Het duitse geweten

Begin dit jaar overleed de journalist, schrijver en historicus Sebastian Haffner (1907). Zijn debuut ‘Duitsland 1939: Jekyll & Hyde’( is nu in vertaling verschenen. Daarin ontpopt Haffner zich als een visionair die de zelfmoord van Hitler voorspelde

HITLER? Ongetwijfeld een fenomeen. En niet eens zo slecht, zij het als econoom.
Churchill? In wezen was Churchill in de jaren twintig een fascist: alleen zijn nationaliteit verhinderde het dat hij het ook in naam werd. En Stalin? Dat was eigenlijk de beste man die Sovjet-Rusland zich destijds kon wensen.
Het is alsof je als lezer om de paar bladzijden een klap in je gezicht krijgt. Algemeen geaccepteerde veronderstellingen worden in heldere termen een voor een vakkundig om zeep geholpen. En maken vervolgens plaats voor een onorthodoxe visie die dusdanig knap is onderbouwd dat zij op zijn minst tot nadenken stemt. En dat is nu precies waar het Sebastian Haffner (1907-1999) om te doen was.
De journalist, schrijver en historicus was misschien een provocateur, maar veel meer dan dat alleen. Essays die hij zestig jaar geleden heeft geschreven, zijn nog altijd overtuigend. Zijn scherpzinnige analyses, geschreven in een sprankelend heldere stijl, bezitten een tijdloze aantrekkingskracht.
Haffners debuut, Duitsland 1939: Jekyll & Hyde, is pas enkele jaren terug in Duitsland uitgebracht en nu in het Nederlands vertaald bij uitgeverij Mets. Hij schreef het in Engeland, waar hij in 1939 (nog als Raimund Pretzel) naartoe vluchtte omdat hij weigerde te werken onder Hitler en omdat zijn vriendin joods was.
Met het boek wilde Haffner het janusgezicht van nazi-Duitsland tonen: er woonden ogenschijnlijk normale, beschaafde mensen, maar tegelijkertijd werden er ‘onvergetelijke, hemeltergende gruweldaden’ begaan. Haffner over die tijd: 'Je leefde in dat Duitsland als het ware in twee werelden. Ik heb er wel eens een onsmakelijke vergelijking voor gebruikt: je eet ergens, de keuken is goed, de bediening is keurig, de tafel netjes gedekt, maar op de rand van je bord ligt al die tijd een hoop stront.’
Al in Duitsland 1939: Jekyll & Hyde gaat de jonge schrijver geen enkele krasse uitspraak uit de weg over Duitsland en de Duitsers in het algemeen. Zo bezitten Duitsers 'geen vreedzaam maar een oorlogszuchtig zelfbewustzijn’, schrikken ze terug voor politieke activiteiten in welke vorm dan ook en hebben ze al helemaal 'geen talent voor democratisch zelfbestuur’. Haffner zet daarom vraagtekens bij het bestaansrecht van het Duitse rijk zoals dat sinds 1871 is gevormd: 'De tijd is aangebroken om ons af te vragen of het rijk wel verstandig kan worden, of deze politieke constellatie misschien niet iets buitengewoon onnatuurlijks en gevaarlijks is.’
DIT WANTROUWEN ten opzichte van het grote Duitsland is hem zijn hele leven bijgebleven en vormt een van de belangrijkste thema’s in zijn werk. In het boek Van Bismarck tot Hitler: Het Duitse Rijk 1871-1945 (uitg. H.J.W. Becht) luidt Haffners centrale these: heeft het Duitse Rijk eigenlijk wel iets voorgesteld? Zijn antwoord: nauwelijks.
De democratische kansen in een Duitse staat acht hij in Duitsland 1939 minimaal: 'Wie van Duitsland een democratische grote mogendheid wil maken, zoekt naar appels aan een rozenstruik. Die bestaan niet. En ze zullen ook nooit bestaan.’
