naar toen alles beter was, maar een hoopvol idee van hoe de dingen beter zouden kunnen zijn. De amper zeshonderd woorden van de brief getuigen vóór alles van haar geloof in de lotsverbondenheid van gewone mensen.

Aan het einde van De jaren overdenkt Ernaux het verlangen waaruit het boek werd geboren. Ze wilde greep krijgen op de tijd die samenviel met haar passeren hier op aarde, zegt ze. De sporen die de wereld heeft achtergelaten in haar en haar tijdgenoten gebruiken om iets als de gemeenschappelijke tijd te reconstrueren, het collectieve geheugen terugvinden in haar eigen geheugen, en zo ‘de geleefde dimensie van de Geschiedenis uitdrukken’. Een ik-loze, onpersoonlijke autobiografie, met als doel iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn. De jaren wil, schaamteloos, een levenswerk zijn.

Haar impliciete vraag aan de lezer is niet of ze daarin is geslaagd. Dat zou valse bescheidenheid zijn. Haar vraag is of we nu, heel misschien, hebben geweten wat het is om een ander te zijn. Niet eens per se haar, gewoon een ander. Iemand met een leven zo rijk en zo gewoon en zo vreemd als het onze. Zo eigen en toch ook zo herkenbaar. Zo klein en toch ook zo onmetelijk groot. Zo mooi.


Deze week verschijnt van Annie Ernaux De jaren in de vertaling van Rokus Hofstede (De Arbeiderspers, 240 blz.)