Hoofdcommentaar

Het echte integratiedebat gaat over Europa

Het echte integratiedebat gaat niet over Delfshaven, Spangen of het Laakkwartier. De conclusies uit het rapport van de commissie-Blok waren grotendeels al bekend en zullen de schade die de afgelopen dertig jaar door weifelend overheidsbeleid is aangericht niet terstond herstellen. Met veel migranten is het goed gegaan, met veel anderen niet. Zo genuanceerd ligt het helaas. Het is nu zaak verdere sociale en economische segregatie te voorkomen en waar mogelijk inburgering te bevorderen. De zoveelste analyse over waar en wanneer het precies is fout gegaan en wie daarover anderhalf jaar na de moord op Pim Fortuyn de hardste noten durft te kraken, zet weinig zoden aan de dijk.

Het echte integratiedebat gaat over Bratislava, Ljubljana en Warschau. Op 1 mei van dit jaar wordt de Europese Unie uitgebreid met tien nieuwe lidstaten. Hoe wezenlijk deze uitbreiding ook mag zijn, zoals zo vaak bij Europese mijlpalen berust de in zichzelf gekeerde Nederlandse opinie erin voor voldongen feiten gesteld te worden. Europa transformeert van een louter economisch samenwerkingsverband naar een politieke unie. Terwijl geschiedenis wordt geschreven en Nederland daar halverwege dit jaar als EU-voorzitter grote verantwoordelijkheid voor krijgt, kijkt de Nederlandse politiek liever achteruit naar het falen bij nationaal integratiebeleid dan vooruit naar te verwachten moeilijkheden bij de Europese integratie.

En de mechanismen herhalen zich. Een wezenlijke discussie over de te verwachten komst van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa is ondanks gemor bij sociale partners en vage kabinetsplannen voor het dichttimmeren van de arbeidsmarkt nog altijd niet van de grond gekomen. Wel is er een geruststellend rapportje gepresenteerd: vorige week beraamde het Centraal Plan Bureau dat per jaar hooguit zo’n tienduizend werkzoekenden in Nederland zullen aankloppen. Zo erg is het dus allemaal niet, luidde de boodschap. Hoeven we ons verder niet druk over te maken. Een diepgaander debat over het belang van voortschrijdende Europese integratie en de opofferingen die ook Nederland daarvoor moet doen, werd zo omzeild. Dat in de EU door de jaren heen nu eenmaal afspraken zijn gemaakt over vrij verkeer van personen en goederen, dat die afspraken vanaf 1 mei ook voor Polen en Sloveniërs gelden en het dus vrijwel onmogelijk is mensen tegen te houden, hoefde zo niet uitgelegd te worden.

2004 is voor de toekomst van de Europese integratie een cruciaal jaar. Dat mag in Nederland misschien nog niet zijn doorgedrongen, het dagelijks bestuur van de Europese Unie heeft dat wél goed begrepen. De Europese Commissie onder voorzitterschap van Romano Prodi ligt op ramkoers. Tenminste twee keer werd het Europese integratieproces vorig jaar geremd door voor binnenlands gebruik bedoelde ingrepen van ministers van de nationale staten. Niet alleen bij de eindeloze discussie over het groei- en stabiliteitspact, ook bij de vastgelopen onderhandelingen over het nieuwe grondwettelijke verdrag voor de Unie. Daar wilde Prodi een einde aan maken. De Commissie strijdt deze dagen om niets minder dan de macht in de Unie.

Zo werd vorige week bekend dat de Commissie het verzet tegen de te grote tekorten van Duitsland en Frankrijk van de Nederlandse minister Zalm overneemt. Het milde besluit van Ecofin, de raad van ministers van Financiën die Duitsland en Frankrijk vooralsnog niet wilde beboeten, zal door eurocommissaris Solbes bij het Europees Hof in Luxemburg worden aangevochten. Daarmee neemt de Commissie een enorm risico. Als Solbes en Prodi in het ongelijk worden gesteld, dan zal de macht van de ministerraden alleen maar toenemen. Worden ze in het gelijk gesteld, dan trekt de Europese Commissie eindelijk aan de touwtjes.

Maar hier bleef het niet bij. Prodi zette zijn aanval op de lidstaten door. Hij prees Turkije voor de hervormingen en gaf aan dat dit land wat hem betreft op de drempel van de Unie staat. In de meeste huidige lidstaten, waaronder Nederland, is hierover het laatste woord nog lang niet gesproken. En afgelopen maandag kwam de vrijgevochten Commissievoorzitter met zijn voorlopig laatste bijdrage. In een lezing voor de London School of Economics hekelde hij het initiatief van zes «netto-betalers» aan de Unie — landen die meer contributie betalen dan ze subsidie opstrijken — om juist dit jaar het plafond op de uitgaven te verlagen van 1,24 procent naar 1 procent van het bbp. Aan de vooravond van de grootste EU-uitbreiding, die volgens Prodi «door veel mensen wordt gezien als de eerste samenwerking in de geschiedenis van het Europese continent», is het een «vreemd moment» om verlaging van de bijdrage voor te stellen. Nederland, dat als handelsland meer dan welke andere lidstaat ook indirect van de vrijhandelszone binnen de Unie profiteert, is gemeten naar afdracht en directe inkomsten de grootste betaler van de Unie en nam het initiatief voor de verlaging van het uitgavenplafond. Integratie komt van twee kanten, vindt Prodi: nieuwe afzetmarkten mogen de West-Europese landen best iets kosten.

Wie, zoals de Amerikaanse minister Rumsfeld, denkt dat Europa verscheurd wordt door tegenstellingen tussen oude en nieuwe lidstaten heeft het mis. Het werkelijke oude Europa is het Europa van de nationale lidstaten, van de ministerraden en de regeringsleiders. Het nieuwe Europa is het Europa van de door die lidstaten jarenlang zwak gehouden instituties. De Europese Commissie lijkt daar dit jaar iets aan te willen doen. Het is vooral de Nederlandse regering die daar eind dit jaar een zware dobber aan krijgt. In de tweede helft van 2004 zal namelijk alles samenkomen. Het Europese Hof doet dan een uitspraak in de zaak tegen Ecofin en de regeringsleiders nemen een besluit over de toetreding van Turkije en moeten tot een akkoord komen over het nieuwe grondwettelijke verdrag dat de verantwoordelijkheden in een grotere Europese Unie beter moet regelen. Het is aan minister Bot dit in goede banen te leiden. En ervoor te zorgen dat over dertig jaar niet de conclusie wordt getrokken dat de integratie andermaal is mislukt.