Het Duitse antwoord op Bret Easton Ellis

Alweer is er een nieuwe Houellebecq opgestaan. We hadden al ‘het linkse antwoord’ op hem, in de gedaante van Édouard Louis, en nu is er ‘het Duitse antwoord’, de Oostenrijker Alexander Schimmelbusch (1975). Die schreef al drie romans en nu zijn vierde, Hochdeutschland, in Duitsland een hit werd, introduceert uitgeverij Prometheus hem in Nederland, met een juichend ‘antwoord op Houellebecq’-citaat uit Die Zeit.

De nieuwe schrijver is een oude met een andere strik erom. In het voordeel werkt zo’n vergelijking meestal niet. Natuurlijk, ook Opperduitsland is een politieke roman, of eerder een verzameling essayistische beschouwingen, die zich laat lezen als kritiek op het kapitalisme. Maar daar houdt de gelijkenis wel zo’n beetje op.

Hoofdpersoon Victor is bankier, gespecialiseerd in overnames die hem zo krankzinnig veel miljoenen opleveren dat hij er een levensstijl op nahoudt die we eerder kennen van figuren uit Less Than Zero. Porsches, Zegna-broeken, een fles Richebourg van 2400 euro, hotels, zwembaden, 102 huizen in Berlijn: dat werk. Het Duitse antwoord op Bret Easton Ellis was een betere typering geweest. Al is dat dan een rijkelijk laat antwoord.

Ook in attitude is Victor vooral Generation X. Met een grondtoon van hautaine verveling en lamlendige decadentie maakt hij zich vanaf een afstandje vrolijk over de wereld, die hij steevast met merknamen en prijskaartjes aanduidt. Exemplarisch is een lange passage over de (ook naar ons land uitgezaaide) fastfoodketen Vapiano. ‘De missie van Vapiano was de in Duitsland sinds de dagen van de eerste gastarbeidersgolf overal verspreide kleine pizzeria’s te vervangen door hun systeemgastronomische gestandaardiseerde tegenpool, om zo een stedelijke clientèle in lifestyle-achtige zelfbedieningskantines Italofood made in Germany te serveren.’

Best geinig, maar als het hele boek praktisch uitsluitend zo’n frivool-analytische gedachtestroom is, wordt het wat eentonig, ook omdat Schimmelbusch, zelf tot aan zijn debuut in 2006 werkzaam in het wereldje van consultancy en investment banks, het vakjargon verre van schuwt. Dus gaat het over teaser-transacties, pitches, en ‘een fair, transparant en concurrentieel systeem’.

Alexander Schimmelbusch - de inzichten van zijn held zijn teleurstellend vlakjes © Annette Hauschild / Ostkreuz

Het grote verschil met Houellebecq is dat diens sombere antihelden een naïviteit veinzen, het doen voorkomen alsof het maar doodgewone stumperds zijn die, achteloos, tegen wil en dank, een haarscherpe diagnose van de samenleving stellen. Bij de hyperrationele held van Schimmelbusch is het precies omgekeerd: hij doet het voorkomen alsof hij het ene slimme inzicht na het andere te voorschijn tovert, maar voorbij al zijn Spielerei zijn die inzichten teleurstellend vlakjes en doodgewoon.

Als er al een serieuze intentie onder deze satire ligt, gaat die in meligheid ten onder

Zo komt hij plots tot het inzicht dat het kapitalisme verrot is, dat het toch wel van de gekke is dat ‘de activiteit van een M&A-consultant beter beloond werd dan bijvoorbeeld pijpen of schrijven of onderwatermandvlechten’.

Van de weeromstuit schrijft hij als protest een knotsgek pamflet, dat tientallen pagina’s van het boek beslaat – al merk je amper een verandering in register, want het had allemaal al een hoog cerebraal gehalte, afstandelijk, vrijwel zonder dialoog, vrijwel zonder adempauze. Doel van dit geschrijf is ‘een radicaal project’ te lanceren, ‘om het Duitse volk te verenigen’, ‘de nationale hulpbronnen naar een cognitieve upgrade van de meerderheid af te leiden, om het land voor dreigende irrelevantie te behoeden’.

De rijkste één procent van de Duitse bevolking bezit het merendeel van het vermogen. Prestaties worden alleen in termen van winst berekend. ‘We moeten ons afvragen: wie presteert het meest? De verpleegster die onze hand vasthoudt terwijl we sterven? Of de vastgoedmakelaar die haar uit de binnenstad verdrijft?’

Eindeloos lang krijgen we ervan langs, met een puntsgewijze opsomming van zaken die tezamen het volstrekt conventionele wereldbeeld vormen dat we allemaal al lang in de kranten lazen. Verrassend is hooguit de remedie die hij oppert. Dat is om Duitsland als een groot bedrijf te gaan besturen, een soort staatskapitalisme te introduceren, ‘een nieuw nationaal verhaal, dat over teamwork gaat, over verbondenheid’.

Dit businessplannetje dat hij er aanvankelijk een beetje uit verveling uit rammelt, veroorzaakt ineens een lawine-effect met groteske politieke gevolgen, en dan schiet dit plotloze boek als een losgelaten ballonnetje alle kanten uit en is het snel afgelopen met onze Victor.

Als er al een serieuze intentie onder deze satire ligt, gaat die in meligheid ten onder.

Alleen al met de titel, Opperduitsland, lijkt dit boek zich bij een groep romans te scharen waartoe ook Middle England (Jonathan Coe) en Unterleuten (Juli Zeh) behoren. Scherpe, bijtende satires over onze tijd. Maar bij Schimmelbusch blijf je het gevoel houden dat het over een andere tijd gaat, de jaren negentig en de eerste tien jaar van het millennium. De wereld van Media Markt, Porsche, Vapiano.

Als tegenwicht tegen zijn olijke analyses zitten er flinterdunne lijntjes in over zijn verwende dochtertje, met wie hij sentimentele dialogen voert, en zijn overleden moeder. Het effect daarvan is dat je je alleen maar sterker realiseert dat je in een universum verzeild bent waar behalve de echte ideeën ook de echte mensen afwezig zijn.