Een van de mogelijkheden voor Duitsland, wanneer de oorlog ten einde is, zal dan ook de opdeling in de Duitse staatjes van vroeger kunnen zijn. Dat zou volgens Haffner, die zich sowieso meer een 'Pruis’ dan een 'Duitser’ voelde, in feite positief zijn, want: 'een Duitser verspeelt het beste deel van zijn karakter als hij zich concentreert op zijn “Duitserschap” en nationalist wordt’. Haffner gaf de voorkeur aan een middelgrote staat waarin gespreide macht nog mogelijk was. In een 'superstaat’ zou de macht noodgedwongen samengebald moeten zijn en wanneer dan een misdadiger tot het centrum wist door te dringen, zou dit funest zijn voor het staatsbestel.
Tijdens de republiek van Weimar werd Haffners angst bewaarheid, toen Hitler op een legale manier aan de macht wist te komen en zijn voorbereidingen kon treffen voor een nationaal-socialistische staat. Over deze nazistaat is Haffner trouwens navenant glashelder: dat was geen staatsvorm, het nazisme was geen ideologie, het was namelijk helemaal niets, hooguit een 'actief nihilisme’. Het was Hitler die het allemaal verzonnen had, die zogenaamde ideologie en de moord op de joden - wat overigens volgens Haffner net zo goed een andere groepering had kunnen zijn, maar de joden vormden een gemeenschap 'die toevallig bij de hand was’.
De these dat Hitler de spil was waar alles om draaide, herhaalt Haffner nog eens in zijn boek dat in 1978 zijn late doorbraak betekende: Kanttekeningen bij Hitler (H.J.W. Becht). Het boek sloeg in als een bom, niet zozeer omdat Haffner Hitler cen traal stelde als wel omdat hij hem met de nuchtere distantie beschreef die tot dan toe ongebruikelijk was. Tot dat moment was Hitler zonder uitzondering beschreven als een demon en nu werd hij plotseling bestudeerd, zoals je iedere andere 'interessante’ figuur uit de geschiedenis zou kunnen beschrijven. De titels van de hoofdstukken spreken boekdelen: leven, prestaties, successen, vergissingen, fouten, misdaden, verraad. Alsof het om een 'gewone politicus’ zou gaan.
Haffner stond hierdoor eens te meer te boek als intellectuele Einzelgänger. Hij bleek niet te vangen in simplificerende termen als 'links’ of 'rechts’. Hij bepleitte vooral de gemeenschappelijke waarden die boven links of rechts uitstegen en meer te maken hadden met beschaving, gezond verstand, ervaring en fatsoen. Misschien dat hij door zijn ervaringen met het nationaal-socialistische bewind die hele links-rechtsverdeling onzin vond. In Duitsland 1939: Jekyll & Hyde schrijft hij niet voor niets: 'Kapitalisme of socialisme, lieve hemel, dat is vandaag de dag even belangrijk als de vraag “plooirok of hoepelrok”.’
TOCH HEEFT DEZE typische Bildungsbürger zich zo nu en dan expliciet uitgesproken voor een ondubbelzinnige politieke oriëntatie. Zo was de geboren 'burgerlijk-liberaal’ in de jaren vijftig een echte kalter Krieger. Het draaide in die tijd in alle discussies om het nationale vraagstuk, om de Wiedervereinigung van Duitsland. In de jaren zestig was Haffner juist opvallend links. Hij ondersteunde Brandts Ostpolitik en de normalisering van de betrekkingen met het Oostblok. In de jaren tachtig nam hij ook daar weer afstand van en was hij opnieuw bovenal burgerlijk-liberaal. Bij de verhitte Historikerstreit die midden jaren tachtig losbrak bleef Haffner als beschaafd burger aan de zijlijn staan. Hij had vanzelfsprekend wel een mening over de rol van het nationaal-socialisme in de Duitse geschiedenis, maar vond dat de Berlijnse historicus Ernst Nolte, centrale figuur in deze discussie, de sfeer volledig had verpest door een - zijns inziens - absurde vergelijking te trekken tussen Hitler en Stalin.
Haffner heeft zijn wisselende politieke stemmingen altijd ruiterlijk erkend en analyseerde zijn eigen levensloop net zo makkelijk en net zo kritisch als die van een ander. Zo stelde hij in de jaren tachtig: 'De jaren zestig was mijn linkse periode. Ik ben toen zeker wat meer naar links gerutscht dan ik zou willen.’ Maar hij erkende ook: 'Ik kan van links beter begrijpen dat ze over de schreef gaat dan van rechts. Rechts heeft immers tot taak om de orde en rust te handhaven. Rechts had altijd de macht. Ik heb me altijd liberaal gevoeld. Maar dat ben ik eigenlijk niet. Er moet macht zijn. Ik ben wellicht een zeer gematigde conservatief met sympathie voor links.’
ZOALS DE DUITSE staat steeds weer als een feniks uit zijn as herrees, kwam Haffner in telkens andere vorm bovendrijven als het kritische geweten van Duitsland. Als kind leefde Haffner in een wilhelmistisch Duitsland, als student in de Weimarrepubliek, als aankomend ambtenaar korte tijd in het Derde Rijk, als essayist in de Bondsrepubliek en als schrijver op leeftijd in het herenigde Duitsland. Daarnaast heeft zijn tijd in Engeland hem ingrijpend beïnvloed, niet in de laatste plaats als stilist.
Zijn onafhankelijkheid van ideologieën en politieke stromingen klinkt door in zijn hele oeuvre. In Het Duitse onvermogen: Opstellen over geschiedenis (De Balie) schrijft hij als liberaal-burger in een essay over DDR-leider Walter Ulbricht: 'Duitsers zijn ongetwijfeld een conservatief volk. Hun lievelingswoord is “wieder” en het mooiste dat hen kan overkomen is dat ze gisteren nog eens kunnen meemaken. Dat is een ontroerende maar ook gevaarlijke eigenschap en het kan een zegen voor de Duitsers blijken dat er voor het eerst sinds eeuwen politiek talent is neergedaald op een revolutionair in plaats van op een reactionair.’
In Overwegingen van een zwevende kiezer (1980) zet hij bovendien, zonder specifieke voorkeur voor een bepaalde stroming, het belang uiteen van het bestaan van verschillende partijen omdat deze elkaar dan met enige gezonde regelmaat kunnen afwisselen.
Bij Haffner stond een pragmatische instelling, gecombineerd met de invloed van het Britse fair play, voorop. Op de veelgestelde vraag welk werk van hemzelf hij het beste vond, antwoordde hij begin jaren tachtig in alle bescheidenheid: 'Van al mijn boekjes is me dat over Churchill het liefst, en die man heb ik ook het meest bewonderd en vereerd van allemaal.’
Churchill (H.J.W. Becht) is inderdaad een prachtig boek, mede door de stijl. Pakkende beelden doemen op, karakters worden met treffende beeldspraken tot leven gewekt en ondertussen voltrekken zich de grootste drama’s. Haffner over Churchills minder gelukkige tijden: 'Zijn positie was als vijftig jaar eerder, toen hij in de macht was geweest van de school en opvoedingsmachine waaraan hij als kind even onverbiddelijk was overgeleverd: nergens bij horend, hopeloos vereenzaamd op een totaal geïsoleerde post, zonder vrienden, koppig, kapot van verdriet, een mislukte rebel die voortdurend klappen kreeg en toch steeds weer protesterend zijn mond opendeed.’
Haffner over Churchills laatste (politieke) krachtsinspanningen: 'En toen gebeurde er toch nog iets. Nog één keer, voor het laatst, richtte de reus zich in zijn volle lengte op. Een kort ogenblik hield de hele wereld nog één keer, zoals in 1940, zijn blik gevestigd op Churchill. Het was een ogenblik van hoop. Verwezenlijkt werd die hoop niet meer.’
DEZE STIJL is vergelijkbaar met de scène in het essay 'Hitlers machtsovername’ In Het Duitse onvermogen), waarin Haffner het - volgens hem - doorslaggevende moment beschrijft als Hindenburg 'de verordening ter bescherming van volk en staat’ tekent (28 februari 1932): 'Hindenburg aarzelde met zijn handtekening. Hij begreep niet meteen alles, hij keek naar rijkskanselier Franz von Papen, vragend. En Papen knikte. Daarop tekende Hindenburg. Wat hij daar ondertekende, dat waren vele blanco doodvonnissen. Ook, uiteindelijk, het doodvonnis over het Duitse Rijk.’
In het essay over het ontstaan en de teloorgang van de Parijse Commune in 1870/1 is zijn stijl niet meer uitsluitend gericht op de (belangrijkste) personen maar op het strijdgewoel als geheel. Haffner fungeert hier bijna als actuele oorlogsverslaggever. 'En geen plaats meer in Parijs waar je nu niet het brullen van de kanonnen, het knetteren van de mitrailleurs en de salvo’s van de chasspos hoorde. Het strijdgedruis golfde langzaam naar het oosten. ’s(Avonds viel het stadhuis en ging in vlammen op.’
Hoe goed de beschrijving van de geschiedenis van de Parijse Commune ook is, Haffners kracht ligt toch vooral in het analyseren van de geschiedenis aan de hand van de grote mannen. De bewondering van Haffner in zijn biografie over de grote Churchill is - ook in de minder aardige passages - bijna permanent aanwezig. Bijvoorbeeld over de onberekenbaarheid die Churchill eigen was: 'Men wist niet goed waar men met hem aan toe was. Het was hem op de een of andere manier eigen steeds weer voor een sensatie te zorgen. Hij had iets onbetrouwbaars, iets onserieus, ondanks al zijn toch ook voortdurend erkende talent en virtuositeit.’ Net Haffner. Ook bij hem wist je niet goed waar je aan toe was, en was de provocerende toon vaak verwarrend. Door collega-historici werd hij als een amateur-historicus beschouwd en eigenlijk niet zo serieus genomen, ondanks zijn talent.
HET IS GOED mogelijk dat Haffner mede geboeid was door Churchill omdat hij een geestverwant herkende. Haffner zelf zegt tenslotte onomwonden in Churchill: 'Zoals bekend begrijpt men slechts wat men zelf enigszins in zich heeft.’ Natuurlijk komen bepaalde karaktertrekken van Churchill en Haffner niet overeen; de extreme tactloosheid en scheldkanonnades van Churchill zijn bijvoorbeeld moeilijk voor te stellen bij de gentleman die Haffner is geweest. Haffner zou een man als Gandhi hoogstwaarschijnlijk niet getypeerd hebben, zoals Churchill deed, als 'een querulante advocaat die, toegetakeld als een fakir, halfnaakt de trappen van het paleis opliep’.
Dit neemt niet weg dat een groot aantal zaken die Haffner over de visionair Churchill beweert, net zo goed op hemzelf konden slaan. Haffner, in een interview met Jan Blokker (1983): 'Ik had een soort gave om drie of vier keer vooruit te kunnen kijken. Ik wist dat er oorlog zou komen, zoals ik in 1943 wist dat de alliantie na de oorlog uiteen zou vallen en plaats zou maken voor een koude oorlog, en zoals ik in 1953 voorzag dat een détente op komst was.’
In Duitsland 1939: Jekyll & Hyde doet Haffner inderdaad verrassende voorspellingen, onder meer over de uiteindelijke zelfmoord van Hitler en de 'wederopstanding’ van de Duitse staat. Maar vooral, net als Churchill, voorvoelt Haffner het gevaar van Hitler. Er hing een geur om die man, schreef Haffner: 'Er wird morden.’
Jammer dat Haffner zijn mening niet meer kan geven over het huidige Duitsland, dat inmiddels ongeveer het braafste jongetje van de klas lijkt te zijn. Nu er veel wordt gesproken over een nieuw Duits bewustzijn en nu gezaghebbende auteurs eisen dat 'Auschwitz’ niet meer als 'morele knuppel’ gebruikt mag worden, had Sebastian Haffner misschien juist graag weer de knuppel in het hoenderhok gegooid.